Wat doet een atleet luttele weken voor het belangrijkste toernooi van zijn carrière en, bij uitbreiding, zijn leven? Roeier Tim Maeyens, in Peking aan zijn tweede en mogelijk laatste Olympische Spelen toe, weet het antwoord: 'Je probeert het te benaderen zoals elke andere topwedstrijd. Je probeert kalm te blijven. Je probeert te doen wat je altijd doet: werken aan minieme details die een betere roeier van je maken. Maar terwijl je die kleine verbeteringen maakt, komt er weer een ander foutje terug dat je vroeger al had afgeleerd. Zo gaat het altijd. Mijn ultieme streven is: roei zo natuurlijk mogelijk. Als roeien er gemakkelijk uitziet, dan ben je goed bezig. Oogt het als werken, dan niet.'
...

Wat doet een atleet luttele weken voor het belangrijkste toernooi van zijn carrière en, bij uitbreiding, zijn leven? Roeier Tim Maeyens, in Peking aan zijn tweede en mogelijk laatste Olympische Spelen toe, weet het antwoord: 'Je probeert het te benaderen zoals elke andere topwedstrijd. Je probeert kalm te blijven. Je probeert te doen wat je altijd doet: werken aan minieme details die een betere roeier van je maken. Maar terwijl je die kleine verbeteringen maakt, komt er weer een ander foutje terug dat je vroeger al had afgeleerd. Zo gaat het altijd. Mijn ultieme streven is: roei zo natuurlijk mogelijk. Als roeien er gemakkelijk uitziet, dan ben je goed bezig. Oogt het als werken, dan niet.' Tim Maeyens is een forse atleet met een al even forse erelijst. Hij is al jaren een vaste waarde bij de wereldtop. En dat is merkwaardig, want met zijn 1,85 meter is hij eigenlijk erg klein voor een toproeier. 'Van alle roeiers die zich op eigen kracht plaatsen voor de Spelen ben ik veruit de kleinste, ja', weet de Bruggeling. 'Op de Spelen verschijnen ook altijd een paar roeiers uit Afrika, Zuid-Amerika of Azië die van het IOC een wildcard hebben gekregen. Misschien dat er daar één bij zit van mijn lengte. Maar binnen het echt competitieve peloton ken ik er nog één van 1,95 meter, de rest gaat vlot boven de twee meter. Ik heb kleinere armen en veel minder gewicht om in mijn slag te steken. Dat is een groot nadeel. Ik probeer het te compenseren met mijn meer dan behoorlijke techniek.' TIM MAEYENS: Toch wel. Maar bij zwaar weer, wanneer er echt vermogen moet worden geleverd, ben ik hoe dan ook in het nadeel. En in Peking staat de wind tijdens de wedstrijden jammer genoeg recht op de baan, heb ik gehoord. Krijgen we vijandig weer, dan ga ik niet mee kunnen op de Spelen, dat staat vast. Dat geldt trouwens ook voor onze dubbelboot. Christophe Raes is net als ik vrij klein, Bart Poelvoerde niet, maar die weegt dan weer relatief weinig. De Belgische boten moeten hopen op goed weer of het zal niets worden in Peking. Het is eigenlijk niet normaal dat ik mee kan in de skiff. Een roeier met mijn postuur is normaal gezien veroordeeld tot een meermansboot. Ik blijk gelukkig erg efficiënt in het water. Roeien is druk zetten van als je blad in het water komt, tot het weer het water verlaat. Het ideaal is over de hele slag evenveel kracht te plaatsen, maar dat is enkel in theorie mogelijk. Ik heb blijkbaar van nature een vrij goede verdeling van mijn roeidruk, terwijl anderen meer kracht verliezen bij het in- of uitkomen. Maar zelfs dan is het fysiek gezien een mysterie dat ik toch met de toppers mee kan. Als kleine roeier heb ik wel het voordeel dat ik een beter lichaamsbesef heb en dat ik ook wat explosiever ben. Daaraan pas ik mijn wedstrijdplan aan: ik weet dat mijn start bij de beste is