Geert Versnick en Lynn Wesenbeeck eisen via de rechter een miljoen frank van Herman Brusselmans. Hij zoude hen o gruwel ! hebben beledigd.
...

Geert Versnick en Lynn Wesenbeeck eisen via de rechter een miljoen frank van Herman Brusselmans. Hij zoude hen o gruwel ! hebben beledigd.... EN, edelachtbare, bekijken wij thans, na de behandeling van deze prejudiciële vragen, de grond van de zaak. Ik lees u de zinsnede geschreven door mijn cliënt, de heer Brusselmans Herman Josephus Maria, bureelbediende, dewelke voor de tegenpartij aan de tenlastelegging ten grondslag ligt. Daarin wordt over de eiser, de heer Versnick Gerardus Maria, rechtsgeleerde, beweerd dat hij is ?een VLD-politicus die in de veronderstelling leeft dat hij de vader is van haar kinderen?, deze ?haar? verwijzende naar mede-eiseres Wesenbeeck Marie-Hélène, animatrice. In alle oprechtheid, Edelachtbare, in de gewraakte zinsnede kan ik onmogelijk welke onwaarheid dan ook ontdekken. Dat de eiser een VLD-politicus is, daarvan getuigen zijn aanwezigheid op zitdagen van het politieke dienstbetoon, op verkiezingsaffiches en af en toe in het parlement op afdoende wijze. Meerdere getuigen kunnen bovendien bevestigen dat zij de heer Versnick talloze Burgermanifesten uit het hoofd hebben horen voordragen. Dat de eiser ?in de veronderstelling leeft? dat hij de vader is van de kinderen dewelke zijn gebaard door mede-eiseres, zal de eiser zelf toch ook wel niet betwisten althans, dat hoop ik voor hem aangezien hij met de mede-eiseres in de echt is verbonden. Geredelijkerwijs mag worden aangenomen dat de echtgenoot van de moeder de vader van de kinderen is. De gewraakte zinsnede doet bijgevolg niet anders dan het bevestigen van zowel de werkelijkheid als de waarheid. De verweerder, de heer Brusselmans, oppert hier bijgevolg geen enkele andere veronderstelling dan deze dewelke ook door de eiser niet wordt weerstreden. Meer nog, de verweerder heeft ook de wet aan zijn zijde, aangezien ook het Burgerlijk Wetboek (Boek I, Titel VII) in de veronderstelling leeft dat de kinderen die voortspruiten uit een echtverbintenis, wel degelijk zijn verwekt door de echtgenoot. Voor zulke kinderen dient de vader zijn vaderschap bijvoorbeeld niet middels een erkenning te laten bestatigen. Natuurlijk, zo zoude men kunnen opwerpen, de manier waarop mijn cliënt, de heer Brusselmans, de gewraakte zinsnede heeft verwoord, zoude kunnen doen veronderstellen dat hier sprake is van ironie, ja misschien wel van satire en sarcasme, die geselt, bijt en kwetst. De zinsnede zoude dan betekenen dat de gewraakte veronderstelling dat de eiser de vader is van de kinderen van de mede-eiseres wel eens, hypothetisch, misschien, eventueel, nét het tegenovergestelde zoude hebben willen beduiden. Welnu, Edelachtbare, het is dan aan de eiser om aan te tonen dat dit wel degelijk de strekking van de gewraakte zinsnede is. Ik merk in het dossier in alle geval geen enkele verklaring van een semoticus, woordenschatkundige of welkdanige erkende taalgeleerde dan ook, dewelke de stelling zoude kunnen ondersteunen dat de uitdrukking ?in de veronderstelling leven? in deze passus zoude betekenen dat de heer Versnick niét zoude gerechtigd zijn om in zulkdanige veronderstelling te leven. Me dunkt dat een eenvoudige blik in het woordenboek hieromtrent elke twijfel kan wegnemen. Weshalve wij eventueel zouden aanvaarden dat verweerder zoude hebben bedoeld dat de eiser, de heer Versnick, ten abusievelijken titel in deze veronderstelling zoude leven en ik benadruk het voorwaardelijke karakter van deze assumptie dan nog zoude mijn cliënt de wet aan zijn zijde hebben. Ook het Burgerlijk Wetboek houdt in zijn artikel 312 immers met deze mogelijkheid rekening, aangezien zij een procedure tot ontkenning van het vaderschap voorziet, hetgeen betekent dat het wettelijke vermoeden van vaderschap wel degelijk kan worden wedersproken. Quod non, zoals evenwel het gevestigde rechtsprincipe luidt. Dientengevolge, Edelachtbare, vorderen wij de onvoorwaardelijke vrijspraak van de verweerder, de heer Brusselmans. Buitendien dienen wij bij deze ter zitting een tegenvordering in tegen de eisers in dit geding, de heer Versnick en mevrouw Wesenbeeck. Wij doen dit wegens tergend en roekeloos geding, dat bovendien lasterlijk is voor de heer Brusselmans, aangezien hun eis ervan uitgaat dat mijn cliënt in staat zoude zijn om onwaarheden op schrift te stellen of dat hij zelfs het omgekeerde zoude bedoelen van wat hij schrijft en er, met andere woorden, bij hem een steekje los zoude zitten. Deze idee alleen al is diep kwetsend voor mijn cliënt en voor de gevoelens van zijn talrijke volgelingen. Wij zullen genoegen nemen met een schadevergoeding van zegge en schrijve één miljoen frank, uiteraard te vermeerderen met de gerechtskosten, mijn percentage en de wettelijke intresten. Ook deze sommen zullen aan een goed doel worden besteed en wel aan het best denkbare doel, te weten onszelf. Monumentopname in Diksmuide (foto : Patrick De Spiegelaere).