Ondanks de atletische eisen van het moderne veldrijden, kende Adri Van der Poel in deze winter geen zwak moment. Dat moet zondag leiden tot de verlenging van zijn wereldtitel.
...

Ondanks de atletische eisen van het moderne veldrijden, kende Adri Van der Poel in deze winter geen zwak moment. Dat moet zondag leiden tot de verlenging van zijn wereldtitel.Zomaar een winterse maandag in de omgeving van Kapellen. Eén dag nadat een Superprestige-crosss de laatste gram energie uit het lichaam van Adri Van der Poel zoog, rijdt die 's ochtends om acht uur de spieren los. Helemaal in zijn eentje. Het is nog donker, de wind snijdt door het vel, de temperaturen doen Siberisch aan. Dat kan Van der Poel niet afremmen. Deze dwangarbeider van het veld geselt zijn lichaam en maalt ruim honderd kilometer af. Van der Poel laat zich stuwen door de maniakale gedrevenheid die hem al kenmerkte toen hij in 1981 naar de profgilde overstapte. ?Toen?, herinnert Van der Poel zich, ?trainde ik als voorbereiding op het wegseizoen eens heel alleen in de sneeuw. Op een gegeven moment werd ik gepasseerd door een toeterende auto. Het bleken Jan Raas en Cees Priem te zijn. Een beetje verder stopten ze en vroegen of ik gek geworden was. Maar vervolgens blonk ik als neo-prof wel meteen uit in Parijs-Nice, terwijl Raas tijdens dat hele voorseizoen niks klaar maakte. Toen wist ik heel zeker : alleen de trainingsarbeid bepaalt de prestatie.? Een werker op de fiets ; dat heeft Adri Van der Poel als boerenzoon uit het Brabantse Hoogerheide thuis meegekregen. Zijn opvoeding volgde de harde wetten van dat milieu. ?Toen mijn vader het grote stuk gras afmaaide dat rond ons huis lag, keek hij na afloop telkens op zijn horloge. En als dan bleek dat hij die klus iets sneller had geklaard dan de keer daarvoor, dan voelde hij zich heel gelukkig.? Steeds beter presteren, steeds meer van jezelf verlangen, dat was het credo ten huize van de familie Van der Poel : ?Er kwam thuis altijd goed eten op de plank, maar echte weelde was er niet. Toen ik op mijn elfde wilde beginnen te koersen, wist ik dat ik het geld voor een racefiets zelf zou moeten verdienen. Ik heb toen in de vakanties aardbeien en bonen geplukt, dat was echt afzien. Maar zo kweek je wel een kwaliteit aan die een wielrenner broodnodig heeft : doorzettingsvermogen.? Met die karaktersterkte kon Adri Van der Poel op de weg een schitterende carrière uitbouwen. Hij won monumentale klassiekers als de Ronde van Vlaanderen en Luik-Bastenaken-Luik. En al die tijd combineerde hij de weg met het veldrijden. Van der Poel, inmiddels één van de uithangborden van de Nederlandse Rabobank-ploeg, finishte vijf keer als tweede in het wereldkampioenschap en werd op een gegeven moment de Raymond Poulidor van het cyclocrossen genoemd. Die vergelijking lag om nog een andere reden voor de hand. De tegenwoordig tussen de notabelen van Kapellen wonende Van der Poel is getrouwd met de dochter van de destijds onsterfelijk populaire Franse renner, die in de Ronde van Frankrijk telkens weer stuitte op de berekende tijdrijder Jacques Anquetil. Van der Poel is te veel uit nuchterheid opgetrokken om aan die tweede plaatsen een complex over te houden. Niettemin, toen hij vorig seizoen in het Franse Montreuil eindelijk de regenboogtrui pakte, liet de anders altijd zo koele Nederlander (?Ik heb mezelf te allen tijde onder controle?) voor de eerste keer zijn emoties de vrije loop. Met de regenboogtrui om de lenden en veelal in het gezelschap van zijn landgenoot en ploegmaat Richard Groenendaal ridiculiseerde Van der Poel dit seizoen herhaaldelijk de concurrentie. Anderhalve week geleden veroverde hij met de eindoverwinning in de wereldbeker, een eerste trofee in dit vergulde seizoen. De