Hoeveel websites over innovatie zijn er? Ik hoorde iemand een ongelofelijk hoog aantal noemen. Dat kan niet, dacht ik. Maar het bleek waar: 349 miljoen hits op Google.com! Een groot deel ervan zal wel over iets anders gaan. Maar toch, innovatie is het woord van de dag. Bedrijfsleiders en beleidsmakers hebben er de mond van vol. Dat bleek vorige week nog maar eens in Davos. Innovatie en creativiteit als wondermiddelen voor alle economische, ecologische, politieke en sociale problemen. Kan best zijn, maar hoe zorgen we voor meer innovatie in Europa, en waarin moeten we dan innoveren?
...

Hoeveel websites over innovatie zijn er? Ik hoorde iemand een ongelofelijk hoog aantal noemen. Dat kan niet, dacht ik. Maar het bleek waar: 349 miljoen hits op Google.com! Een groot deel ervan zal wel over iets anders gaan. Maar toch, innovatie is het woord van de dag. Bedrijfsleiders en beleidsmakers hebben er de mond van vol. Dat bleek vorige week nog maar eens in Davos. Innovatie en creativiteit als wondermiddelen voor alle economische, ecologische, politieke en sociale problemen. Kan best zijn, maar hoe zorgen we voor meer innovatie in Europa, en waarin moeten we dan innoveren? Er is geen tijd meer voor hoogdravende verhalen over innovatie, daarmee houden die miljoenen websites zich al bezig. Laat mij het hier maar simpel en zakelijk over technologische innovatie hebben. Uiteraard is innovatie meer dan technologie. Maar als de technologische innovatie goed zit, ben je al een eind op weg om niet alleen economische, maar ook ecologische en andere problemen op te lossen. Daarbovenop beschikt Europa op een aantal vlakken over een comparatief voordeel tegenover Amerika en Azië. Gezondheids- en zorgtechnologie, mobiliteitstechnologie, proces- en designtechnologie en cleantechnologie zijn daarvan maar enkele voorbeelden. Het zijn allemaal kansen om Europa's dramatische groeiachterstand in te halen. Vandaag gaat het niet goed met de technologische innovatie in Europa. Er zijn drie problemen: er wordt te weinig in onderzoek en ontwikkeling geïnvesteerd, O&O wordt niet efficiënt georganiseerd, en er is relatief weinig geld beschikbaar voor technologische starters. Kortom: we doen weinig, en wat we doen, doen we verkeerd. Maar daarover wordt meestal zedig gezwegen. Het is een onafhankelijk Europees rapport, waaraan ook de Vlaming Jo Cornu heeft meegeschreven, dat de inefficiëntie van het onderzoeksproces eindelijk, en weliswaar zeer voorzichtig, openbaar maakt. Nu is dat niet alleen een Europees probleem. Ook in de Verenigde Staten haalt bijna 90 % van de onderzoeksprojecten in bedrijven nauwelijks een aanvaarbaar rendement. Maar het probleem in Europa is anders. Hier wordt, met publieke middelen, op grote schaal gedupliceerd, en de middelen komen niet altijd terecht bij de beste onderzoekers. Dat wordt een moeilijke klus voor Europese politici. Ze zeggen dat keuzes maken hun kerncompetitie is, waar wachten ze op? Europa speurt niet alleen verkeerd naar nieuwe innovaties, de speurtocht wordt onvoldoende gefinancierd: amper 0,08 % van het bnp gaat naar durfkapitaal in hightech. In de VS is dat precies het dubbele. Hier gaan de populistische registers open. Té weinig visie, té weinig durf, té weinig ondernemerschap, een verkeerde mentaliteit, een slecht imago en té veel in de watten gelegd. Dat zijn volgens de tooghangers de verklaringen voor het gebrek aan investeringen. Elke eerstejaarseconomist weet dat dit nonsens is. Middelen vloeien daar naartoe waar geld te verdienen is. Er wordt niet geïnvesteerd omdat 'tech' niet rendeert. De cijfers spreken boekdelen. Over een periode van twintig jaar wordt in Europa een rendement gehaald van nauwelijks 7 %, in de VS kun je rekenen op 12 %. Wie geld heeft in Europa --en geld is er - en het risico aandurft, trekt naar de VS voor investeringen in technologische innovatie. Kunnen wij eindelijk over de essentie discussiëren? Hoe zorgen wij er in Europa voor dat technologische innovatie een aantrekkelijke investering wordt? De rest is toogpraat! Herman Daems