De leiders van de Europese Unie die zich na de top van de G8 in Genua zo laatdunkend over de antiglobalisten uitlieten, zijn oud-strijders van mei '68. De soixante-huitards van toen praten nu plots als Charles de Gaulle die in de meidagen van 1968 het studentenoproer een poppenkastvertoning noemde. En daarom werden ze in Knack van vorige week streng berispt door Rik van Cauwelaert.
...

De leiders van de Europese Unie die zich na de top van de G8 in Genua zo laatdunkend over de antiglobalisten uitlieten, zijn oud-strijders van mei '68. De soixante-huitards van toen praten nu plots als Charles de Gaulle die in de meidagen van 1968 het studentenoproer een poppenkastvertoning noemde. En daarom werden ze in Knack van vorige week streng berispt door Rik van Cauwelaert. Se non è vero, è ben trovato! Er is tamelijk veel verbeeldingskracht voor nodig om bijvoorbeeld in de Italiaanse premier Silvio Berlusconi een voormalige rebel te zien. In '68 liepen zowel Tony Blair als Guy Verhofstadt nog in korte broek rond. De enige van de huidige Europese toplui die zich met recht en reden een oud-strijder van mei '68 mag noemen, is de Franse president Jacques Chirac - al stond hij toen wel aan de verkeerde kant van de barricaden. Chirac was, als piepjonge staatssecretaris van Sociale Zaken in de regering van Georges Pompidou, net een van de mikpunten van de protestbeweging. Parallellen met de tijd van toen zijn elders te zoeken. En al zal de geschiedenis zich nooit herhalen, de gelijkenissen zijn frappant. Net als de antiglobaliseringsbeweging van nu was 'mei '68' een wereldwijd fenomeen: het begon in '64 op de campus van Berkeley, maar het ging verder op het Amsterdamse Spui, de Berlijnse Kurfürstendamm, de Leuvense Bondgenotenlaan en de Parijse boulevard Saint-Michel. Toen, zoals nu, volgde het protest op een periode van economische hoogconjunctuur, en hadden de autoriteiten het niet zien aankomen. Toen, zoals nu, kregen professionele herrieschoppers de schuld - 'beroepsagitatoren' om met wijlen Paul Vanden Boeynants te spreken. Toen, zoals nu, mengde extreem-rechts zich onder de betogers: het geheimzinnige Zwarte Blok dat in Genua actief was, had in mei '68 een voorloper in de bende van de 'Katangezen', die het Parijse Quartier Latin op stelten zette. Ook in '68 al maakte de protestbeweging gebruik van nieuwe communicatietechnieken om zich te organiseren: nu is dat het internet en de gsm, toen liepen de betogers rond met een transistorradiootje om de krijgsverrichtingen op de Boul' Mich' te coördineren. De enragés van '68 vormden net als de antiglobalisten van nu een kakelbont gezelschap. Hun protest was diffuus, hun politieke doelen ongearticuleerd, hun idealen utopisch: 'Laten we realistisch zijn en het onmogelijke vragen.' De vijand heette toen nog 'het militair-industriële complex', vandaag zou de politiek al helemaal door de economische macht overvleugeld zijn. Net nu we konden hopen eindelijk van die ouwemannenpraatjes over mei '68 verlost te zijn, klinken ze weer verrassend actueel. Maar voor wie het een troost mag zijn: het is bekend hoe de protestbeweging van toen ingekapseld raakte, op een terroristisch rafelrandje na. Laatst stelde een verstandig iemand al voor de antiglobalisten in december op de Europese top in Brussel mee aan tafel uit te nodigen. Het zou een goed idee zijn, vond hij, als bijvoorbeeld de zanger van de Ierse popgroep U2 - Bono, een van de iconen van de antiglobaliseringsbeweging - door Verhofstadt op audiëntie ontvangen zou worden. In de jaren zestig heette zoiets: 'repressieve tolerantie', het signaal om over te gaan tot de orde van de dag.Piet Piryns