ondertussen 37-jarige modelprof heeft zijn ambities voor de weg opgeborgen en werkt een zomerprogramma af met het oog op het veldrijden. Dat heeft van hem in de winter een heel andere renner gemaakt : sterker, attenter en rustiger. Van der Poel vindt in het cyclocrossen de omstandigheden waarin hij bij voorkeur zijn vak uitoefent : er is niemand die zich met zijn programma en trainingen bemoeit. Zo, als vrije vogel, voelt hij zich het best. Als renner behoort Adri Van der Poel tot een uitstervend ras. Ingewikkelde en wetenschappelijk gefundeerde trainingsschema's zijn niet echt aan hem besteed. Hij zweert al jarenlang bij de theorie van het ongecompliceerde kilometervreten. ADRI VAN DER POEL : Ik ben een renner die je met rust moet laten. Dat is altijd zo geweest. Ik herinner me het jaar dat ik de Ronde van Vlaanderen won. Vier dagen voordien moesten we in Nederland een wedstrijd van meer dan 260 kilometer rijden. Dat paste absoluut niet in mijn opbouwprogramma. Eén dag voor die koers trainde ik nog 240 kilometer, buiten het weten van Raas om. In die wedstrijd, die belangrijk was voor de sponsor, wilde hij me als kopman uitspelen. Maar ik zei hem : je moet me niets opleggen, vandaag ga ik mijn eigen gang. Daar begreep Raas niets van, hij ontplofte bijna van woede. Maar ik blies hem wel in het oor : zondag win ik de Ronde van Vlaanderen. En ik hield woord. Qua training hoefde niemand op mij in te praten. Ik had zo mijn eigen principes. En die waren vooral : kilometers maken, de weerstand opdrijven, de grenzen verleggen. Soms trainde je veel te veel, jaagde je jezelf op. VAN DER POEL : Misschien was dat wel één van mijn zwakheden : dat ik er altijd aan twijfelde of ik er wel genoeg voor deed. Zeker in het begin was ik rusteloos. Daardoor slaagde ik er niet in om de geest schoon te houden. Nu is dat veranderd. Ik ga op training nog maar zelden in het rood, dat hou ik voor de wedstrijden. Anderzijds ben ik dus al van 1981 beroepsrenner en als ik mijn erelijst bekijk, dan mag ik trots zijn. Vooral ook ik destijds een middelmatige amateur was, omdat mijn karakter een gebrek aan zuivere klasse moest compenseren. Mijn geluk is altijd geweest dat je in de wielrennerij heel veel kan bereiken als je er heel veel voor doet. Voor het veldrijden geldt dat zelfs nog meer dan voor de weg. Het is ook daarom dat ik nu, op mijn 37ste, aan mijn beste seizoen bezig ben. Waarin je constant op een extreem hoog niveau rijdt. Terwijl je altijd hoort : het is onmogelijk om die topvorm vier, vijf maanden aan te houden. VAN DER POEL : Ik sta zelf ook verbaasd over die continuïteit. Sinds ik wereldkampioen werd, heb ik eigenlijk maar een keer of zes, zeven niet in de eerste drie gereden. Terwijl ik, samen met Groenendaal, toch telkens de koers probeer te maken. Alleen in het Nederlands kampioenschap viel het wat tegen, omdat ik na een val met een teenblessure sukkelde en wat antibiotica had genomen. Bijzonder belangrijk voor een veldrijder is dat je op de weg een basisconditie opbouwt. En het probleem is juist dat ik dat vorige zomer op een wat te geforceerde manier heb gedaan. Ik gunde mezelf in de periode juli-augustus te weinig rust. Dat ga ik dit jaar trouwens iets anders aanpakken. Al bleek het dus heel goed te gaan. Ook door de ervaring natuurlijk. Ik ken mijn lichaam, ik weet wanneer ik hard moet trainen. Maar vooral : ik weet wanneer ik beter niet train. Het wielrennen is eigenlijk heel simpel : het ideale evenwicht vinden tussen ontspanning en inspanning. Het komt erop aan op het juiste moment rustperioden in te bouwen. Ik probeer altijd één keer per week een dag helemaal niets te doen. Ik geloof nooit dat een wielrenner te veel kan trainen of te veel kan koersen. Wel is het mogelijk dat hij