Een miljoen voor een gedicht : op 27 mei wordt de VSB-prijs uitgereikt. De paradoxen van de jury, een voorbeschouwing.
...

Een miljoen voor een gedicht : op 27 mei wordt de VSB-prijs uitgereikt. De paradoxen van de jury, een voorbeschouwing.Toen Hölderlin in zijn elegie ?Brot und Wein? noteerde : ?Wozu Dichter in dürftiger Zeit?, verwees hij met dat ?dürftige? niet zozeer naar sociale wantoestanden, maar eerder naar de mythische beschavingsgeschiedenis, waarin de mens uit het paradijs werd verbannen. Wat hebben dichters daarbuiten nog als doel ? In een essay in ?Circus Fernando? (1995) haalt Huub Beurskens de mythe van Castor en Pollux aan, de twee Dioscuren die door de tussenkomst van Zeus om de andere dag in de onderwereld en op aarde kunnen rondlopen. Beurskens omschrijft dat interferentiële vermogen van de dichter als dioscurisme. Het gedicht krijgt er volgens hem een dialogisch karakter door en het is ?ook geen amusement, alhoewel denk-, speel- en zinnelijk plezier, verstrooiing, er volop in aanwezig kunnen en misschien zelfs moeten zijn. Het gedicht is een ken-daad, een handeling die in het handelen zelf in- en uitzichten openbaart.? De jury van de VSB-poëzieprijs lijkt zich vooral door dat soort grensoverschrijdingen te laten leiden. De prijs wordt op 27 mei voor de vierde keer uitgereikt en bedraagt de naar dichtersnormen niet onaardige som van ongeveer 900.000 frank. Dit jaar nomineerde de jury nieuwe bundels van Robert Anker, Elisabeth Eybers, Judith Herzberg, Gerrit Kouwenaar, Leonard Nolens, Toon Tellegen en Kees Ouwens, die elk op hun manier morrelen aan de begrenzingen van de poëzie of het stramien dat ze zich in hun poëticale evolutie hadden opgelegd. HET FLOREREND NEERHOF VAN 1996Daarom zijn deze nominaties gedurfd, maar niet op een ondubbelzinnige manier. Juryleden als Herman de Coninck (voorzitter), Esther Jansma en Tom van Deel stelden de voorbije jaren hun eerder op de verwijzing naar een herkenbare werkelijkheid gerichte poëtica bij, zodat ze nu voor dichters als Kouwenaar of Ouwens durven kiezen. De positie van de andere juryleden, ex- Doe Maar-zanger Henny Vrienten en de Groningse hoogleraar letterkunde Gillis Dorleijn valt minder duidelijk in te schatten. Daar staat tegenover dat Kouwenaar en Ouwens steeds transparantere poëzie schrijven, alhoewel ze toch trouw blijven aan hun poëtica. Door haar keuze lijkt de jury met een tweede paradox te spelen : de traditie wil dat de VSB-prijs vijf tot zeven bundels selecteert. Aangezien er zeven werden genomineerd, moet 1996 volgens haar een boerejaar voor de poëzie geweest zijn. (En uitgeverij Querido, met vijf genomineerde bundels, als het florerende neerhof.) De nominaties tonen weliswaar - behalve bij Herzberg en Tellegen een belangrijke evolutie in het werk van de geselecteerden aan, maar verklappen ook dat er volgens de jury niet zoveel jong talent op komst is : de gemiddelde leeftijd van de genomineerden ligt boven de vijftig. De jury had toch minstens één bundel van een jongere, dichterbij sluipende dichter kunnen nomineren om een tendens te signaleren ? Ze had dan, met in het achterhoofd de gedachte dat een sponsor als VSB-Verzekeringen graag opteert voor onbetwistbaarheid en naambekendheid, nog comfortabel uit zes meer gearriveerde dichters kunnen kiezen. Maar houdt de jury van grensoverschrijdingen, die moeten ook weer niet te ver gaan. Peter Verhelst zette bijvoorbeeld in ?Verhemelte? de nutsfunctie van poëzie op een indrukwekkende manier op losse schroeven. Hij liet de dichter niet alleen als een Icarus vliegen en neerstorten, maar liet hem en elke, zelfs fragmentarische poëtica, exploderen : ?Kijk maar, zeg je, / en je wijst : een rorschachtest, een postmodern gedicht / zwermt uit over de vloer.? Daar heeft geen levensverzekering van