Voor een dier lijkt de stad een hele uitdaging. Het is er drukker dan op het platteland, met veel meer mensen en verkeer. Er is meer lawaai en kunstlicht, meer stof en andere vervuiling. Het is er warmer, er leven andere prooidieren - en andere rovers, zoals katten. Voor vogels zijn de nestgelegenheden er anders dan ze gewend zijn. Meeuwen nestelen op platte daken in plaats van op lichtbegroeide zandeilandjes in waterrijke gebieden; merels zoeken een plaatsje in een bloembak ...

Voor een dier lijkt de stad een hele uitdaging. Het is er drukker dan op het platteland, met veel meer mensen en verkeer. Er is meer lawaai en kunstlicht, meer stof en andere vervuiling. Het is er warmer, er leven andere prooidieren - en andere rovers, zoals katten. Voor vogels zijn de nestgelegenheden er anders dan ze gewend zijn. Meeuwen nestelen op platte daken in plaats van op lichtbegroeide zandeilandjes in waterrijke gebieden; merels zoeken een plaatsje in een bloembak op een balkon als ze niets beters vinden. Was de merel in de negentiende eeuw nog een schuwe bosvogel, dan is hij vandaag een van de algemeenste tuinvogels geworden. Hij is misschien wel het schoolvoorbeeld van een dier dat zich snel aan de stad aangepast heeft - al blijft onduidelijk waarom hij dat precies gedaan heeft. Voor een soort als de zijne is het wellicht gemakkelijker om in onze buurt eten te vinden dan in zijn oorspronkelijke biotoop. Tien jaar geleden toonden wetenschappers in het vakblad Ecology aan dat in de stad geboren merels een hogere weerstand tegen stress hebben dan hun soortgenoten op het platteland. Daardoor komen ze 'tammer' over: ze vliegen minder gemakkelijk weg als je in hun buurt komt. Darwiniaanse selectiemechanismen hebben er in korte tijd voor gezorgd dat de diertjes leerden leven in de buurt van de druktemaker die wij zijn. Een nieuwe studie met appelvinken, gepubliceerd in Behavioral Ecology, borduurt voort op dat verhaal. Stads- en plattelandsvinken werden samen in een volière gezet en getest op allerlei kenmerken die met stress en aanpassingsvermogen te maken hebben. De in de stad geboren exemplaren waren duidelijk stoutmoediger. Ze leerden ook sneller nieuwe handelingen aan, zoals een lade met voedsel openen. Blijkbaar heeft de aanpassing aan het stadsleven een selectie in de richting van meer ondernemende en innovatieve vogels in de hand gewerkt. De appelvinken uit de stad hadden ook een hogere immuniteit, mogelijk omdat ze meer ongunstige omgevingsfactoren het hoofd moeten bieden. Dat lijkt niet helemaal te sporen met een andere recente studie in Biology Letters. Die toonde aan dat koolmezen - nog zo'n vernuftige soort die het goed doet in het zog van de mens - in de stad sneller verouderen dan op het platteland. Misschien hebben een sterkere afweer en grotere durf dan toch een kostprijs. In de stad verouderen koolmezen sneller dan op het platteland.