De Europese richtlijn over de spaarfiscaliteit komt uiteindelijk neer op een effectieve belasting van de spaarinkomsten. En dan nog gaat het alleen om spaarproducten in de enge betekenis. Concreet omvat de richtlijn alleen de beleggingen die interesten genereren. Zo zijn alleen de interestinkomsten uit bankdeposito's (spaar- en termijnrekeningen), privé-obligaties en obligaties gericht op het grote publiek (behalve die uitgegeven voor 1 maart 2001) en ander op de financiële markten verhandelbaar schuldpapier onderworpen aan de informatie-uitwisseling of afhouding aan de bron, en aan de voorheffing in de lidstaat waar de interestinkomsten worden ontvangen.
...

De Europese richtlijn over de spaarfiscaliteit komt uiteindelijk neer op een effectieve belasting van de spaarinkomsten. En dan nog gaat het alleen om spaarproducten in de enge betekenis. Concreet omvat de richtlijn alleen de beleggingen die interesten genereren. Zo zijn alleen de interestinkomsten uit bankdeposito's (spaar- en termijnrekeningen), privé-obligaties en obligaties gericht op het grote publiek (behalve die uitgegeven voor 1 maart 2001) en ander op de financiële markten verhandelbaar schuldpapier onderworpen aan de informatie-uitwisseling of afhouding aan de bron, en aan de voorheffing in de lidstaat waar de interestinkomsten worden ontvangen. Een en ander vraagt om een toelichting. Eerst en vooral gaat het wel degelijk om verlopen en gekapitaliseerde interesten. Daarnaast heeft de richtlijn alleen betrekking op de interesten die door fysieke personen worden ontvangen. Vennootschappen worden dus niet door de nieuwe 'fiscale cultuur' getroffen. En aangezien vennootschappen worden uitgesloten, zullen sommigen argumenteren dat de machtigsten, vaak gestructureerd en over verschillende landen gespreid, ontsnappen aan de Europese inlichtingendiensten. Dat klopt. Hoewel binnen de Europese Unie enkele jaren geleden wat pogingen werden gedaan om ze in de richtlijn te integreren, liepen die voorstellen met een sisser af. Ten slotte heeft de richtlijn alleen betrekking op spaargelden die de grens over gaan: ze treft alleen de spaarders die interesten ontvangen in een andere lidstaat dan diegene waar ze wonen. Voor een inwoner van België geldt de richtlijn binnen de 24 lidstaten van de Unie en in de zogenaamde derde-landen, namelijk Zwitserland, Andorra, Liechtenstein, Monaco en San Marino. Voor een Belg die zijn geld in België belegt, verandert er dus niets. Hij hoeft zich dat niet te beklagen, want ons land heeft de - terechte - reputatie van belastingparadijs voor roerende inkomsten, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Duitsland, Frankrijk en de Scandinavische landen. Het toepassingsgebied van de richtlijn is momenteel dus vrij beperkt. Alleen kapitalen die interesten opleveren, worden geviseerd. Risicokapitaal zoals aandelen blijft buiten schot. Zo mikt de richtlijn eerst en vooral op de coupons op kasbons van welke aard ook, en staatsbons en obligaties voor het grote publiek. Verder omvat ze de interesten in de ruime zin, die worden uitgekeerd door of geïnd van bepaalde beleggingsfondsen (uitkering en/of kapitalisatie). Anders gezegd: de dividenden ontvangen uit cash- en zuivere obligatiefondsen, maar ook gemengde fondsen, die zijn samengesteld uit obligaties en aandelen, vallen binnen het toepassingsgebied van de richtlijn (zie tabel). Maar aangezien de lidstaten van de Europese Unie beleggingsfondsen die niet meer dan 15 % in verhandelbaar schuldpapier aanhouden, uit het toepassingsgebied van de richtlijn kunnen sluiten, is de kans groot dat landen die voor die oplossing hebben gekozen - Luxemburg, Nederland en Zwitserland - hun uiterste best gaan doen om die drempel van 15 % op een afstand te houden. Daar zullen de coupons op heel wat distributiefondsen 'van het huis' (of zonder Europees paspoort), en ook diegene die niet in andere landen van de Europese Unie verkocht mogen worden, (voorlopig) aan elke vorm van voorheffing ontsnappen. Meerwaarden op de verkoop/afkoop van deelbewijzen van cash- en obligatiefondsen, gemengde fondsen (indien die meer dan 40 % schuldpapier bevatten) en gewaarborgde fondsen (indien die meer dan 40 % schuldpapier bevatten) vallen dan weer wel onder de informatie-uitwisseling of de afhouding aan de bron. Belangrijk is dat die drempel van 40 % in principe zal worden verlaagd naar 25 % vanaf 2011. Ter herinnering: dat verhandelbaar schuldpapier zal worden belast volgens de belastingpraktijken in de lidstaat waar de niet-inwoner interesten ontvangt. Kortom, de richtlijn omvat alleen maar de inkomsten uit spaargelden in de strikte zin, en bepaalde categorieën van beleggingsfondsen. Beleggingsfondsen met variabele inkomsten zoals aandelen en afgeleide producten, zuivere aandelenfondsen (en fondsen met aandelenfondsen) en fondsen (collectieve beleggingsinstellingen in roerende waarden) zonder Europees paspoort ontsnappen aan de richtlijn op de spaarfiscaliteit. Nog een andere categorie van beleggingen bleef door de richtlijn gespaard: levensverzekeringsproducten, zowel in tak 21 (met gewaarborgde rente), tak 23 (levensverzekering gekoppeld aan een beleggingsfonds) als in tak 26 (kapitalisatie), inclusief verzekeringsbons. Hoewel ze soms een perfecte kopie zijn van bankproducten zullen verzekeringsproducten dus niet worden belast. Wat niet betekent dat ze in de toekomst niet zullen worden getaxeerd, want dat achterpoortje is niemand ontgaan. Bij de eerste herziening in 2008 zou de spaarrichtlijn wel eens minder medelijden kunnen tonen tegenover verzekeringsproducten. Het blijft trouwens symptomatisch dat de termijn van drie jaar die experts hier en daar naar voren schuiven voor een mogelijke integratie in de richtlijn, al heel wat korter is dan vroeger, toen fiscale experts het waarschijnlijk achtten dat verzekeringen over... tien jaar in het vizier konden komen. Levensverzekeringen zijn complexe producten, moeilijk te plaatsen op juridisch en fiscaal vlak voor de meeste lidstaten, maar een termijn van drie jaar lijkt toch wat kort. Wordt vervolgd. François Mathieu