Ledra Street is de belangrijkste winkelas die het Turkse en Griekse deel van de stad Lefkosa/Nicosia verbindt. Vorig jaar nog klommen toeristen er op voetgangersbruggetjes om foto's te maken van gepantserde poorten en prikkeldraad die de twee gemeenschappen voor elkaar verborgen. Sinds de grensovergang in april openging, stuntelen aan beide zijden piepjonge grenswachters met stempels of glimlachen ze verlegen als bezoekers hun paspoort onnodig tonen. De 50 meter lange doorgang van Lefkosa naar Nicosia staat vol bloemetjes, en zowel aan de Turkse als aan de Griekse kant is het eerste wat je tegenkomt een ijsjeszaak. Smelten de problemen?
...

Ledra Street is de belangrijkste winkelas die het Turkse en Griekse deel van de stad Lefkosa/Nicosia verbindt. Vorig jaar nog klommen toeristen er op voetgangersbruggetjes om foto's te maken van gepantserde poorten en prikkeldraad die de twee gemeenschappen voor elkaar verborgen. Sinds de grensovergang in april openging, stuntelen aan beide zijden piepjonge grenswachters met stempels of glimlachen ze verlegen als bezoekers hun paspoort onnodig tonen. De 50 meter lange doorgang van Lefkosa naar Nicosia staat vol bloemetjes, en zowel aan de Turkse als aan de Griekse kant is het eerste wat je tegenkomt een ijsjeszaak. Smelten de problemen? Zeker is dat sinds het aantreden van gemeenschapspresidenten Dimitris Christofias (Grieks) en Mehmet Talat (Turks) een nieuwe dynamiek het eiland overspoelt. Voor het eerst kent Cyprus leiders die pleiten voor een oplossing in plaats van het conflict te verlengen. In Cyprus heeft iedereen het over de persoonlijke band tussen beiden. De twee kennen elkaar al sinds hun prille jeugd. George Iacovou, de rechterhand van Christofias: 'Ze komen allebei uit de arbeidersbeweging, bij uitstek een platform waarin de gemeenschappen samenwerkten, om sterk te staan tegenover de buitenlandse investeerders.' Talat: 'We hebben elkaar vaak ontmoet, ook buiten Cyprus. We zijn oud genoeg om voldoende ervaringen te hebben met het conflict, maar waren niet betrokken bij de organisatie ervan. Dat was met onze voorgangers anders.' In 2004 werd een unieke kans op hereniging van het eiland verkeken toen de Grieks-Cyprioten het Annan-plan (naar de toenmalige secretaris-generaal van de VN, Kofi Annan) verwierpen. Door de naderende toetreding van Cyprus tot de Europese Unie toen leek de invloed van de internationale gemeenschap groot genoeg om een federale staat bestaande uit twee gemeenschappen door te drukken. Maar dat was buiten de toenmalige Grieks-Cypriotische president Tassos Papado-poulos gerekend, die op televisie zijn landgenoten opriep tegen te stemmen. Het referendum kende alleen verliezers. De VN namen zich voor geen moeite meer te doen zolang de hardliners aan de macht waren. De Turks-Cyprioten bleven geïsoleerd achter in hun uitsluitend door Turkije erkende dwergstaatje, en de EU erfde met de lidstaat Cyprus een aanslepend probleem. De Grieks-Cyprioten beseften dat ze zichzelf een negatief imago bezorgden. Vanwaar nu toch die opening? Insiders aan de Groene Lijn (de scheidingslijn die het eiland verdeelt) vertellen dat de Grieks-Cypriotische zijde onaangenaam verrast werd door het gemak waarmee de internationale gemeenschap Kosovo in haar midden opnam. Dat hetzelfde kan gebeuren met de 'Turkse Republiek van Noord-Cyprus', jaagt de Grieks-Cyprioten de stuipen op het lijf: Noord-Cyprus blijft voor hen bezet gebied. Het is geen toeval dat het altijd Mehmet Talat is die de Groene Lijn oversteekt voor overleg. De dag dat Dimitris Christofias dit doet, tekent hij zijn politieke doodvonnis. Beide leiders lopen zich warm voor een nieuwe ronde van onderhandelingen, die deze zomer moeten beginnen. Talat: 'Voor ons is een oplossing dringend nodig. Wij lijden erg onder het internationale isolement.' Wat Talat betreft, moeten de VN in die gesprekken opnieuw het voortouw nemen, met een bijrol voor de Europese Unie. Talat: 'Brussel vergiste zich toen het Cyprus lidstaat maakte zonder oplossing voor het eiland. Die fout kan het nu rechtzetten. De EU moet de Grieks-Cyprioten onder druk zetten om mee te werken.' Nieuw is zonder meer dat Christofias ronduit zegt dat wie in de toekomst in het noorden van het eiland wil wonen, dat onder een Turks-Cypriotische administratie zal doen. Onderzoek toont aan dat de meerderheid van de Cyprioten zich kan vinden in een federale staat met twee gemeenschappen. George Iacovou: 'Dat bewijst dat de