Eerst een toelatingsproef voor de opleidingen arts en tandarts ; en nu zijn de kinesisten aan de beurt. Waar houdt de toegangsbeperking in het hoger onderwijs dan op ? Zo vraagt de studentenwereld zich af.
...

Eerst een toelatingsproef voor de opleidingen arts en tandarts ; en nu zijn de kinesisten aan de beurt. Waar houdt de toegangsbeperking in het hoger onderwijs dan op ? Zo vraagt de studentenwereld zich af.?De druk wordt groter om de instroom van studenten naar bepaalde opleidingen te beperken,? zegt Alex Polfliet van de Vereniging van Vlaamse Studenten (VVS). ?Er zouden te veel artsen, tandartsen en kinesisten zijn. Maar ik stel vast dat er toelatingsproeven komen in de sectoren waar de belangengroepen en het lobbywerk sterk staan. Als we gesprekken voeren met politici, verbergen ze dat niet eens meer. Ze zeggen onomwonden : we moeten toegeven dat de artsenlobby zeer machtig is en uit corporatistische reflex toelatingsproeven wil doordrukken. Nu gebeurt min of meer hetzelfde voor de kinesisten.? Een kaakslag voor de democratisering van het onderwijs, vindt de VVS van de studentenbeperking. Het gaat hem vooral over de academische opleiding arts en tandarts. Wie aan deze studie wil beginnen, dreigt tussen verschillende wafelijzers terecht te komen. De federale overheid wil het aantal artsen beperken. Slechts een vast aantal afgestudeerden, een contingent, zou zich mogen vestigen. In 2004 krijgen nog ten hoogste 700 studenten op het einde van hun studie geneeskunde een erkenning als arts. In 2005 nog 650 en in 2006 slechts 600. Ook voor de tandartsen geldt een soortgelijke contingentering. In 2002 en 2003 krijgen nog ten hoogste 140 studenten tandheelkunde een erkenningsnummer van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (Riziv). Zowel voor artsen als tandartsen koos de federale regering voor een 60/40-verdeling tussen de Vlaamse en de Franse Gemeenschap. Volgens Vlaams onderwijsminister Luc Van den Bossche (SP) heeft Vlaanderen echter recht op een groter aandeel van het contingent, omdat het medisch overaanbod bij onze Franstalige buren veel groter is. Behalve de contingentering vreest de VVS op termijn een numerus clausus of een numerus fixus. Hierbij zou slechts een vast percentage of een vast aantal jongeren geneeskunde kunnen studeren. EEN ONGEBONDEN TESTIn Vlaanderen komt er alvast vanaf het academiejaar 1997-1998 een toelatingsexamen voor de opleidingen arts en tandarts. Deze proef zou een soort filter vormen. Maar in het beste geval zullen degenen die het in het oude systeem op het einde van het eerste jaar niet zouden halen, nu vóór het begin van de studie zakken. De toelatingsproef dreigt bijgevolg een nuloperatie te worden, zeggen studentenleiders. Polfliet : ?We vragen ons af wat de bedoeling is van een toelatingsproef als, bijvoorbeeld, het bedrijfsleven het toelatingsexamen voor burgerlijk ingenieurs wil versoepelen, omdat er te weinig ingenieurs zijn. Als de vrije markt oordeelt dat er een teveel is, komen er strenge toelatingseisen. Zijn er te weinig ? Dan versoepelen ze de toelating gewoon. De wetten van de vrije markt bepalen zo mee het onderwijs en zijn een directe aanleiding tot de afbraak van democratisch onderwijs. En wat bewijst tenslotte zo'n proef ? Ze is een momentopname. Kandidaat-studenten die er niet voor slagen, zouden misschien toch goed geschikt geweest zijn om het beroep uit te oefenen. Wie studeert, kan evolueren.? De Vereniging van Vlaamse Studenten is tegen toelatingsproeven en pleit daarentegen voor een beter oriënteringbeleid. Ook de Leuvense Overkoepelende Kringorganisatie (Loko) is daarvoor te vinden. Ludwig Deweghe (Werkgroep Oriënteringsbeleid - Loko) : ?We vragen dat het secundair onderwijs het programma-aanbod van het hoger onderwijs beter bekend maakt bij de scholieren. Het is daarbij belangrijk het studieaanbod van het hoger onderwijs buiten de universiteit (hobu) en het academisch onderwijs aan de universiteit gelijkwaardig te behandelen. Al te vaak wordt een universitaire studie als een must bekeken. Afgezien daarvan moet het secundair onderwijs informatie over het studiekeuzeproces in zijn leerplan opnemen. De aspirant-student moet overigens zelf beslissen óf en wát hij zal studeren. Die beslissing kan niet in handen van een of andere instantie of bij de ouders worden gelegd.? De leerling moet zelf een duidelijke kijk krijgen op zijn eigen mogelijkheden. ?Hoe sterk een leerling is in een bepaald vakgebied, daarop antwoordt het secundair onderwijs te weinig. We zijn dan ook voorstander van een algemene oriënteringsproef bij het begin van het zesde jaar secundair onderwijs. Die maakt het mogelijk om je tegenover de hele waaier van vakgebieden te positioneren. De proef kan je oriënteren naar een bepaalde richting, je sommige mogelijkheden doen uitsluiten of integendeel, je aanzetten om een bepaald vakgebied extra onder de loep te nemen. De meerwaarde van de test zou erin liggen dat het hoger onderwijs hem mee construeert. De manier waarop ze in het hoger onderwijs vragen stellen, is immers vaak anders en sterk op inzicht gericht. Bovendien kan er op deze manier al een brug worden gelegd tussen secundair en hoger onderwijs. We mogen de