Het is geen simpele boodschap, beseft hij zelf ook wel. 'Weg met de angst!' roept de Amsterdamse burgemeester Job Cohen op de plek waar op 2 november, een jaar geleden, Theo van Gogh de keel werd doorgesneden. 'Koester de hoop - niet de angst.' Het komt hem op boegeroep te staan. En diezelfde avond, tijdens weer een andere herdenkingsbijeenkomst, zal de Nederlandse rechtsgeleerde van Iraanse origine Afshin Ellian hem zelfs 'onverschillig en onbekwaam' noemen.
...

Het is geen simpele boodschap, beseft hij zelf ook wel. 'Weg met de angst!' roept de Amsterdamse burgemeester Job Cohen op de plek waar op 2 november, een jaar geleden, Theo van Gogh de keel werd doorgesneden. 'Koester de hoop - niet de angst.' Het komt hem op boegeroep te staan. En diezelfde avond, tijdens weer een andere herdenkingsbijeenkomst, zal de Nederlandse rechtsgeleerde van Iraanse origine Afshin Ellian hem zelfs 'onverschillig en onbekwaam' noemen. Cohen is wel wat gewend, wat dat betreft. Hij is het voorbije jaar zowel bewierookt als verguisd. Zijn streven om na de moord op Van Gogh olie op de golven te gooien en - in zijn eigen woorden - 'de boel bij elkaar te houden' leverde hem in Nederland het verwijt van 'lafheid' op, maar was voor het Amerikaanse weekblad Time aanleiding hem uit te roepen tot een van de European Heroes 2005.De 58-jarige Job Cohen, telg uit een intellectuele joodse familie (zijn grootouders van vaderskant vonden de dood in het concentratiekamp van Bergen-Belsen), is als politicus een laatbloeier. Als staatssecretaris van Justitie in het tweede paarse kabinet van Wim Kok introduceerde hij onder meer een Vreemdelingenwet, die leidde tot een forse daling van het aantal asielzoekers. In 2001 werd hij burgemeester van Amsterdam en in 2003 werd hij door de socialistische partijleider Wouter Bos naar voren geschoven als kandidaat voor het premierschap - het werd uiteindelijk nipt de christen-democraat Jan Peter Balkenende. Cohen staat bekend als een behendig bestuurder en een gematigd man, die meer verwacht van dialoog dan van kromzwaarden en honkbalknuppels. 'Een monument van integriteit' oordelen zijn vakbroeders. Een enquête onder Nederlandse burgemeesters, wethouders en topambtenaren wees Cohen vorige week aan als 'de Beste Burgemeester van de afgelopen 25 jaar'. JOB COHEN: Misschien wel, maar het is de enige mogelijkheid om tot een oplossing te komen. Iemand vertelt je een verhaal, dat zo wordt gepresenteerd dat je denkt dat het klopt. Tot iemand anders een ander verhaal heeft, waarvan je denkt: daar zit ook wat in. Dat wegen, dat doe ik altijd. Weten dat je naar de verschillende kanten moet luisteren. Als je dat niet doet, riskeer je altijd weer op het verkeerde been te worden gezet. Het zijn de twee benen die belangrijk zijn. COHEN: Een jaar later zie ik dat veel mensen begrijpen dat het niet anders kan. Al die mensen die vorig jaar van 'keihard aanpakken' stonden te roepen, zijn niet veel verder gekomen. Wat het voor perspectief biedt, weet ook niemand. Het leidt, denk ik, alleen tot een grotere verwijdering. Dat hebben we het afgelopen jaar ook gezien: er is meer wantrouwen tussen de groepen in de bevolking. Daar schiet niemand iets mee op. Mij is ook verweten dat ik zaken wil toedekken - maar dat wil ik helemaal niet. Ik vind het belangrijk dat mensen precies vertellen wat ze denken. Mensen hebben vaak hele stevige opinies. Ik heb daar niets op tegen. Maar de volgende stap moet toch zijn dat je probeert om tussen die opinies weer bruggen te slaan? COHEN: Nee. De geest is uit de fles. Ik vind wel dat mensen beter zijn gaan begrijpen dat die bruggen belangrijk zijn. Dat de oplossing niet alleen komt van roepen