Er zijn weinig dingen die me zo weinig interesseren als voetbal, maar nu voetbal hoe langer hoe minder met voetbal te maken heeft, komt daar verandering in. Het minste wat men van straatgevechten, gewapende ordehandhaving en opheffing van de normale rechtspleging kan zeggen, is dat ze de aandacht trekken, zelfs de passies prikkelen, en zo komt het dat ook een levenslange sporthater als ik me voor het nakende Europese voetbalkampioenschap begin te interesseren.
...

Er zijn weinig dingen die me zo weinig interesseren als voetbal, maar nu voetbal hoe langer hoe minder met voetbal te maken heeft, komt daar verandering in. Het minste wat men van straatgevechten, gewapende ordehandhaving en opheffing van de normale rechtspleging kan zeggen, is dat ze de aandacht trekken, zelfs de passies prikkelen, en zo komt het dat ook een levenslange sporthater als ik me voor het nakende Europese voetbalkampioenschap begin te interesseren.Het gedoe met de bal op het gras blijft vervelen, maar nu elke match deel uitmaakt van een chronisch proces van gewelderupties en massaverdwazing laat het voetbalbedrijf me niet langer onberoerd. Integendeel, het stuwt golven van afschuw door het gemoed. Als er weer bloed en glasscherven op de straatstenen liggen, zap ik het sportnieuws die avond niet weg maar staar verbijsterd naar de strijd: een oorlog extra, na de andere die het journaal al bracht. Het geweld van de hooligans vervult, misschien méér nog dan de grootschaliger conflicten die de wereld teisteren, met afgrijzen. Wat zich hier afspeelt, is zo bizar en absurd dat het pervers wordt. Jonge mensen (uitsluitend mannen) die geen enkel onrecht aangedaan werd en helemaal niet de intentie hebben voor een of ander recht op te komen, die alleen maar hun primaire impulsen volgen, slaan woest op elkaar in en vernielen wat ze in handen krijgen. Het gevecht zelf is het doel, razernij de drijfkracht, en alcohol in het lijf de brandstof. Wat deze weerzinwekkende uitbarstingen bovendien zo irritant maakt, is dat ze een vertrouwd gedrag geworden zijn in landen die zichzelf met veel borstgeklop democratisch en verdraagzaam noemen en wereldwijd de mensenrechten prediken. De moraalridders organiseren zelf gevechtstoernooien naar oud barbaars model, zonder dat ze in de gaten hebben hoezeer ze er hun verstand en waardigheid bij verliezen. Horden opgewonden mannen, bezopen, gedrogeerd of op een andere manier in een kennelijke staat van onvermogen tot zelfbeheersing, worden in stadions bijeengedreven, tegen elkaar opgejut en op elkaar losgelaten. Wie het zou wagen een dergelijk gevecht met pitbulls of vechthanen te organiseren, wordt wegens dierenmishandeling veroordeeld. Dat de mensenrechten bij deze voetbalkampen niet geacht worden geschonden te zijn, komt alleen omdat deze rechten door de betrokken landen zelf zo gedefinieerd worden dat de eigen aanslagen buiten de overtredingen vallen. Al vóór elke 'risico-wedstrijd' is duidelijk dat de agressie een omvang zal aannemen die draconische maatregelen voor de ordehandhaving vereist. Daarom stuurt de overheid zelf ook jonge mannen de straat op, geen gore lieden met naakt bovenlijf, kasseien in de hand, maar militair gedrilde politiemensen, gedisciplineerd opgesteld, schouder aan schouder achter hun schilden. Eerst moeten deze troepen zich door de losgeslagen bendes laten bekogelen en vernederen, maar na enige tijd mogen ze zelf ook de strijd aanbinden. Ondertussen zijn door de bevoegde instanties nog andere maatregelen getroffen om aan de toestand het hoofd te bieden: versperringen, controles, snelrecht, die allemaal neerkomen op een feitelijke opheffing van democratische vrijheden en rechten. Waar gevoetbald wordt, heerst de noodtoestand. Enkele jaren geleden las ik in De Standaard de commentaar van de sportredactie op een dodelijk incident bij rellen na een voetbalmatch. 'Hoezeer we de ontwikkeling ook moeten betreuren,' schreef de redacteur toen, 'we zullen met de realiteit van het voetbalgeweld moeten leren leven.' Dat lijkt intussen gebeurd. Het is ongetwijfeld een van de lafste capitulaties waartoe een beschaafd land kan overgaan. Waarom moeten vreedzame burgers met de provocaties van deze bloedhonden leren leven? Wat is zo onontkoombaar aan hun brutaliteiten? Voetbalrellen zijn geen natuurrampen, geen slagen van het noodlot, en geen reacties op aangedaan onrecht waarvoor men begrip zou kunnen opbrengen. Het lijdzaam aanvaarden van dit opzettelijk veroorzaakte onheil is de andere beschamende kant van het voetbalgeweld. De enige reden waarom het hooliganisme een vast bestanddeel is geworden van het maatschappelijke leven in de Europese landen, is dat er bewust voor gekozen werd. De competitie moet doorgaan; zo is beslist, niet alleen door de organisatoren, ook door de politici. De supporters zijn welkom. Een politiemacht zal het gevecht indijken, wat betekent dat ze eraan deelneemt. Wie niet in de vuurlinie wil terechtkomen, wordt verzocht zich te verwijderen. Er zal bloed vloeien, er kunnen doden vallen, iedereen is gewaarschuwd, en dan kan het feest beginnen. Wie er niet bij kan zijn, hoeft niets te missen, want alles wordt door de televisie uitgezonden. Deze algemene aanvaarding van zinloos geweld verraadt met gênante duidelijkheid het gewelddadige karakter van de samenleving zelf. Al meer dan een halve eeuw kent dit continent geen oorlogen of opstanden (op de recente Balkanbrand na) en het blijkt niet makkelijk met het temperament dat de Europeaan eigen is, zoveel vrede te doorstaan. De druk stijgt en de ventielen van de verkeersagressie en geweldfilms volstaan niet om de nodige stoom te laten ontsnappen. Soms moet er echt gevochten worden. In het verleden werden jonge mannen naar het front gestuurd waar ze elkaar konden afslachten. Nu die mogelijkheid al enige tijd niet meer wordt toegepast, trekken dezelfde lieden naar de stadions. De treinen die in 1914 naar het oorlogsgebied reden, waren gevuld met mannen van dezelfde leeftijd en met eenzelfde bereidheid om op elkaar in te hakken als de lallende supporters die nu met autobussen en vliegtuigen worden aangevoerd. De schaal van het geweld is dezelfde niet _ dat is de vooruitgang, zo men wil _ maar de drang tot slaan en doden is niet anders. Zo vindt de eeuwige bloeddorst ook in vredestijd zijn weg naar de confrontaties waar ze gelest kan worden. Waar nodig, zorgt de staat voor de infrastructuur en voor de manschappen die zich als de gemeenschappelijke vijand van alle elkaar bekampende bendes kunnen opstellen. Want wat aangevangen als er geen vijand meer zou zijn?Gerard Bodifée