te weinig rust. Dat gebeurt dan omdat hij te veel aandacht besteedt aan het randgebeuren : recepties, openingen en dat soort dingen. Je zal me op zo'n evenementen weinig zien, mijn lichaam kan daar niet tegen. En daar gaat het dus om : luisteren naar de signalen van je lichaam. Ook in de wedstrijden. Ik had in mijn carrière nooit ongelukken, omdat ik zelden die risico's nam waardoor ik geblesseerd kon geraken. Alleen als ik me heel echt goed voelde, durfde ik al eens doorheen dat risco rijden. Maar die trainingsijver en die kennis van het lichaam kan moeilijk de enige redenen zijn voor het actuele succes. VAN DER POEL : Natuurlijk niet. Het grote verschil met vroeger zit hem hierin dat ik nu bevrijd ben van de verplichting om op de weg te presteren. En dat ik die weg dus gebruik als aanloop naar het veldrijden. Dat betekent, bijvoorbeeld, dat ik in het begin na twee uur koers gewoon afstap omdat ik op dat moment niet meer kilometers mag doen. En dan maakt het niet uit of ik nog fris ben of niet, of ik al dan niet in een kopgroep zit. Dat was vroeger dus allemaal anders. Toen bouwde ik als aanloop naar het wereldkampioenschap veldrijden al specifieke wegtrainingen in. Want, een dag of drie na dat WK moest ik alweer de Ronde van de Middellandse Zee rijden. Het is ook daardoor dat ik na al die tweede plaatsen in die wereldkampioenschappen nooit ontgoocheld was. Ik had daar gewoon de tijd niet voor, ik zat al snel weer in een totaal andere wereld. Bovendien ben ik zeer nuchter in dat soort dingen. Ik ga zelden uit de bol na een overwinning, ik tuimel nooit in een diepe put na een nederlaag. En ik kan best erkennen dat een ander beter was. Op zich vond ik die vijf tweede plaatsen ook al een prestatie, omdat ik ze behaalde op vijf verschillende omlopen en daarbij telkens werd geklopt door een andere renner. Alleen tijdens mijn eerste WK, in 1985 in München, zat er wat meer in. Maar toen ging ik net iets te laat in de achtervolging op de Duitser Klaus-Peter Thaler. Ik bleef bij de Luxemburger Claude Michelly zitten, ik was al zo blij dat ik op het podium zou staan, dat ik vergat te reageren. Terwijl ik doorgaans iemand ben die in de koers nooit aarzelt. Eén van mijn problemen is zelfs altijd geweest dat ik in een koers nooit kon stilzitten. Neem nu de Ronde van Frankrijk. Ik nam me telkens voor : ik ga het rustig aandoen, mijn etappes uitkiezen. Maar eens de koers bezig, kon ik dat niet, dan probeerde ik me in zoveel mogelijk ontsnappingen te mengen. Dat kostte veel kracht. En ik moet zeggen : vooral in de winter kreeg ik daar de weerbots van. Het veldrijden heeft de afgelopen jaren een evolutieproces doorgemaakt. Sta je achter die vernieuwingen : het onderwerpen van de omlopen aan bepaalde criteria, het invoeren van een wereldbeker naast de Superprestige ? VAN DER POEL : Absoluut. Het veldrijden heeft een veel zuiverder imago gekregen, al kunnen er nog altijd tal van dingen verbeteren. De watervoorzieningen, bijvoorbeeld. Het is absoluut niet meer van deze tijd dat de mecaniciens ergens met een touw water uit een gracht moeten halen, terwijl er nu rond deze discipline toch behoorlijk wat geld circuleert. Heel bizar is ook dat renners in sommige crossen zelf toegangsgeld moeten betalen, ook al krijgen ze dat dan terug vanaf het moment dat ze hun rugnummer gaan afhalen. Ik vind ook dat het seizoen iets langer zou mogen duren : tot het weekend voor Gent-Gent begint. Dat zou de mogelijkheid geven om de kalender, die nu rond de eindejaarsperiode overladen is, wat beter te spreiden. Je merkt ook dat de wedstrijden nu veel sneller zijn geworden. Dat maakt het er eigenlijk niet gemakkelijker op. De momenten dat je je tegenstanders kan afmaken worden zeldzaam. Ik hou meer van