om actie. Maar het is nu een stuk rustiger dan een jaar geleden. Dat is na zo'n enorm incident ook niet zo gek. Veel mensen dachten na 2 november 2004 ook: we laten ons de stad niet op deze manier afpakken. COHEN: Er is zeker meer aan de hand. De angst voor het terrorisme is angst voor het ongrijpbare: hoe goed je ook je best doet, je hebt het gevoel dat je er nooit de vinger op kan leggen. Het wantrouwen heeft ook te maken met de angst voor islamisering. De angst dat verworven vrijheden zullen worden teruggedraaid. Zeker in wijken waar veel migranten zijn komen wonen, hebben mensen het gevoel dat de stad om hen heen van karakter is veranderd. Dat ze opeens, zonder dat ze verhuisd zijn, in een andere wereld zijn terechtgekomen. Ze weten niet wat ze van de ander kunnen verwachten, en dat onbehagen wordt versterkt als een extremist uit islamitische hoek ook werkelijk in staat blijkt om een vreselijke moord te plegen, zoals die op Theo van Gogh. Dat stemt onbehaaglijk. En dat begrijp ik ook. COHEN: Dat is heel pregnant geformuleerd. Alsof er mensen zijn die uit die situatie een slaatje hebben willen slaan. Ik weet niet of dat zo is. Maar angst heeft zeker een rol gespeeld. Er is zeker getamboereerd op het feit van: pas op, of ánders... COHEN: Historisch gezien, is Nederland bij uitstek een land van minderheden. Minderheden die erin slaagden om als minderheden met elkaar te leven. Daarbij speelden ook religieuze verschillen een rol, in de eerste plaats tussen katholieken en protestanten. En dan tussen al die fracties binnen het protestantisme. Vervolgens kwam de verzuiling met de socialisten, de liberalen, en alles wat er omheen hing. Dat waren op zichzelf genomen allemaal minderheden. Er was tussen al die groepen in die tijd nooit zoveel contact. Aan de top kwamen de voormannen bij elkaar om te bespreken hoe het verder moest. COHEN: Nee, dat herinner ik me nog uit mijn eigen jeugd. Ik zat op de openbare school en honderd meter verderop was er een christelijke school - ik kende daar niemand. Dat was nochtans in het keurige dorp Heemstede, niet eens in de grote stad. Maar de verzuiling is voorbij. Door de secularisering spelen het katholicisme en het protestantisme een veel minder belangrijke rol dan dertig, veertig jaar geleden. Een groot deel van de verschillen die er waren, bestaan niet meer. Dat bracht James Kennedy tot de gedachte dat er in Nederland voor het eerst een meerderheidscultuur is ontstaan, die als liberaal, seculier en blank kan worden gekenmerkt. Omdat die mensen zich niet tot een minderheidscultuur voelen behoren, zijn ze ook minder geneigd om de waarde van respect voor minderheden te erkennen. Ze voelen zich als groep anders dan de nieuwe minderheden - de Surinamers, de Antillianen, de Turken, de Marokkanen. COHEN: Die ontwikkeling heeft, volgens James Kennedy, de nodige gevolgen. Zo is het denkbaar dat er voor het eerst zoiets als een 'Nederlandse identiteit' ontstaat. Een mono-identiteit, met daartegenover etnische en religieuze identiteiten die zich niet met de Nederlandse identiteit zouden verdragen. In die meerderheidscultuur wordt godsdienstvrijheid niet meer als een kernbegrip van een vrije samenleving gezien. Vrijheid van godsdienst wordt dan als een belemmering van de vrije samenleving beschouwd. COHEN: De manier waarop minderheden vroeger in Nederland met elkaar omgingen, werkte wel. Je zult met de nieuwe minderheden toch ook moeten omgaan op een manier die het mogelijk maakt om samen te leven. Elkaar ontmoeten, is ook nu niet gemakkelijk. Zodat het misschien wel een manier kan zijn om van de leiders van de verschillende groeperingen gebruik te maken. Het ingewikkelde daarvan is dan