Cyprioten opnieuw aan samenleven denken, dat ze de trauma's van het verleden achter zich willen laten.' Maar ondanks het optimisme blijft het nodig dat te toetsen aan de realiteit. Talat: 'Ik weet niet of onze buren oprecht zijn. Misschien willen ze alleen hun slechte reputatie afwerpen.' Omgekeerd wordt het hervormersimago van Talat aan Grieks-Cyprio-tische zijde niet door iedereen geloofd. In de pers wordt Talat vaak net zo gedemoniseerd als zijn voorganger, de legendarische Turkse nationalist Rauf Denktas. Er wordt getwijfeld aan de sterkte van Talat om onafhankelijk van Turkije te handelen. Een verwijt dat Talat wegwuift: 'Dat argument wordt gebruikt om mijn positie te ondermijnen. Welk bewijs is er dat ik een poppetje in Turkse handen zou zijn? Trouwens, ook Turkije wil een oplossing.' George Iacovou is daar minder van overtuigd: 'Als Turkije blijft aandringen op een erkenning van de Turkse Republiek van Noord-Cyprus zou het definitief de kans moeten verspelen op lidmaatschap van de Europese Gemeenschap. Alleen de Cyprioten moeten beslissen over de toekomst van hun land.' Locatie 1: een flat in een buitenwijk van Nicosia. Omzichtig opent Tasula Panayiotis (54) een kistje. De inhoud ervan legt ze op de eettafel: een versleten paar schoenen, documenten in een plastic hoesje, een tandenborstel, een kakikleurige broek en hemd. 'Ik was het die Nestoros' uniform had gewassen en ingepakt. Het was 20 juli 1974, de laatste dag dat ik mijn broer zag. Het duurde tot vorig jaar vooraleer ik te weten kwam dat hij dood was.' Locatie 2. Op de gemeentelijke begraafplaats van Lefkosa, in vogelvlucht enkele kilometers van Tasula's flat, buigt Mehmet Arkut (43) zich over het graf van zijn vader Hüseyin. 'Mijn vader kwam terug van zijn werk toen hij ontvoerd werd. Hij zat in een auto die tegengehouden werd door gewapende mannen. Alleen de twee Turks-Cypriotische passagiers moesten uitstappen. Toen hij verdween, was ik vier maanden oud. Op 31 juli 2007 werd zijn lichaam in een waterput gevonden. In zijn schedel een kogelgat.' Zowat elke Cypriotische familie heeft gelijkaardige verhalen. Alleen vertelden ze die verhalen nooit aan elkaar, en nog veel minder aan de buitenwereld. Decennialang rustte een taboe op de geschiedenis van de mensen die vermist bleven na de etnische schermutselingen tussen Griek- en Turks-Cyprioten op het eiland. Cyprus kende twee korte, maar felle opflakkeringen van geweld. 1963 en 1964 waren jaren van wederzijdse terreur, aanslagen en intimidaties. De zomer van 1974 was die van de invasie door het Turkse leger, dat sindsdien het noordelijke deel van het eiland bezet houdt. Het aantal vermisten op het eiland als gevolg van die geweldorgieën wordt door de VN geschat op 1468 Grieks-Cyprioten en 502 Turks-Cyprioten. 'Natuurlijk wist iedereen dat er in beide gemeenschappen personen vermist waren', zegt de Turks-Cypriotische journaliste Sevgül Uludag. 'Kijk maar naar de grensposten, waar je niet naast de affiches kunt kijken. Maar de vermisten werden uitsluitend gebruikt om de andere partij te demoniseren. Noch de Grieks-Cypriotische, noch de Turks-Cypriotische overheid deed moeite om vermisten op te sporen. Bewust niet, om de eigen wandaden te camoufleren of om mythes in stand te houden. De Grieks-Cypriotische overheid beweerde jarenlang dat vermiste personen in Turkse gevangenissen werden vastgehouden, of dwangarbeid verrichtten. Al die jaren heeft het Cypriotische volk daaronder geleden. Ik zie er ook een bewijs in dat de Cyprioten een speelbal zijn in de handen van andere landen. Zelfs tot na hun dood.' Maar het taboe slijt. In oktober 2007 publiceerde Uludag samen met een Grieks-Cypriotische collega een artikel dat overgenomen werd in twee kranten aan beide zijden van de Groene Lijn. Uludag: 'Ik schreef over 'onze' wandaden (de Turks-Cyprioten), Andreas Paraspos over die van zijn gemeenschap. Het stuk sloeg in als een bom. Alsof er een deksel van een beerput ging.' Uit haar interviews distilleerde Sevgül een boek. De oorspronkelijke Turkse versie kreeg al gauw een Griekse en een Engelse vertaling, en verkocht aan beide zijden zeer goed. De journaliste realiseerde zich hoe zwaar het taboe op de Cyprioten woog toen ze per toeval vernam dat zelfs Kutlay Erk, de burgemeester van Lefkosa, zijn geheim had. Uludag: 'Zijn vader was vermist, en hij leed er ontzettend onder dat hij daar niet over kon praten. Toen ik na Kutlay ook nog andere mensen contacteerde, besefte ik pas de