zwaardere omlopen, van afvallingskoersen waarin uiteindelijk de sterksten overblijven. En dan bedoel ik geen geploeter door de modder, maar gewoon een aantal hindernissen die de renners toelaten tot een selectie te komen. Nu kunnen ze zich op die snelle omlopen geen enkele stuurfout veroorloven. En zijn ze vaak aangewezen op hun inzicht. En dat bezit ik, op mijn leeftijd, natuurlijk wel. Ik heb meer dan de helft van mijn koersen gewonnen door mijn ervaring. Hoe bedoel je ? VAN DER POEL : Ze hoeven me niets meer wijs te maken. Aan één pedaalslag zie ik hoe mijn tegenstanders rijden, wie kapot zit, wie komedie speelt. Een Paul Herijgers bijvoorbeeld, die anderen graag misleidt : dat kan hij met mij onmogelijk doen. Vaak stem ik mijn wedstrijden op die registraties af, bepaal ik op grond van wat ik opmerk, of ik nu wel of niet aanval. Is het daarbij een voordeel dat Richard Groenendaal je ploegmaat is ? VAN DER POEL : Soms wel. Als ik voel dat ik zelf niet kan winnen, is het logisch dat ik iets voor hem probeer te doen. En omgekeerd. De afspraak is dat we het prijzengeld dan delen. Maar als we allebei kunnen winnen, dan proberen we dat ook. Op financieel vlak is er in het veldrijden veel veranderd. VAN DER POEL : Dat was nodig ook. Wij hebben veel onkosten, je mag dat niet onderschatten. Ik heb een team van begeleiders, mensen die dat vaak op vrijwillige basis doen. Maar als ik naar het buitenland ga, moet ik natuurlijk wel hun reis en verblijf betalen. Ik schat dat me dat over een hele winter een slordige 800.000 frank kost. Maar dat wordt voor de toprenners ruimschoots gecompenseerd sinds de wereldbeker met dat gigantische prijzengeld is ingevoerd. VAN DER POEL : Dat is zo. Maar aan de wereldbeker kan een renner alleen geld overhouden als hij presteert. Er wordt nauwelijks een startpremie betaald, iedereen krijgt hetzelfde : 500 Zwitserse frank, zo'n 12.500 Belgische frank. Daartegenover staat dus de prijzenpot : 4.500 Zwitserse frank voor een overwinning. Maar dan moet je dus wel winnen. Als ik door pech geen prijs rij, dan kost zo'n cross me een pak geld. En na één tegenslag heb je ook geen enkele kans meer op een goed eindklassement, uiteindelijk zijn er maar zes wereldbekerwedstrijden op een seizoen. Maar een eindoverwinning is natuurlijk wel interessant, dat levert 35.000 Zwitserse frank op, dat is dik 850.000 Belgische frank. Wat verwacht je van het wereldkampioenschap ? VAN DER POEL : Er zijn minimaal tien kanshebbers. Daar reken ik mezelf ook bij. Eén van mijn kwaliteiten is dat ik op iedere omloop goed rij. Maar mijn voorkeur gaat uit naar een bevroren ondergrond. Als het glad is, voel ik me heel sterk. Daarom reed ik vroeger ook graag Parijs-Roubaix, zeker als het regende. Dan lagen de kasseien er glad bij en dan was ik op bepaalde stukken een pak handiger, waardoor ik veel krachten spaart. Dat waren momenten waarvan ik altijd erg intens genoot : je ziet hoe die anderen verkrampt over die stenen fietsen, terwijl het bij jou net heel soepel gaat. Ook al heb ik Parijs-Roubaix dus nooit kunnen winnen. Hoelang wil je met het veldrijden nog doorgaan ? VAN DER POEL : Zolang ik presteer. Ik hou nog altijd ontzettend van dit vak, dat is misschien wel mijn grootste kracht. Ik ben een pure liefhebber van de fiets. Op training merk ik het al niet meer dat ik afzie. Dat gaat vanzelf, pijn lijden hoort als het ware bij mijn leven. En een groot voordeel is, dat ik op mijn leeftijd met een zekere rust naar de wedstrijden toeleef. Natuurlijk roepen mijn tegenstanders wel eens ouwe naar me. Maar dat vind ik niet erg. Zolang die ouwe maar op tijd en stond wint. Jacques Sys De aankomst van het WK'96 : Vijf keer tweede vond ik ook een prestatie. Adri Van der Poel : werkman te fiets.