De lijst van steden waar kerken tussen 1870 en 1914 van hun bepleistering werden ontdaan, is indrukwekkend: Sint-Truiden, Hasselt, Zoutleeuw, Mons, Gent, Aalst, etc. "Mettre à nu la belle pierre" was het motto dat vanaf 1870 door de Koninklijke Commissie voor Monumenten werd gehanteerd. De Sint-Gummaruskerk in Lier was het eerste slachtoffer. Door de ontpleistering kwamen de oorspronkelijke stenen wel opnieuw te voorsc...

De lijst van steden waar kerken tussen 1870 en 1914 van hun bepleistering werden ontdaan, is indrukwekkend: Sint-Truiden, Hasselt, Zoutleeuw, Mons, Gent, Aalst, etc. "Mettre à nu la belle pierre" was het motto dat vanaf 1870 door de Koninklijke Commissie voor Monumenten werd gehanteerd. De Sint-Gummaruskerk in Lier was het eerste slachtoffer. Door de ontpleistering kwamen de oorspronkelijke stenen wel opnieuw te voorschijn, maar meteen gingen waarschijnlijk honderden muurschilderingen onherroepelijk verloren. Niet iedereen was het eens met die politiek. Critici hadden het over "actes de véritable vandalisme". Maar de Commissie dreef haar wil door. Nochtans was ze ooit, in 1835, opgericht door koning Leopold I om te waken over de monumenten van zijn nieuwe vaderland. Maar het is bekend dat over de aanpak van restauraties, van welke aard ook, de violen niet altijd gelijk gestemd zijn. Dat bleek bijvoorbeeld ook nog bij twee recente restauraties, die van de Begijnhofkerk in Leuven en van de kathedraal in Antwerpen. In het laatste geval werden bij de behandeling van de decoraties zelfs andere principes gehanteerd naarmate de verschillende campagnes elkaar opvolgden. Anna Bergmans, werkzaam bij de dienst Monumenten en Landschappen van de Vlaamse regering, brengt die voorbeelden ter sprake in haar boek "Middeleeuwse muurschilderingen in de 19de eeuw". De auteur maakt wel een onderscheid tussen de rampzalige periode na 1870 en de periode tussen 1830 en 1870. Toen werd wel goed werk geleverd bij de restauratie van de kerkinterieurs. Die waren meestal ooit wit geschilderd of gekalkt en die oppervlakkige lagen werden dan weggenomen. Maar van het bewaren van de resten van de muurschilderingen in de staat waarin ze zich bevonden - zoals nu vaak gebeurt -, was toen nog geen sprake. Mede onder invloed van de neogotische beweging werden de fragmenten aangevuld en bijgekleurd, wat de authenticiteit niet ten goede kwam. Architecten en restaurateurs legden toen ook hele archieven aan met aquarellen en tekeningen van de fresco's. Het zijn nu dikwijls de enige resten die ervan bewaard zijn. Het boek bevat een inventaris van alle fresco's in ons land van voor 1525.Anna Bergmans, "Middeleeuwse muurschilderingen in de 19de eeuw", Leuven, Universitaire Pers (Kadoc Artes 2), 376 blz., 2950 fr.Paul Dossche