test niet binden aan sociale en culturele factoren.? EEN ENKELE EHBO-POPVolgens Deweghe kan een tweede test de leerling positioneren tegenover het studiegebied waarin hij zich wil vervolmaken in het hoger onderwijs. ?Deze richtingsgeoriënteerde proef zouden we op het einde van het zesde jaar secundair onderwijs organiseren. De test moet de in de loop van het jaar gemaakte studiekeuze bevestigen. Wie een bepaalde keuze maakte, kan die specifiek toetsen. Hier staat het hoger onderwijs in voor de testontwikkeling. Het moet mogelijk zijn om aan meerdere tests deel te nemen. Maar deze test is niet bindend voor de toegang tot het hoger onderwijs.? Zowat de helft van de beginnende studenten zakt de eerste keer. Is de overstap naar hoger onderwijs te groot ? Alex Polfliet van de VVS zet enkele mogelijke oorzaken van de grote slacht op een rij, weliswaar met de natte vinger. ?Wie afstudeert aan een secundaire school is niet automatisch geschikt om voort te studeren. Hier zouden meer begeleiding en oriëntering van de school en het PMS-centrum nodig zijn. Ten tweede zou een goede opvang in het eerste jaar hoger onderwijs veel kunnen verhelpen. Zeker aan de universiteit wordt een eerstejaars te veel aan zijn lot overgelaten. Hij kan nog niet om met zoveel vrijheid. De zwakkeren verliezen snel de draad en zinken weg, organiseren hun studie niet, studeren op de verkeerde manier... De universiteiten beweren werk te maken van studentenbegeleiding, maar concreet zie ik daar vrij weinig rond gebeuren.? Hogescholen en universiteiten moeten kwaliteitsonderwijs aanbieden. ?De studenten mogen hierbij gerust hun docenten evalueren. Voorts is zelfstudie het toverwoord in het hoger onderwijs. Dat moet je echter aanleren en liefst voor dat je achttien bent. In hoever zijn regenten en licentiaten al gevormd om dat aan scholieren in het secundair onderwijs over te brengen ? Om de slaagkansen te verhogen, moeten we het studiecomfort in het algemeen verbeteren. Dan hebben we het over de manier van college geven, de didactische aanpak, de grootte van de werkgroepen, de materiële infrastructuur. Het is toch godgeklaagd dat er verplegersopleidingen bestaan waar een groep van veertig studenten over slechts één enkele EHBO-pop beschikt.? DE NULLEN OP HET BUDGETTe veel zaken blijven dode letter, beweert de VVS. Zo staat de studentenvertegenwoordiging vooral in de hogescholen van het hobu nog in de kinderschoenen. Polfliet : ?Over de informatie rond studieaspecten, het aantal uren hoorcollege en dergelijke dingen valt niet te klagen. Maar als het gaat over de democratische studentenvertegenwoordiging stel ik vast dat heel wat studenten, zelfs aan de universiteit, in het ongewisse worden gelaten. Misschien hebben de studenten zelf te weinig belangstelling hiervoor. Steeds dezelfde kleine groep van intimi komt op het voorplan. De grote massa studenten weet echter nauwelijks dat er zoiets bestaat als een sociale raad. Loko, de Leuvense Overkoepelende Kringorganisatie, is uitstekend georganiseerd en dwingt veel respect af in zijn aanpak van de verdediging van de studentenbelangen. Maar als je in Leuven aan de gemiddelde student zou vragen wat Loko is, krijg je vaak een vraagteken als antwoord.? In het hoger onderwijs buiten de universiteit is de vertegenwoordiging nog zwakker. ?De vertegenwoordigers hebben de neiging om zich per departement te organiseren. Een departement komt meestal overeen met een campus waar een bepaalde opleiding wordt gegeven. Zo ontbreekt een samenhangend overkoepelend orgaan in de hogescholen, zodat de studenten amper aan het woord kunnen komen als het hogeschoolbestuur beslissingen neemt die alle departementen aangaan. De hogeschoolstudenten weten nog te weinig hoe zij het beleid van hun hogeschool mee kunnen beïnvloeden en sturen.? Discriminatie is het juiste woord, zeggen hogeschoolstudenten. Op de begroting voor sociale voorzieningen is per hogeschoolstudent 3.000 frank weggelegd. Hun studiegenoten aan de universiteit krijgen daarentegen 8.000 frank. Polfliet : ?Dat verschil kan in het hobu de erg magere belangstelling voor medezeggenschap verklaren. Het budget dat de studenten in de sociale sector aan de KU Leuven bijvoorbeeld meebeheren, is een behoorlijk aantal nullen groot. Om de discriminatie op te vangen, worden samenwerkingsverbanden tussen universiteit en hogeschool aangemoedigd. Waarom zou inderdaad een hogeschool in het Gentse moeten investeren in een studentenrestaurant als ze kan samenwerken met de Universiteit Gent ? Maar ik stel vast dat de Leuvense hogeschool Groep-T op zijn nieuwe campus een fantastisch studentenrestaurant heeft. Het staat op amper honderd meter van een alma-restaurant van de KU Leuven. Dit vind ik absurd. Iedereen sluit zich blijkbaar op in zijn eigen vakje en is met zijn eigen dingetje bezig. Over de netten heen is er overigens zo goed als geen samenwerking.? Gaby De Moor Vanaf 2004 mag zich nog slechts een vast aantal afgestudeerden vestigen als arts of tandarts. In Vlaanderen komt er een toelatingsexamen vanaf het academiejaar 1997-1998.Op de begroting voor sociale voorzieningen is per hogeschoolstudent 3.000 frank weggelegd. En voor de student aan de uiversiteit 8.000 frank.