Jean Dubuffet wilde l'art brut.
...

Jean Dubuffet wilde l'art brut.Tot tweemaal toe verzaakte Jean Dubuffet (1901-1985) aan een carrière als kunstenaar om zich aan zijn wijnhandel te wijden. Maar in 1942 liet hij alle remmen los en werd een apostel en verzamelaar van l'art brut. Dat is kunst die zweert bij de spontane expressievormen, zoals vooral kinderen en patiënten van psychiatrische klinieken ze laten lopen. Dubuffet was veertig, gezond van geest en hij had zelfs een opleiding aan de Académie Julian in Parijs genoten. Zijn keuze voor brute kunst was veeleer een weloverwogen aanslag tegen de cultuur, of ook nog : een radicaal gebaar van vrijheid. Dat hij het handwerkelijke wel degelijk verzorgde, komt naar voren in de retrospectieve in La Botanique, Brussel (tot 22/2). Carine Fol bracht 150 werken van Dubuffet bijeen onder de titel ?Du trait à la matière?. Haar selectie, die een vrij complete indruk van het oeuvre geeft, legt een gelukkig accent op de wisselwerking tussen de trek, de afdruk of het spoor en het stoffelijke, de textuur. Het zwaartepunt ligt dan ook op de series uit de jaren vijftig waarin Dubuffet de dragers (doek of isorel) er deed uitzien als lappen vruchtbare grond of als rotspartijen, rijk aan fossielen. Hij grifte er archetypische vormen in of legde er grillige lijnfiguren op die voedsel geven aan Fols interpretatie als omcirkelde hij hier ?het mysterie van de geboorte van de materie en van het denken?. Op de gaanderij boven zijn de werken op papier tentoongesteld, beneden de schilderijen, enkele sculpturen, een muziekkamertje (Dubuffet kraste op een viool dat het geen naam had) en een drietal filmopnamen over zijn werk. Druk experimenterend kwam Dubuffet tot nog andere gedenkwaardige ?ups? : tekeningen en gravures met verdwaalde mannetjes in een woud van omsloten lijneilandjes en betoverde bomen in de jaren veertig ; schilderijen en tekeningen uit louter puzzelpatronen waaruit de kunstenaar ook sculpturen in polyester, vinyl en polyurethaan ontwikkelde (de befaamde ?L'Hourloupe?-reeksen, 1962-1966). Zo vanaf midden de jaren zeventig verviel hij af en toe in manisch kribbel krabbel, pijnlijk onevenwichtig kleurgebruik en doelloos ronddrijvende vormpjes op platte gronden. Toch werden de middelpuntvliedende krachten nu en dan met succes bestreden in complex georganiseerde fragmenten van een geniale gekte. Peilloos diepe blikken in een onbegrijpelijke wereld. Plastisch gespannen, picturaal spetterend (?Affaires actives?, ?La vie coloniale?). Hij eindigde in mineur, in krachteloze ?Non-Lieux?, toen hij met zijn nihilisme geen blijf meer wist. Op 11 februari geeft directeur Michel Thévoz, directeur van het Musée de l'art brut in Lausanne, een lezing (20 u. Botanique). Jan Braet Jean Dubuffet, Mire Kowloon (G21), 1983 : manisch kribbel krabbel.