omdat ik mijn boot sneller in beweging krijg, maar ik weet ook dat ik best voor de finish al wat voorsprong pak, want in de sprint kan ik de grote jongens niet bijhouden. MAEYENS: Dat gaat maar tot 72 kilo en met alle respect, maar het verschil tussen de twee disciplines is vrij groot. Af en toe worden er gemengde wedstrijden gehouden. Als er dan een beetje tegenwind staat, roeien wij die lichtgewichten er zo uit. Maar als de omstandigheden perfect zijn en je hebt wind mee, dan worden de verschillen wel een stuk kleiner. Laatst had een lichtgewicht mij zelfs bijna geklopt! MAEYENS: Het was wel de wereldkampioen, maar toch (lacht). Zoiets mag een zwaargewicht niet laten gebeuren. MAEYENS: Je probeert altijd je eigen wedstrijd te varen, ja. Toch is het belangrijk om te weten waar je ligt tegenover de rest, al was het maar om er extra mentale kracht uit te putten. Voor mij is het vooral belangrijk dat er geen water tussen de boten zit, dat de top van mijn boot op zijn minst contact houdt met de boeg van mijn tegenstanders. Dan blijf je denken: ik kan er nog over gaan. Maar als je er helemaal afgeroeid wordt, dan zinkt de moed je in de schoenen. MAEYENS: Zeker de skiff. Dat is een meedogenloos een-tegen-een-gevecht. Ik heb al vaak roeiers zien kraken onder de omstandigheden. MAEYENS: Tja, in de dubbeltwee ligt het allemaal wat dichter bij elkaar. Je hebt een of twee ploegen die outstanding varen, en dan een vijftal die om de derde plaats vechten. In de dubbeltweewedstrijden die ik deed, finishten we altijd achter in het pak voor de derde plaats. Ben je dan dicht bij een olympische medaille? Moeilijk te zeggen. In de skiff zijn de verschillen veel groter. Ik kan nu al zeggen dat ik wellicht geen kandidaat voor een medaille ben. Maar voor de dubbeltwee wordt het ook erg moeilijk. MAEYENS: Ik ga met de ambitie om beter te doen dan toen, maar ik moet wel realistisch zijn. Het roeien is zoveel sterker geworden in die vier jaar. In 2004 werd Olaf Tufte, een Noor, olympisch kampioen. Ondertussen is dat een tegenstander die ik op een goede dag aankan, maar er zijn er vijf of zes die dat kunnen, naast twee of drie die Tufte vlot kloppen. MAEYENS: Ik wist dat ik in principe geen medaille kon halen en ben sneller gestart dan ik kon volhouden. Dat was de enige manier om eventueel toch nog mee te zijn met de groten, maar dat mislukte dus. Niet erg, ik ben ervoor gegaan en ik heb verloren. De finale was op zich al een ambitieus doel en dat heb ik gehaald. Ik kon mezelf niets verwijten. MAEYENS: Eén jaar na de Spelen ben ik afgestudeerd. Normaal moest ik al in de zomer van Athene mijn diploma halen, maar mijn laatste jaar heb ik gesplitst. Gelukkig maar, het was zo al druk genoeg. Eigenlijk gaat dat niet, voltijds roeien combineren met studeren. Je traint, je gaat naar de les en 's avonds train je opnieuw. Maar wanneer kun je nog rusten? Dat is het grote probleem. En wanneer je dan toch weer wat conditie hebt opgebouwd, komen er weer examens aan en val je terug. Dat is erg frustrerend. Daarom ben ik twee jaar gestopt. Mijn eerste jaar aan de unief had ik erg zware herexamens en het roeien liep ook al niet. Ik had het gevoel dat ik in allebei niet voluit kon gaan. Ik was wel officieel topsportstudent, maar eigenlijk ben je daar niet veel mee. Je mag examens naar voren plaatsen, nooit naar achteren, want dat betekent automatisch tweede zittijd. Het komt er dus op neer dat je examens mag afleggen vóór je er les over hebt gehad. Knappe jongen die dat kan. Maar goed, ik mocht