Vlaams minister van Cultuur Bert Anciaux komt graag molenwiekend uit zijn hoek. Na de kortstondige ontsnapping van Marc Dutroux voorspelde hij al eens het uitbreken van de revolutie. Vorige week vreesde de minister 'een aanval op het hart van de democratie'.
...

Vlaams minister van Cultuur Bert Anciaux komt graag molenwiekend uit zijn hoek. Na de kortstondige ontsnapping van Marc Dutroux voorspelde hij al eens het uitbreken van de revolutie. Vorige week vreesde de minister 'een aanval op het hart van de democratie'. Oorzaak van de ministeriële verontwaardiging was de aankondiging door 'twee politieke theelichtjes van het Vlaams Belang', zoals Frank Albers ze in De Standaard omschreef, dat hun partij, als zij de macht verwerft, de subsidiekraan zal dichtdraaien voor de stadstheaters in Brussel, Gent en Antwerpen. Want die schouwburgen zijn de partij iets te elitair, te progressief, te experimenteel. Het is verwonderlijk dat de intentieverklaring van het Vlaams Belang aanleiding gaf tot zulke commotie. Want, zo weet de attente waarnemer, hier is eigenlijk niks aan de hand. Het Vlaams Belang is nergens aan de macht. En als we de kopstukken van de grote traditionele partijen mogen geloven die zeggen dat zij geen coalitie willen vormen met extreem-rechts, dan is de kans dat de partij ooit mee zal besturen, en dus de hand aan de subsidiekraan slaat, vrijwel onbestaande. Toch gespten alle Vlaamse cultuurdragers - en afgaand op de stroom van ingezonden open brieven, columns en opiniestukken, zijn dat er een pak - het harnas om. Er was aanvankelijk, zoals vaak als de strijdlust al te fors opborrelt, wat verwarring in de gelederen. Omdat sommigen beweerden dat minister Anciaux zelf had gezaaid wat het Vlaams Belang nu oogstte. Een vijftal jaar geleden immers had Anciaux in een opgemerkte toespraak, bij wijze van Publikumsbeschimpfung, die cultuurdragers afgedaan als 'de ascetische elite'. Die konden daar toen ook al niet om lachen. Als de discussie oplaait, zoals nu, over de vraag of de overheid cultuur al dan niet moet subsidiëren, dan wordt er altijd stevig op ingehakt. Getuige daarvan het boek dat professor Paul De Grauwe indertijd aan de kwestie heeft gewijd. De minzame academicus werd net niet met pek en veren getooid de stad uit gejaagd. Ondertussen is er in het koninkrijk wel wat veranderd. De belangrijkste culturele megafoon, de openbare omroep VRT, volgt voorbeeldig de cultuurpolitiek die het Vlaams Belang voorstaat: niks elitairs, geen geëxperimenteer, alles laagdrempelig en volkomen risicoloos. De nieuwsdienst nam onlangs zelfs Philippe Dewinter op sleeptouw voor de tentoonstelling Visionair België in het Brusselse Paleis van Schone Kunsten. De uitbouw van de cultuursubsidiëring liep gelijk met de sociale strijd. Ooit had de Belgische Werkliedenpartij zelfs een eigen section d'art et d'enseignement waar vooraanstaande kunstenaars, dichters en schrijvers de achterban vertrouwd maakten met de letteren en andere schone kunsten. Een van die spoortrekkers van de section d'art was de artistieke duizendpoot Henry van de Velde. Zijn Boekentoren staat vandaag te verkommeren in hartje Gent. Maar sinds Jan Thorbecke het 19e-eeuwse Nederland voorhield dat kunst geen regeringszaak is, zorgt de subsidiekwestie voor heilloze discussies tussen kunstenaars en overheid. De kunstenaar wil geld van de overheid om zijn oeuvre te realiseren, maar weigert door die volgens hem onbeslagen overheid te worden beoordeeld. Zo stuurde Antoine Wiertz ooit een erepenning terug naar Leopold I met de boodschap dat hij over zijn werk alleen het oordeel van Rubens en Michelangelo kon aanvaarden en dat beide heren jammer genoeg dood waren. Toen de Belgische staat later een atelier voor hem bouwde - nu het Wiertz-museum - draaide de kunstenaar wel bij. Er zijn nu eenmaal zaken die alleen de overheid aankan: onderwijs, gezondheidszorg, de grote infrastructuurwerken, monumentenzorg. Onderwijs moet de jongeren aan de kennis helpen waarmee zij later op een kritische wijze gebruik kunnen maken van het culturele aanbod. Dat aanbod wordt verzorgd door een wijdvertakt netwerk van culturele centra, openbare bibliotheken, musea, stadstheaters en -opera's, allemaal gefinancierd door de overheid. Vandaag kan niemand bij benadering zeggen hoeveel miljoenen euro's de overheid - van het federale, het regionale, het provinciale tot het stedelijke en gemeentelijke niveau - jaarlijks spendeert aan de verspreiding van de culturele boodschap. Gaandeweg heeft de culturele sector op staatskosten een eigen kleine kaste in het leven geroepen van vaak prinselijk betaalde prelaten en bedienaren van de culturele erediensten. Een kaste die vastbesloten is vooral zichzelf in stand te houden. Het was trouwens opvallend dat in de stoet van zelfverklaarde cultuurdragers er niet één was die verklaarde geen geld te willen van een overheid waarin het Vlaams Belang zitting heeft. Het laat zich dus aanzien dat minister van Cultuur Marie-Rose Morel in alle stadstheaters welkom zal zijn, zolang zij de subsidiebeurs maar meebrengt. De collaboratiebereidheid was altijd al groot in de culturele sector. Rik Van CauwelaertKunst is geen regeringszaak.