INFO : Johan Van Overtveldt is directeur van de denktank VKW Metena.
...

INFO : Johan Van Overtveldt is directeur van de denktank VKW Metena.Federaal vice-premier, minister van Begroting en aanstaand SP.A-voorzitter Johan Vande Lanotte wierp onlangs een stevige stok in het Belgische hoenderhok. Met zijn voorstel om het werkgelegenheidsbeleid van het federale naar het regionale niveau te brengen, zorgde de Oostendse socialistische voorman inderdaad voor flink wat discussie, zowel binnen het politieke milieu als binnen de organisaties die vandaag de eerste viool spelen in het Belgische sociale overleg, zeg maar de vakbonden, het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) en Unizo. Alhoewel puur electoraal-politieke overwegingen zeker ook inspirerend werkten, kan men zich toch licht de volgende gedachtegang bij Vande Lanotte indenken. Als minister van Begroting beschikt hij over bevoorrechte gegevens die zwart op wit aantonen hoe zwaar de vergrijzing van de bevolking zal gaan doorwegen op onze vandaag nog altijd verre van gesaneerde openbare financiën. Als hij zichzelf 's morgens voor zijn spiegel recht in de ogen kijkt, kan Vande Lanotte ook moeilijk loochenen dat zijn Zilverfonds eigenlijk niet veel meer voorstelt dan een zwarte doos van de lege soort. Een structurele aanpak van de vergrijzingsproblematiek, zo gaat de gedachtegang verder, vereist dat er ernstig werk wordt gemaakt van een beleid dat onze werkgelegenheids- en activiteitsgraad opvijzelt. Onder Paars stegen zowel de werkgelegenheids- als de activiteitsgraad lichtjes, maar die toename is onvoldoende om de structurele financierbaarheid van de vergrijzing echt dichterbij te brengen. Bovendien bleven we inzake werkgelegenheids- en activiteitsgraad relatief gezien verder achteruitboeren ten opzichte van het Europese gemiddelde. De conclusie is dan ook onvermijdelijk dat het werkgelegenheidsbeleid in België een forse mislukking was, is en blijft. Om de bakens terzake te verzetten, dringen zich maatregelen op die in het Belgische politieke kader duidelijk geen haalbare kaart vormen. Het gaat dan zowel om ernstige ingrepen in de loonkosten als in de organisatie van de arbeidsmarkt (ontslagvergoedingen, arbeidstijd, werkbereidheid...). En dus moet er een regionalisering van het werkgelegenheidsbeleid komen, iets waarvoor Vande Lanotte onmiddellijk de volle steun kreeg van Vlaams minister-president Yves Leterme. De politieke timing van Vande Lanottes oproep was overigens, en het tegendeel zou zware verbazing gewekt hebben, perfect. Enkele dagen tevoren lanceerde de Waalse minister-president Jean-Claude Van Cauwenberghe met veel aplomb, zij het wel op bevel van PS-voorzitter Elio Di Rupo , immers zijn marshallplan voor Wallonië. Tegen de achtergrond van dit initiatief de verantwoordelijkheid voor het tewerkstellingsbeleid in de Waalse regio afwijzen, zou, om het zacht uit te drukken, een huizenhoog geloofwaardigheidsprobleem gecreëerd hebben voor Van Cauwenberghe, Di Rupo en de rest van de Waalse elite. De klassieke, categorische non op het type voorstellen zoals het voorliggende van Vande Lanotte bleef dan ook achterwege. Vanuit de hoek van de sociale partners kwamen eerder negatieve reacties. De vakbonden gingen daarbij, even voorspelbaar als onzinnig trouwens, het verst en dit onder het mom van het respect voor de solidariteit. Het VBO vreest voor kostenstijgingen voor de ondernemingen, een wat vreemde reactie gezien het feit dat net het federaal gevoerde sociale overleg de Belgische ondernemingen opgezadeld heeft met de hoogste loonkosten ter wereld. Men komt zwaar in de verleiding te vermoeden dat bij de huidige sociale partners heel andere overwegingen speelden dan wel diegene die hardop medegedeeld werden. JOHAN VAN OVERTVELDT