terug, natuurlijk. Peter Verhelst zal ook niet figureren in de binnenkort te verschijnen bloemlezing ?De beste 100 gedichten uit 1996? die Herman de Coninck samenstelde. Uiteraard wordt dit een keuze van de Coninck alleen en niet van de VSB-jury, maar zijn inleiding verraadt wel iets over de debatten die daar of net niet moeten zijn gevoerd : hij vond ?Verhemelte? ?vooral verbijsterend gewelddadig, en ook wel taalgewelddadig, en schokkend en taalschokkend, en modieus dol gesampled en op den duur ook verbijsterend vervelend.? Erger is dat de VSB-jury bij het kransje uitverkorenen geen plaats voorzag voor enkele jonge dichters met een eigenzinnige soort taalmystiek in hun gedichten, die daarvoor ook de bladspiegel op springen zetten of het gedicht als een soort golfslag, waarbij de ene regel de andere lijkt voort te duwen, tot een langer, episch aandoende zang laten uitdeinen. Arjen Duinker, Pieter Boskma, maar vooral Elma van Haren en Nachoem Wijnberg hadden daarom een plaats verdiend. LICHT ALS TEGENGEWICHTVoorzitter De Coninck had ze, zoals men kan afleiden uit zijn inleiding bij de bloemlezing, wellicht een plaats gegund : ?Misschien is de meest opmerkelijke nieuwe richting die van de onechte ex-maximalen. (De onechte zijn, zoals altijd, beter dan de echte.) Ik bedoel dit jaar de bundels van Elma van Haren, Arjen Duinker en vooral Nachoem Wijnberg. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze niet ex-maximaal genoemd wensen te worden, maar ze hebben een totaal onacademische poëzie ontwikkeld waarin veel absurditeit kan, waarin een Zen-achtige zinloosheid beoefend wordt, waarin een weggewaaid sinaasappelpapiertje opwindende avonturen beleven kan, Duinker, of waarin een muis door metafysische bespiegelingen rent, van Haren. Waarin het concrete afleidt van 'het hogere'. Of waarin religie juist dat concrete is, er is niks anders. Deze dichters hebben daar een vorm voor ontwikkeld die nogal vormloos is, een openwaaiend gedicht, met gedachtenstreepjes en cascaderende te lange zinnen, en bij van Haren ook met typografische grapjes.? De Coninck wijst in zijn inleiding verder ook op het belang van light verse als tegengewicht voor de academische poëzie. Geen spoor daarvan bij de eindselectie. Had zoiets niet moeten kunnen, met een gewezen popmuzikant in de jury ? Er verschenen in 1996 nochtans enkele bundels die, zonder meteen light te zijn, subtiele ondermijningstechnieken toepasten : Rob Schouten met ?Bij bewustzijn?, altijd goed voor opvallende vermenging van ?hoge? en ?lage? cultuur, Theo van Os, die zijn homo-erotische thematiek in ?Beurtzang? liet imploderen en niet te vergeten Jos Versteegen, die een al te volleerde poging leek te ondernemen om met ?Voorgoed volmaakt? een tijdloze en klassieke dichtbundel af te leveren en zo speldenprikjes aan het klassieke sonnet uitdeelde. Indien de VSB-jury geen controverse wil uitlokken, moet ze maar Judith Herzberg voor ?De tijd staat open? (De Harmonie) of Toon Tellegen voor ?Als we vlammen waren? (Querido) bekronen. Het gaat in beide gevallen om uitstekende poëzie : Herzberg loodst allerlei vormen van monologiserende en dialogiserende communicatie over alledaagse onderwerpen in haar gedichten, speelt in het verlengde daarvan met vormen en bouwt op een paradoxale manier een schild van buitenkantigheid rond onderzoek naar taal en haar onvermogen om het onafgebakende af te bakenen. Ze lijkt daardoor verliefd op oppervlakkigheid, maar die is slechts schijn. Toon Tellegen verwijdert zich meer van de werkelijkheid : ook bij hem zijn er dialoogjes en monologen waarin het over gebeurtenissen gaat, maar ze doen minder alledaags en meer fabelachtig aan. Hij wil er het paradoxale van de menselijke zielenroerselen mee in kaart brengen door zijn gedichten vaak als onafgewikkelde verhaaldraden