In 1988 debuteerde Durs Grünbein (37) met Grauzone morgens. Die dichtbundel, die in de Bondsrepubliek verscheen, was een van de laatste getuigenissen uit de grijze, verworden utopie van de DDR. Toen een jaar later de muur viel, werd Grünbein meteen opgenomen in het rijtje eerste schrijvers van het herenigde Duitsland. Hij werd door de critici haast unaniem tot de beste nieuwe dichter gekroond en in 1995 viel hem zelfs de meest prestigieuze Duitse literaire prijs ten deel, de Georg-Büchnerprijs.
...

In 1988 debuteerde Durs Grünbein (37) met Grauzone morgens. Die dichtbundel, die in de Bondsrepubliek verscheen, was een van de laatste getuigenissen uit de grijze, verworden utopie van de DDR. Toen een jaar later de muur viel, werd Grünbein meteen opgenomen in het rijtje eerste schrijvers van het herenigde Duitsland. Hij werd door de critici haast unaniem tot de beste nieuwe dichter gekroond en in 1995 viel hem zelfs de meest prestigieuze Duitse literaire prijs ten deel, de Georg-Büchnerprijs. Durs Grünbein publiceerde naast vijf dichtbundels ook een verzameling essays en vertalingen van onder meer Ashberry, Beckett en Michaux. Zijn derde bundel verscheen onlangs in een uitstekende Nederlandse vertaling van Jan H. Mysjkin onder de titel Aan onze dierbare doden. De grafschriften zijn in drie blokken van tien opgedeeld, die telkens van elkaar worden gescheiden door een gedicht waarin de condition humaine wordt becommentarieerd. In het derde inleidende gedicht zegt Grünbein duidelijk waar hij naartoe wil; de laatste strofen wijzen op de realiteit van wat met de doden gebeurt nadat hun graven met bloemen en kaarsen werden bedekt: "En daarna worden ze opgeruimd,/ Elk jaar opnieuw, 's zomers,/'s Winters, wordt plaats gemaakt// Voor de volgende, wordt uitgeveegd./ Opgehaald worden de beenderen,/ De schedels verbrand. As// Is wat nog overblijft, spoedig/ uitgestrooid, een plaat met namen/ En getallen, een memento mori// Op de verkeerde plek." De grafstenen op de kerkhoven worden niet meer gelezen, en bovendien vermelden ze alleen nog maar namen en data, en niet meer de grafschriften die vroeger over het leven en de dood van de gestorvene verslag uitbrachten. In de plaats van die antieke traditie zijn overlijdensadvertenties en sensationele krantenberichten gekomen. Grünbein probeert met zijn grafschriften een brug te slaan tussen die oude inscriptie, waarin de lof der doden werd gezongen, en de zakelijke aankondigingen en bloeddorstige verslagen in boulevardbladen. Dat levert bevreemdende, soms groteske, soms zelfs hilarische taferelen op. Zo de aanhef van het eerste gedicht: "Berlijn. Een dode zat zo'n dertien weken/ Rechtop voor de teevee, die aanstond, de blik/ Gebroken. Op de teevee gaf een teeveekok/ Goede raad bij het koken." De laatste strofe is zelfs een pointe: "Een dode zat zo'n dertien weken.../ Hoe schoon is het te sterven in een geeuw./ Het einde van de eeuw." Verder gaat het over onder anderen een Japanse toerist die de cultuurschok in Europa niet overleeft, een tachtigjarige miljonair wiens eerste valschermsprong hem fataal wordt, een (Belgische) jager die door zijn trouwe hond doodgeschoten wordt als zijn jeep door een kuil rijdt en de hond op de achterbank per ongeluk het jachtgeweer doet afgaan.SOCIALISTISCHE RETORIEKIn een nawoord kadert Grünbein de epitafen in de vorm van een verwijzing naar "een in een zolderarchief in Dresden door de samensteller gevonden verzameling literaire getuigenissen over de dood in de diverse wereldculturen". In die tekst, waarin de biografie van Grünbein gedeeltelijk doorschemert, wordt een fictieve auteur opgevoerd, die Pseudonymus 13 of P13 wordt genoemd. Achter de maskerade wijst Grünbein op elementen die deze bundel bepalen: "De sarcastische verhouding tot de dingen, de afstandelijke kijk op de voor een tijdperk archetypische voorwerpen die door de gedichten in hun kale verpakking worden bewaard. (...) De kettingzaag, de haardroger, de televisie,... als bewijsstukken van de veeleer spaarzaam geschetste situaties staan ze telkenmale voor een historisch te bepalen wereld van dingen, plusminus de wereld van Stalingrad, Europa tijdens de Koude Oorlog, Amerika in het Elektronisch Tijdperk, enz." Nog steeds als P13 verwijst Grünbein naar de vergeefse zoektocht van de schrijver bij tijdgenoten naar in steen gebeitelde memento mori, zoals