weer dat het niet zo ontzettend duidelijk is wie die leiders zijn. Leiderschap wordt tegenwoordig ook niet meer zo gemakkelijk geaccepteerd. Dat maakt het niet eenvoudiger. COHEN: Dat moet óók. Het is een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde. Minderheden zullen heel hard aan hun integratie moeten werken, maar als de meerderheid weigert minderheden te accepteren, wordt het niks. Ik zou het willen omdraaien: het is uiteindelijk het gedrag van de meerderheid dat bepaalt hoe ver de integratie van minderheden in de samenleving kan gaan - en niet andersom. De vraag is: gunnen we die minderheden een plaats binnen de samenleving, met gelijke rechten en plichten en respect voor hun anderszijn, of kiezen we voor een model waarin ze buiten de samenleving vallen en maatschappelijk niet meer meetellen? De nasleep van de orkaan Katrina in New Orleans heeft ons geleerd waar dat toe kan leiden. Mijn voorkeur gaat uit naar een inclusieve benadering. We moeten alles op alles zetten om verdere polarisatie te voorkomen. We kunnen maar beter gaan denken in termen van 'wij' in plaats van een improductief onderscheid te maken tussen 'ons' en 'hen'. COHEN: Tja. Iedereen vindt dat er regels moeten zijn en dat die gehandhaafd moeten worden. Maar die regels gelden toch altijd een beetje meer voor onze buurman dan voor onszelf. COHEN: Ik weet niet of het daar nou mee te maken heeft. Als het juist is dat we elkaar in de tijd van de verzuiling ook al niet zo goed kenden, blijft de vraag waarom diezelfde problemen zich toen niet voordeden. Ik weet niet waar het in zit, je kunt alleen maar hopen dat op een gegeven moment de wal het schip keert. Kent u dat reclamespotje op de Nederlandse televisie? Een scène op straat: automobilist moet plotseling remmen, volgende automobilist knalt ertegenaan. Ze stappen uit, er wordt gescholden, het escaleert in razend tempo. En dan luidt de boodschap: we hebben een te kort lontje. Ik zie toch langzamerhand een tegenbeweging op gang komen. COHEN: We proberen daar iets aan te doen. COHEN: Helemaal niet. Wat dat betreft hebben we hier in Amsterdam natuurlijk een prachtig voorbeeld met de Bijlmer. Twintig, dertig jaar geleden had je daar nog grote problemen met de Surinamers. Maar de Bijlmer is intussen omgetoverd tot een compleet nieuwe wijk - dat is een pluim die mijn voorgangers op hun hoed mogen steken. Er wonen nog altijd veel Surinamers, maar velen van hen hebben zich intussen ontwikkeld tot een solide middenklasse. Er hebben zich in de Bijlmer een aantal sociaal-economische veranderingsprocessen voltrokken, waardoor de wijk veelvormig is geworden en tot rust is gekomen. Iets vergelijkbaars proberen we nu tot stand te brengen aan de westelijke kant van de stad, waar veel mensen met een moslimachtergrond wonen. COHEN: Ik zou het niet weten. Wat ik wel weet is dat vermenging van bevolkingsgroepen belangrijk is en dat het probleem pas zal worden opgelost als de tweede en derde generatie migranten het gevoel hebben: ik ben Nederlander. COHEN: Breng een jongen van Marokkaanse afkomst uit Amsterdam-West naar de Rif en hij voelt zich Nederlander. Sterker nog: hij voelt zich Amsterdammer. Waar het op aankomt is dat hij dat gevoel ook houdt als hij terug is in Amsterdam. En of dat lukt, hangt óók af van de meerderheid - we zijn terug bij de redenering van James Kennedy. De meerderheid moet die jongens het gevoel geven dat ze hier niet alleen wonen en werken, maar dat ze bij ons horen, en dat ze bijdragen tot onze welvaart. Dat zullen we overigens straks wel merken als de vergrijzing doorzet en er handen aan het bed nodig zijn. COHEN: Jawel. Maar de vrijheid van meningsuiting is een hoeksteen