als topsportstudent wél gratis het universitaire zwembad in, ook tof natuurlijk ( lacht). Na twee jaar belde Dirk Crois, de vorige bondscoach. Of ik het toch niet opnieuw wou proberen. Het kwam op het juiste moment. Na die eerste twee jaar weet een student wel ongeveer hoe het allemaal werkt. En bij mij kriebelde het ook wel, ik wist dat ik het internationale niveau aankon. Dan mag je het niet laten liggen, hè. MAEYENS: ( lacht) Ik heb er mijn eindverhandeling rond gemaakt. Tertiaire zuivering van varkensmest, heette ze. Ik heb, samen met andere onderzoekers, een extra zuiveringssysteem voor mest ontwikkeld, dat ze na de traditionele zuiveringen nog properder maakt. Her en der past men dit nu al toe, heb ik gehoord. Waterzuivering heeft mij altijd al geïnteresseerd. Tot eind vorig jaar deed ik trouwens stage bij een Gents bedrijf dat daarin gespecialiseerd is. Om af en toe iets anders te kunnen doen, maar ook om mijn diploma niet te laten devalueren. Als je dat goed plant, kan het. Het roeiseizoen duurt maar van mei tot september, de rest van de tijd zit je vaak eindeloos kilometers af te leggen zonder een afgelijnd doel. Dan ben je blij als je even water mag gaan zuiveren ( lacht). MAEYENS: Dat hangt af van het resultaat en van wat er met de begeleiding gebeurt. Nu hebben we weer een goede bondscoach, maar zijn contract loopt na Peking af. Als het roeien nadien weer in een crisis belandt, zoals vorige keer, denk ik niet dat ik verder doe. De bondscoach moet beslissingen kunnen nemen zonder dat iemand van bovenaf zich erin mengt. Dat is het probleem geweest met Dirk Crois. Er waren zoveel mensen die overal hun mening over moesten geven, dat Dirk zijn job niet meer kon doen. En toen hij vertrok, werd het nog erger. Het is gebeurd dat na een zware trainingsweek plots iemand kwam zeggen dat ik ook nog een inspanningstest moest afwerken. Er was totaal geen coördinatie meer in de planning, en uiteindelijk word je dan ziek omdat je zoveel dingen tegelijk moet doen. Niemand was nog echt de baas, en alles wat misging was de schuld van iemand anders. In januari nam Josy Verdonckschot over. Hij heeft veel ervaring bij de Nederlandse ploeg. In principe is hij geen bondscoach, maar hij traint de vier olympische atleten wel. Het voordeel daarvan is dat hij rechtstreeks met ons werkt en zich van de onderlinge vetes binnen de roeibond niets hoeft aan te trekken. MAEYENS: Dat idee is begin vorig jaar gelanceerd. Ik had mijn twijfels, maar omdat de toenmalige bondscoach erachter stond, heb ik toegezegd om het eens te proberen. Net de week dat we uitgebreid gingen testen, viel de bondscoach weg en was het een paar maanden complete chaos in het Belgische roeien. Hoe groter de ploeg, hoe belangrijker de omkadering en de organisatie. Dat lukte op dat moment niet, en dan heeft het geen zin om eraan te beginnen. Ik wil graag geloven in een Belgische viermansboot, maar het probleem is dat er in dit land altijd op korte termijn gedacht wordt. Het verschil tussen roeien in een skiff en in een viermansboot is enorm, hè. Het is oneindig veel explosiever en je moet als een collectief kunnen werken, wat ook al niet eenvoudig is. Stel dat we volgend jaar met een vierkoppelproject starten, dan moet je twee, drie jaar eisen waarin men ons de tijd laat om ons te ontwikkelen. De kans is immers heel groot dat het eerste jaar alles tegenvalt. En zelfs na drie jaar kan het slecht uitdraaien, dat moet je aanvaarden. Een bijkomend probleem is dat we met vier toproeiers zijn en geen reserve