in de oude mediterrane wereld. En hoewel hij uitdrukkelijk geen ex-DDR-schrijver wil worden genoemd, duikt hier zijn verleden op: "Alleen in de dictaturen van de nieuwe tijden, meestal verkalkte regimes, brozer dan Rome, senieler dan Byzantium, vond hij nog restanten van de antieke gedenkvormen." Alleen daar hoorde Grünbein de verre echo's van de piëteit in de oudheid, tijdens de jaarlijkse parades waar de dierbare doden als helden en martelaars met de levenden mee optrekken. En wanneer de leiders van Oost-Europese landen overleden, onthaalde de radio het volk dagenlang op treurmuziek en werden hun lichamen in mausolea met wachters bewaard. Enkele epitafen, die in een in onze ogen belachelijk gezwollen taal zijn gesteld, zijn schoolvoorbeelden van socialistische herdenkingsretoriek: "Na een zwaar ziekbed, een met arbeid gevuld leven/ Overleed onze vader, kampvechter voor de vooruitgang,/ Getuige van zijn tijd, modelarbeider, midvoor,// Verdienstelijk treinbestuurder op drie typen stoomlocs,/ Lichtend voorbeeld in de tunnel van de geschiedenis/ Waaruit maar weinigen weer wisten op te duiken.//Om haar voorman rouwt de arbeidsbrigade 'Elf mei',/ Om de kameraad de partij, om een trouwe echtgenoot/ De medestrijdster die hem levenslang ter zijde stond.// In stellig vertrouwen/ De kleinkinderen." Durs Grünbein staat symbool voor de laatste generatie van de DDR, die niet meer kon geloven in het hele socialistische project. Heiner Müller, die hem ontdekte en bij Suhrkamp in Frankfurt aanbeval, zei over hem: "Voor utopieën interesseert hij zich blijkbaar niet meer." Met collega's uit de ex-DDR, die zich op het gebrek aan vrijheid beroepen dat hun creativiteit zou gestimuleerd hebben, is hij het niet eens. Hij beschouwt dietheorieën als hun privé-mythe. Voor hem ontstaat bezinning uit concentratie uit vrije wil en niet als reactie op externe druk. Voor hem is schrijven een poging om in een dolgedraaide wereld naar de bronnen terug te keren. En daar, geeft hij toe, zou wel eens een onderscheid met zijn leeftijdgenoten uit het Westen kunnen liggen. Voor hen is antieke literatuur over het algemeen burgerlijke opvoedingsballast, terwijl het voor Grünbein een bron van inspiratie is, waarmee hij zich heel verwant voelt. Als hij bijvoorbeeld Juvenal leest, staat hem een soort vroeg hoogkapitalisme voor ogen, dat hij in het Westen elke dag opnieuw verbaasd beleeft.TUSSEN HOND EN WOLFGrünbein is ook gefascineerd door vreemde slangwoorden, door mythologische en natuurwetenschappelijke termen. Het zijn voor hem "archeologische vondsten", uitdrukkingen die de aantrekkingskracht van het vreemde hebben en die hij in zijn gedichten verwerkt. In de bundel Schädelbasislektion (1991) zijn het niet alleen termen uit de fysica maar ook uit de geneeskunde. Dat heeft te maken met zijn belangstelling voor neurologie. Hij vraagt zich af of datgene wat sinds drie- of vierhonderd jaar met het begrip "ziel" wordt verbonden, niet met de inzichten van de genetica of de fysiologie moet worden uitgebreid. Tussen het exacte en het fantastische weten zoeken Grünbeins gedichten naar de krachten van het menselijke lichaam. "Poëzie is een zaak van zenuwen. Wie het lichaam in stukken snijdt, ervaart de kracht ervan, die in het gedicht een nieuwe vorm krijgt." Die zoektocht naar overgangsgebieden tussen de mens- en natuurwetenschappen, tussen heden en oudheid, die ook in de bundel Falten und Fallen (1994) het grote thema blijft, zelfs in de liefdesgedichten, zou toch wel typisch kunnen blijken voor een auteur die "op de muur" is groot geworden. In Schädelbasislektion staat een cyclus die knipoogt naar James Joyce: Portret van de kunstenaar als jonge grenshond. Daarin noemt Grünbein zichzelf "zijn eigen hond", zich bewegend in het stuk niemandsland tussen Oost en West, het gevaarlijke gebied waarin je tot tien jaar geleden het risico liep te worden doodgeschoten. Maar slechts daar, schrijft hij, gelukte hem af en toe de sprong vanuit het Zwielicht, dat mooie Duitse woord dat zowel een dubieuze situatie aanduidt als de schemering. De Fransen hebben daar ook een uitdrukking voor: tussen hond en wolf. Een grenshond, jawel. Durs Grünbein, "Aan onze dierbare doden, 33 epitafen", Poëziecentrum, Gent, 1999, vertaling Jan H. Mysjkin, 47 blz., 598 fr. Het oorspronkelijk werk van Durs Grünbein verschijnt bij Suhrkamp.Hilde Keteleer