van de westerse samenleving - laat daar geen misverstand over bestaan. De grenzen ervan worden keurig door de strafwet bepaald. Juridisch is dat allemaal betrekkelijk helder, maar er zullen altijd mensen zijn die bewust het randje opzoeken. COHEN: Remco Campert heeft het in de dagen na de moord op Van Gogh perfect geformuleerd: 'De vrijheid van meningsuiting is toch iets anders dan het recht om mensen tot in hun ziel pijn te doen?' We hebben allemaal een verantwoordelijkheid als het gaat om het gebruik van onze pen of onze tong. U geeft het voorbeeld van columnisten, maar het gaat ook over de manier waarop men elkaar in het parlement bejegent. Politici zouden vaak precies hetzelfde kunnen zeggen op een nettere, elegantere manier. COHEN: Ik zou toch niet al te hoog van de toren willen blazen. In de achterliggende jaren zijn heel veel Amsterdammers verhuisd naar omliggende gemeenten zoals Zaanstad, Almere en Purmerend. En als je in die steden kijkt naar de aanhang van de Leefbaren (plaatselijke partijen die zich opwerpen als de erfgenamen van Pim Fortuyn en Leefbaar Nederland - nvdr) is het percentage niet veel lager dan in Rotterdam. COHEN: Dat zou in ieder geval een verklaring kunnen zijn, waar ik me iets bij kan voorstellen. Is het een verklaring waar je blij van wordt? Nee. COHEN: Jazeker. U had hier op 29 april moeten zijn, bij het concert voor het jubileum van koningin Beatrix op de Dam. Prachtig. Iedereen vond het geweldig. Of neem een manifestatie als Sail. Ik zou u uren kunnen vertellen over de ontwikkeling van deze stad en hoe mensen daar nog altijd met hart en ziel achteraanjagen. Of dat Shaffy-gevoel nog bestaat, is weer iets anders. De tijd is veranderd. Het Nederlands elftal van 1974, met Johan Cruijff, komt ook niet meer terug. COHEN: (lacht) Ik heb er geen enkel bezwaar tegen als u dat in het interview zet. COHEN: Ik denk dat geen enkele politieke partij in Nederland voldoende gezien heeft wat er aan de hand was. Dat geldt dus niet alleen voor de PvdA, maar evenzeer voor de VVD, het CDA en de andere partijen. Het is ontegenzeggelijk Pim Fortuyn geweest die erin geslaagd is om dat probleem naar boven te halen. COHEN: Een beetje. Maar ik heb er tegelijkertijd moeite mee om te zeggen dat er van de integratie helemaal niets is terechtgekomen. Dat is ook niet waar. COHEN: Een softie ben ik niet. En een European Hero.... Ik ben bij die bijeenkomst in Londen geweest waar al die zogenaamde helden geïnviteerd waren. Ik heb daar onder meer kennisgemaakt met een Italiaanse mevrouw die door de Camorra op de huid werd gezeten en toch standhield. Kijk, dat is andere koek. COHEN: Zeker. Dat soort dingen gaat nooit makkelijk, maar Amsterdam is eeuwenlang een stad van verschillende culturen geweest. En dat zal zo blijven. COHEN: Dat kan best, maar wat heb je eraan? Het verandert de wereld niet. We leven in een wereld waarin mensen van een totaal verschillende herkomst bij elkaar zullen gaan wonen. Daar helpen woorden niet aan. Vliegtuigen - die helpen. Vliegtuigen, boten, treinen, communicatie. De wereld is een dorp geworden. Als mensen de kans krijgen te verhuizen naar een plek waar ze het beter hebben, zullen ze dat doen. De kwestie is dan vervolgens: hoe kun je dat zo goed mogelijk organiseren? Niet door hekken te bouwen, lijkt mij. COHEN: Integratie kost tijd, ja. Maar uw formulering klinkt mij toch iets te passief in de oren. Dan lijkt het net alsof je niks kunt. En je kunt wel wat. Je kunt alleen niet zo snel als je wel zou willen. n Door Piet Piryns en Hubert van Humbeeck'Ik heb er tegelijkertijd moeite mee om te zeggen dat er van de integratie helemaal niets is terechtgekomen. Dat is ook niet waar.'