hebben. Dan mag er niets gebeuren of je boot moet op het droge blijven. Momenteel is Stijn Smulders geblesseerd. Dan heb je het al zitten, hè. MAEYENS: België staat nergens. Er zijn te weinig clubs en de jeugd groeit niet door omdat bijna alle jongeren stoppen als ze gaan studeren. In Nederland of in het Verenigd Koninkrijk is het net andersom, daar staat het studentenroeien sterk. Er zijn veel profroeiers die pas begonnen zijn aan de universiteit. Bij een zware fysieke sport zoals roeien kan dat. Je hoeft er niet superjong mee te beginnen. Als je het roeien hier groot wilt maken, moet het via het studentenleven. Soms denk ik ook wel dat wij in België de sportmentaliteit missen. Als ik zie hoe de Nederlanders en de Australiërs er altijd voor blijven gáán... En die mannen worden een stuk minder betaald dan wij. Belgische atleten verdienen evenveel als overheidsambtenaren. Niet slecht, zeker niet als je bio-ingenieur bent. Dat betekent ook dat ik collega's heb die evenveel trainen als ik, maar daar 500 euro minder voor krijgen. Het zit soms raar in elkaar in België. MAEYENS: Nee. Christophe Raes en Bart Poelvoorde klop ik in een skiffkoers met meer dan tien seconden. Vorig jaar heb ik de fout gemaakt om in België veel wedstrijden te varen. Ik won dan met de vingers in de neus en mijn tijden leken ook op internationaal niveau goed. Maar dan kom je op een groot toernooi en verlies je toch, omdat je het niet meer gewoon bent om te vechten voor je plaats. Nee, om scherp te blijven, moet ik naar het buitenland. MAEYENS: Dat is de motivatie om zoveel te trainen in de winter, dat het mij sterker maakt in de wedstrijd. Zo maak je op karakter het verschil. In feite is roeien een onvervalste karaktersport. Een roeiwedstrijd doet echt pijn, weet je. Op het einde ben je volledig verzuurd. Iedere roeier denkt voor de start: verdomme, het zal wéér zoveel zeer doen. Ik heb dat ook, maar in races dat het echt moet, blijk ik toch op mijn allerbest te zijn. Ik denk dat ik die druk nodig heb. MAEYENS: Niet goed. Zeker als het mijn eigen schuld is. Op de laatste wereldbeker lag ik 50 meter van het einde derde, maar ik werd nog net ingehaald door een Noor. Daar was ik zo ontgoocheld over dat ik mijn laatste slag miste en ook een Zwitser mij nog passeerde. Vijfde dus, op vijf honderdste van een Zwitser die anders nog niet in mijn buurt was gekomen. Op zulke momenten kan ik mezelf echt voor mijn kop slaan. Ik mag er niet aan denken dat ik in Peking ook zo'n beginnersfout zou maken. Maar als ik een goede wedstrijd roei en ze verslaan me op mijn waarde, dan kan ik daartegen. Niet helemaal van harte natuurlijk, maar zoiets aanvaard ik wel. MAEYENS: In de kranten voert men mij weleens op, en nu de Spelen eraan komen, zitten de magazines hier ook weer (lacht). Het enige waar ik echt teleurgesteld in ben, is de tv-aandacht. Op de laatste wereldbeker roeien er twee Belgische boten vijfde. Dat is echt goed, zeker voor een bescheiden land als België. Is dat dan geen klein beetje zendtijd op Sporza waard? Een paar minuten maar, zodat de mensen zien dat wij bestaan? Zal iemand er van wakker liggen als er eens één wielerkoers vervangen wordt door een roeitoernooi? Tijdens de Spelen filmen ze wel, en dan verwachten de mensen van de tv dat je voor hen staat te springen. Maar niet met mij. In 2004 liet ik me nog vangen, maar als je die mensen nadien jaren niet ziet, moeten ze ook niet verwachten dat ik tijdens mijn belangrijkste toernooi van het jaar alles voor hen laat vallen. DOOR JEF VAN BAELEN