te presenteren. Fascinerend is vooral de manier waarop Tellegen pathos omzeilt. Ook Robert Anker speelt met het alledaagse, maar hij ontwikkelde er in zijn vorige bundels al een metaforisch idioom voor, waarbij hij zich meestal achter een soort hoofdpersonage verborg. In zijn genomineerde bundel ?In het vertrek? (Querido) schreef hij zes telefoonballades, waarin de hoofdpersoon uit zijn vorige bundels weer opduikt : een stuurloze figuur die positie kiest door zijn leven bijeen te babbelen. Dat levert een tot taal getransformeerde, verhevigde realiteit op. Daarnaast is er de afdeling ?Afwezig?, waarin Anker op een voor zijn doen opvallend ingetogen en melancholisch stemmende manier een portret van zijn vader tekent. Paradoxaal genoeg wordt dat portret het meest beklemmend in een register van timmermanstermen : in de taal van de timmerman, die met zijn vader verloren gaat, bewaart hij hem het sterkst. HET MIST IN DE REGELSLeonard Nolens bezingt zijn begeestering, verveling, dronkenschap en liefde weer in dwingende, beroezende verzen, maar de grootste verdwijnoefening voert hij op in de cyclus ?Zelfportret van Hugo Claus 65?, waarin hij via een gevecht met de persoon en de poëticale opvattingen van de Meester het gevecht met zichzelf blootlegt in een spanningsveld dat in zijn gedichten nog niet eerder te lezen viel. Paradoxaal genoeg had Nolens daarvoor zijn literaire antipode nodig. Maar volstaat één onoverkomelijke cyclus voor de VSB-prijs ? Tot taal getransformeerde, verhevigde realiteit : ze is gradueel dat is ook een kwalitatief oordeel aanwezig bij Elisabeth Eybers, Kees Ouwens en Gerrit Kouwenaar. ?Tydverdryf/Pastime? (Querido) van Eybers is om meer dan één reden dubbelzinnig : de gedichten staan er in het Zuid-Afrikaans en het Engels, maar het gaat eerder om hertalingen die met elkaar een spel aangaan dan om vertalingen. De gedichten maken een klassieke indruk en lijken daardoor een aangenaam, onschuldig tijdverdrijf, maar ze laten alweer zo'n paradox die de jury moet hebben gecharmeerd merkwaardig veel van tragiek doordrenkte zelfspot zien. En dat voor een dichteres van 82 jaar ! Zij luistert weliswaar naar ?een klankloze kreet? om alles wat vergaat en sterft, maar ze wil die alleen maar op een speelse, verfrissende manier laten horen. Gerrit Kouwenaar leverde met ?de tijd staat open? (Querido) zeker geen taalautonome cryptogrammen af, maar eerder gedichten die vanuit die autonomie op een indrukwekkend springerige, stamelende manier op zoek gaan naar de realiteit. Maar ze nemen die realiteit o dierbare paradox opnieuw op in de taal : ?in de regel huiswaarts begint het te misten?. Kouwenaar is daarmee een dioscurist bij uitstek : ?Het woord is dood, het moet geschreven / het schrijft zich om zich schoon te spreken / (...) mierevleugels willen de mier ontstijgen, inkt / berouwt de taal die moet zwijgen.? Kees Ouwens schrijft, opvallend binnen zijn solipsistische oeuvre, in ?Van de verliezer & de lichtbron? altruïstische poëzie die daardoor een ?open? karakter krijgt. Maar hij bouwt een subtiel boomerangeffect in dat de taalrealiteit teniet doet en de woorden in hun schelp terugjaagt, zoals in ?Tucht is regelmaat?, waarin hij het harnas van het sonnet openvouwt ; de woorden worden teruggefloten : ?Zij zijn geüsurpeerd / geworden door hun opmars. Gewaarworden zullen zij / zij kunnen hun sporen niet nagaan.? In die zin is de gelijknamige bij Meulenhoff te verschijnen bundel een subtiele correctie op de 26 gedichten uit de genomineerde bibliofiele bundel die bij Hugin & Munin in Utrecht verscheen. De vraag is alleen of de juryleden voldoende padvinder waren om bij deze tweesprong, die op zich al applaus verdient, het spoor niet bijster te raken. Paul Demets Leonard Nolens : een gevecht met de meester en diens poëtica.