Eenentachtig procent van de deelnemers aan een internetenquête van Gazet van Antwerpen (8 april) antwoordt positief op de vraag of politiebaas Fernand Koekelberg moet worden geschorst. Zover zijn we dus: op de meest amateuristische wijze - website-enquêtes van dit allooi zijn waardeloos - wordt een peilinkje georganiseerd dat niets anders inhoudt dan een standrechtelijke executie: Koekelberg moet hangen!
...

Eenentachtig procent van de deelnemers aan een internetenquête van Gazet van Antwerpen (8 april) antwoordt positief op de vraag of politiebaas Fernand Koekelberg moet worden geschorst. Zover zijn we dus: op de meest amateuristische wijze - website-enquêtes van dit allooi zijn waardeloos - wordt een peilinkje georganiseerd dat niets anders inhoudt dan een standrechtelijke executie: Koekelberg moet hangen! In een rechtsstaat zijn er formele procedures voor zulke zaken, die ertoe strekken iedereen te beschermen tegen wille-keurige, arbitraire beslissingen; in dat kader bestaat het recht om zijn standpunt naar voren te brengen en het recht om zich correct te kunnen verdedigen tegen verdenkingen of beschuldigingen. Het is de rol van de media om er, in uw en mijn naam, zorgvuldig op toe te zien dat al onze overheden bij elk optreden binnen die wettelijke lijntjes kleuren. Zijn de media zeker dat ze dat in deze zaak correct hebben gedaan - ook nadat één van de partijen, lid van de federale regering, een pagina- of minutenlang monopolie kreeg om één versie van de zaak uiteen te zetten? Waarom geven vele media er de voorkeur aan hun wérkelijke missie op te geven en te vervangen door amateurisme? Be-ogen zij marktaandeel te vrijwaren met miskenning van elementaire rechten van anderen? Dienen de ruime waarborgen die media in een democratische samenleving genieten er dan voor om de elementaire rechtsbescherming van sommigen in die rechtsstaat onderuit te halen? Nog recent hebben we kunnen zien dat media vrijwel afhaken wanneer een groot maatschappelijk debat strandt in de aanwijzing van een zondebok: iemand die achteloos wordt gehekeld, vernederd, standrechtelijk geëxecuteerd. Zodra daarover zoiets als media-consensus lijkt te bestaan, wordt zowel het grote debat als het mediaslachtoffer vergeten: over naar het volgende onderwerp. Ik doel op het mediageweld dat werd besteed aan de zogenaamde onderzoekscommissie inzake de scheiding der machten. Een moeilijk maar extreem belangrijk onderwerp in een democratische rechtsstaat, geëindigd in een vaudeville - niet het minst ingevolge plotse opstoten van rechterlijke briefwisseling. Een hysterica, zo blokletterde De Standaard (14-15 maart) - alsof de Wetstraatredacteur plots over bijzondere psychiatrische bekwaamheden beschikte - daarmee doelend op (citaat!) 'de querulante reputatie van Christine Schurmans, de legendarische rechter...' Een tussentitel van de bijdrage luidde: 'Aan scheldwoorden geen gebrek. Maar ging het ergens over?' Klaarblijkelijk stelde de auteur van het stuk die vraag niet aan zichzelf. Inderdaad: zou het ergens over mogen gaan? Zou het ook over de kern van de zaak mogen gaan? Sommige zaken worden uit de onderzoekscommissie toch langzaam duidelijk. De Wetstraatcontacten op beroepsniveau zijn begonnen nadát raadsheer Schurmans wegens ziekte officieel afwezig was. Toch wordt de indruk volgehouden dat haar voorafgaande ontwerp op voorspraak gemaakt zou zijn. Hoe is dit te rijmen? De dame die aan geen enkele publieke polemiek deelneemt - een uitzondering onder de betrokken magistraten - wordt afgeschilderd als hysterisch en querulant. Niemand de ongerijmdheid gezien? Zowel in brieven als verklaringen van hogere magistraten is mevrouw Schurmans vlotjes beticht van schending van het geheim van het beraad - een misdrijf. Welk beraad? Vreemd genoeg: al díé merkwaardigheden speelden zich af in de telefoonperiode; zijn er andere dan politieke contacten geweest? Niet gestelde vragen, niemand van de media iets opgemerkt? Zijn door de hiërarchie soortgelijke onderzoeksmaatregelen gestart naar alle evenementen, ongeacht wie ze signaleerde? Krijgen degenen die nu onderzoeksopdrachten hebben de mogelijkheid om alles te onderzoeken of geldt nog het 'si on me laisse faire' van 1996? Niet belangrijk voor de media? Is de handtekening in ons rechtsverkeer marginaal geworden? Die van een contractant, die van een raadsheer onder een arrest? Impliciet denigrerender kan men over de rechterlijke functie niet zijn: toch lijkt dat wel de hoofdlijn, de raadsheer had toch wel 'even kunnen tekenen'. Pardon? En ten slotte: is het arrest van 12 december een juridisch steekhoudend arrest? Geen detailvragen: is er iemand mee bezig in de media? Deze ernstige vragen zijn moeilijker dan een karaktermoord. Er liggen dus nog grote terreinen braak voor échte kritische journalistiek: dames en heren van de media, aan het werk! Leo Neels is professor mediarecht aan de K.U.Leuven en de UAntwerpen.door Leo Neels