Jaarlijks eigenen de politieke partijen zich 48.449.019 euro toe uit de staatsruif, wat neerkomt op bijna twee miljard oude Belgische frank. De cijfers komen uit een studie van Karolien Weekers, Jo Noppe en Bart Maddens, drie onderzoekers van het Centrum voor Politicologie van de KU Leuven, en werden gepubliceerd in het Tijdschrift voor Bestuurswetenschappen & Publiekrecht.
...

Jaarlijks eigenen de politieke partijen zich 48.449.019 euro toe uit de staatsruif, wat neerkomt op bijna twee miljard oude Belgische frank. De cijfers komen uit een studie van Karolien Weekers, Jo Noppe en Bart Maddens, drie onderzoekers van het Centrum voor Politicologie van de KU Leuven, en werden gepubliceerd in het Tijdschrift voor Bestuurswetenschappen & Publiekrecht. Toen destijds bekend werd dat het ministerie van Financiën van 1985 tot 1992 bijna 50.000 fiscale attesten had afgeleverd voor giften aan politieke partijen, in totaal voor ruim 1,5 miljard Belgische frank, rolde een golf van verontwaardiging door het land. In 1995 bedroeg de federale dotatie voor politieke partijen evenwel al meer dan 25 miljoen euro. Intussen hebben ook de regionale parlementen een ferme duit in het partijzakje gestoken, mede waardoor het totaal van de dotaties in de loop van de voorbije tien jaar nagenoeg is verdubbeld. Sinds 1989 wordt de partijfinanciering via een overheidsdotatie geregeld, op basis van de wet-Dhoore (Luc). De wet kwam er nadat een aantal onverkwikkelijke affaires van partijfinanciering door bedrijven tot een opstoot van politieke vroomheid hadden geleid. Opmerkelijke vaststelling nu: voor slechts 35 procent van die 48.449.019 euro bestaat een wettelijke basis, de overige 65 procent - nog altijd 31,5 miljoen euro - slaan de partijen letterlijk in hun kas op basis van reglementen en beslissingen genomen achter gesloten deuren door de 'bureaus' van de verschillende parlementen. Van enige publieke controle op de overheidsfinanciering is nauwelijks sprake, luidt de overbodige vaststelling van de onderzoekers. De studie over 35 jaar overheidsfinanciering van politieke partijen in België is overigens verre van volledig. Want de onderzoekers nemen alleen de federale en regionale dotaties in aanmerking. De geldstromen naar de politieke partijen vanuit de provincies - een drietal jaren geleden in alle discretie geregeld in een Brussels visrestaurant, onder kopstukken van de verschillende partijen - en de steden en gemeenten blijven onbesproken. Ook de vetpotten van het Europees parlement worden in deze studie buiten beeld gelaten. Tot daaraan toe, mochten al die middelen nog een beetje interessant studie- of vormingswerk opleveren. Maar studie en vorming blijken slechts etiketten op lege dossiers voor bijkomende financiering. Met al die financiële middelen hebben de partijen een eigen fantasiewereld, een eigen politiek pretpark gecreëerd, met vorstelijke uitstapregelingen voor electoraal gebuisde mandatarissen, en met vergoedingen voor ministers, parlementsleden en politiek benoemde topambtenaren die de voorbije jaren tot voordien ongekende hoogte werden opgetrokken. Van controle op het wetgevende en uitvoerende werk is nauwelijks sprake. De voorzitters Herman De Croo en Norbert De Batselier weten dat de Kamer van Volksvertegenwoordigers en het Vlaams parlement in werkelijkheid niets meer controleren. Zowel in het federale als in de regionale parlementen maken coalitiepartners stilzwijgende afspraken die wisselmeerderheden over welk voorstel ook onmogelijk moeten maken. Interpelleren mag slechts als de andere partijen van de meerderheid daarvan op de hoogte zijn en ermee instemmen. Over begrotingen wordt wel gestemd, maar ze worden niet bekeken. Bij onderzoeken naar het faillissement van Sabena, bij het debacle van de hervorming van de ambtenarij kijken de parlementsleden de andere kant op. Want het pretpark moet open blijven. Bovendien letten de mandatarissen, die voor hun levensonderhoud helemaal afhangen van hun partij, wel op. Want een verkeerde opmerking kan bij een volgende lijstvorming een verkiesbare plaats kosten. Het zijn nochtans die politici, voorzien van hun riante uitstapregelingen en andere vergoedingen, die straks de burger zullen komen uitleggen dat die brugpensioenen echt niet meer kunnen en dat hij binnenkort zelf een stuk van zijn pensioen en een groter deel van zijn gezondheidszorg zal moeten betalen. rik van cauwelaertDe parlementen controleren in werkelijkheid niks meer.