omvang van het probleem. Ik hoorde verhalen van jonge vrouwen die nooit meer hertrouwden na de verdwijning van hun echtgenoot, moeders die de favoriete maaltijd van vader of zoon bleven klaarmaken of die hun huishouden zo regelden dat er altijd iemand thuis kon zijn voor het geval een verloren zoon zou terugkeren.' Locatie 3, een dorre akker in het binnenland. Angela en Hazar, twee jonge archeologen, zoeken onder de schaarse olijfbomen wat schaduw op. Drie dagen al pompt de lokale brandweer het water uit wat ooit een waterput was, bij wat ooit een dorp was. Hazar: 'In die ruïnes begint en eindigt dit verhaal. Waar blijf je met een lijk waar je snel af moet? In Cyprus werden destijds heel wat lichamen in waterputten gedumpt. Volgens onze informatie moeten er in deze put vijf mensen te vinden zijn. Wie ze zijn en hoe ze aan hun eind gekomen zijn, daarover oordelen wij niet. Wij zijn archeologen, onze taak is hen terug te vinden.' Angela en Hazar vormen een van de drie teams archeologen die op dit ogenblik in Cyprus opgravingen doen naar vermiste personen. Ze werken voor The Committee on Missing Persons (CMP), een door de Verenigde Naties begeleid project. 'De Europese Unie is de belangrijkste financier', verklaart woordvoerster Jennifer Wright. 'Ook België droeg al 250.000 euro bij.' Het project bestaat al sinds 1981, maar leidde al die jaren een sluimerend bestaan. Jennifer Wright: 'Het besef is heel langzaam gegroeid dat dit een humanitair en geen politiek project is. De schaal van het werk dat de CMP verzet, maakt duidelijk dat de bevolking van het eiland tussen 1963 en 1974 door de hel is gegaan. In september 2007 zijn we begonnen met de graafwerken, ondertussen op zo'n 200 sites over het hele eiland. We slagen er steeds beter in om het publiek bij ons werk te betrekken, daadwerkelijk slachtoffers terug te vinden, te identificeren, en over te dragen aan de nabestaanden. Van de meer dan 400 lichamen die sinds september opgegraven zijn, identificeerde het labo in Nicosia er 104. Er gaat op Cyprus geen week voorbij zonder begrafenissen van de ooit vermiste personen.' Dat dit traumatische ervaringen zijn, laat zich raden. Daarom zijn er ook twee psychologen voltijds bij het project betrokken. De twee gemeenschappen kunnen alleen samen verder als het verleden verwerkt is. Coördinator aan de Turks-Cypriotische kant is Ahmet Erdengiz: 'Het werk van de CMP loopt voor op dat van de politici. Als ik de recente toenadering tussen Christofias en Talat zie, dan weet ik dat wij daar onrechtstreeks toe hebben bijgedragen.' Toch lijkt het humanitaire karakter net de achillespees van het project. Uludag: 'Turkije en Griekenland hebben Cyprus altijd beschouwd als een politiek probleem. Alle retoriek van broederschap ten spijt is dat nog steeds zo. Typisch is dat Turkse en Griekse media geen interesse hebben voor het werk van de CMP, en het belang ervan voor de toenadering tussen de gemeenschappen op Cyprus niet inzien. De financiering van het project is een ander zwak punt. Na 2009 is de werking niet langer verzekerd.' Elias Giorgiades, verantwoordelijke aan de Grieks-Cypriotische zijde, klaagt over het beperkte mandaat dat zijn medewerkers krijgen: 'Ik besef dat we geen bevoegdheid hebben om statements af te dwingen. Maar het lijkt mij duidelijk dat de militairen over informatie beschikken die voor ons van groot nut kan zijn. Dat is zeker zo voor het Turkse leger, met de invasie van 1974.' Het CMP-project heeft een grote symbolische waarde voor de Cypriotische gemeenschap, vooral ook omdat alle werkgroepen op alle niveaus bicultureel zijn. Archeologen Hazar en Angela zijn respectievelijk Turks- en Grieks-Cyprioot. Net zoals de slachtoffers die ze vinden uit de twee gemeenschappen komen. Locatie 4, het voormalige internationale vliegveld van Nicosia, middenin de bufferzone waar de VN-troepen huizen. Vijf containers staan in een stuk niemandsland. De grootste is zo'n 30 meter lang en bevat lange rijen tafels waarop menselijke resten uitgestald liggen, klaar voor identificatie. Op bijna elke tafel ligt een plastic zakje met daarin de persoonlijke bezittingen van de overledene in kwestie. Toch is de sfeer er allerminst bedrukt. Wie zich aan wetenschappers verwacht die het daglicht schuwen, komt bedrogen uit. Het team antropologen bestaat uit zes jonge antropologen. De boodschap van iedereen is dat ze een einde willen maken aan het verleden, en werk maken van de toekomst. DOOR DIRK VERMEIREN