Misschien zal ooit iemand een vergelijking maken tussen het vierluik Het beleg van Laken (1985-92, in één band gebundeld eind 1999) van Walter van den Broeck en het vooralsnog onafgewerkte en titelloze veelluik dat Tom Lanoye in 1997 begon met Het goddelijke monster en eind 1999 voortzette met Zwarte tranen. Beide projecten hebben veel gemeen, bijvoorbeeld dat ze bulken van de al dan niet verborgen breed-culturele referenties en allusies. Ze hebben vooral hun basisopzet gemeen: ze nemen vele honderden bladzijden de ruimte om een psychisch portret van de eigen biotoop in de postmoderne tijd te schetsen. Maar heeft die biotoop bij Van den Broeck vooral met het tijdsgewricht te maken, bij Lanoye gaat het meer om een plaats, het tot een abstracte mythe verheven België.
...

Misschien zal ooit iemand een vergelijking maken tussen het vierluik Het beleg van Laken (1985-92, in één band gebundeld eind 1999) van Walter van den Broeck en het vooralsnog onafgewerkte en titelloze veelluik dat Tom Lanoye in 1997 begon met Het goddelijke monster en eind 1999 voortzette met Zwarte tranen. Beide projecten hebben veel gemeen, bijvoorbeeld dat ze bulken van de al dan niet verborgen breed-culturele referenties en allusies. Ze hebben vooral hun basisopzet gemeen: ze nemen vele honderden bladzijden de ruimte om een psychisch portret van de eigen biotoop in de postmoderne tijd te schetsen. Maar heeft die biotoop bij Van den Broeck vooral met het tijdsgewricht te maken, bij Lanoye gaat het meer om een plaats, het tot een abstracte mythe verheven België. In Zwarte tranen gaat de onttakeling verder van de personages uit Het goddelijke monster: de rijke ondernemersfamilie die een katharsis beleeft nadat dochter Katrien per ongeluk haar man heeft doodgeschoten. Met het onderzoek naar de moord komt de hele beerput van dat mythische België open te liggen: corruptie, fiscale fraude, gesjoemel, politieke benoemingen, de falende overheid, de incompetente justitie, de seksuele en andere hypocrisie en intolerantie, de doofpotmentaliteit, et cetera. De inventaris klopt; de kranten hebben het allemaal breed uitgemeten en een paar keer heeft zelfs een rechtbank zich erover gebogen. Maar toch wringt hier iets. Want het is ook gemakzuchtig om met een beschuldigende vinger een "Belgische ziekte" aan te wijzen, wanneer achter die mythische abstractie wel degelijk een ruimere, complexere geschiedenis van kleine en grote verantwoordelijkheden van tien miljoen mensen schuilgaat. Het zelfgenoegzame beschuldigen staat het goede begrip in de weg. Bij zowel Van den Broeck als Lanoye is de auteur prominent in het werk aanwezig. Maar terwijl de eerste zichzelf laat figureren als een twijfelende, ironische zinzoeker, houdt Lanoye zich op in de coulissen van zijn tekst, druk in de weer als de alwetende en alvermogende manipulator. Niets gebeurt zonder dat hij het wil. Hij is de poppenspeler die niets op zijn beloop laat en alles stevig onder controle houdt. Hij zoekt niet, leert ook niets bij, maar hij legt uit. De gebeurtenissen en de figuren kennen geen eigen, autonome dynamiek, toeval bestaat niet; alles krijgt slechts een betekenis en een functie in de mate dat het past in Lanoyes universum.SLIKKEN WAT ER STAATWat bij Van den Broeck ironie is, die tot stand komt in het spanningsveld tussen schijn en werkelijkheid, krijgt bij Lanoye burleske trekken. Daarin concentreert en verhevigt hij de realiteit, om naar een finale toe te werken, waarin alle personages op de Witte Mars samenkomen. In deze theatrale enscenering heeft alles met alles te maken, niet omdat het zo moet, maar omdat Lanoye het zo heeft gewild. Hij streeft een paradoxaal, verdicht soort realisme na, om dan des te beter het zwaard van de moraal te kunnen bovenhalen, als de ultieme, niet door twijfel of ambivalentie gehinderde ontmaskeraar van schijn, bedrog en mislukking. Daardoor leiden Lanoyes personages geen echt leven, maar zijn ze slechts lege hulzen, typetjes, karikaturen, allemaal op een of andere manier even verblind: de botte ondernemer, de quasi-verfijnde bankier, de kunstnicht, de SM- jeanet, de anarchistische lesbienne, de officier die zijn sentimentaliteit verbergt achter een aangepraat eergevoel, de in zijn eigen paranoia verstikte, idealistische onderzoeksrechter, het suffige, vroegoude zusje of de hoerige, alleen in haar moederdrift ontdooiende latino-schoonheid. Het is niet echt een originele vondst van Lanoye om al wie in de roman sterft, een tweede leven te gunnen als commentator, die ronddartelt in een metarealiteit en van daaruit de verdere gebeurtenissen in het ondermaanse gadeslaat, zoals het koor dat doet in de klassieke Griekse tragedie. Maar de truc werkt perfect, omdat deze figuren pas dan blijk geven van een vorm van (weliswaar uitvergrote) authenticiteit. Zo valt het op dat deze personages voortdurend met elkaar in dialoog zijn, terwijl de nog levende personages voornamelijk via uitgesponnen monologues intérieurs, uiteenzettingen, herinneringen en flashbacks tot de lezer komen. Daar knelt het precies met deze Zwarte tranen. Er zit geen leven in, de lezer kan slechts doorslikken wat Lanoye oplepelt. De dynamiek wordt nog verder gesmoord door de weliswaar soms met brille geschreven maar daarom niet minder oeverloze uitweidingen waaruit deze roman bestaat. Wie het koesteren van paranoia over de happy few die de kluit belazeren verwart met het hebben van een mening, zal in dat getater ongetwijfeld zijn gading vinden. Clichés en complotten bieden nu eenmaal een gemakkelijke vorm van gelijk. Maar al koestert Lanoye met zijn veelluik literaire ambities die de politieke correctheid overstijgen, ook met dit tweede deel heeft hij ze nog niet gerealiseerd. Tom Lanoye, "Zwarte tranen", Prometheus, Amsterdam, 516 blz.Marc Reynebeau