Tien jaar geleden. De blanke politicus Jeffrey Smith voert op straat campagne in de stad St. Louis, op zoek naar een Senaatszetel in de zuidelijke staat Missouri. Het kiesdistrict wordt voor 95 procent bevolkt door Afro-Amerikanen, de werkloosheid onder twintigers loopt er in sommige wijken tegen de 50 procent. Het leven is er rauw. Een paar decennia eerder was dat nog anders: toen woonden er in dezelfde buurten zwarte artsen, advocaten en leraren. Maar zij trokken weg, naar betere oorden.
...

Tien jaar geleden. De blanke politicus Jeffrey Smith voert op straat campagne in de stad St. Louis, op zoek naar een Senaatszetel in de zuidelijke staat Missouri. Het kiesdistrict wordt voor 95 procent bevolkt door Afro-Amerikanen, de werkloosheid onder twintigers loopt er in sommige wijken tegen de 50 procent. Het leven is er rauw. Een paar decennia eerder was dat nog anders: toen woonden er in dezelfde buurten zwarte artsen, advocaten en leraren. Maar zij trokken weg, naar betere oorden. De jaarlijkse Annie Malone Parade, goed voor een kwart miljoen bezoekers, lijkt Smith de perfecte gelegenheid om stemmen te ronselen in de Afro-Amerikaanse gemeenschap. Hij komt die ochtend vol goede moed aan, maar merkt al snel dat hij slecht voorbereid is. Zijn concurrenten beschikken over een vloot SUV's met indrukwekkende geluidsinstallaties en dozen vol flyers. Smith is te voet gekomen, met in zijn kielzog twee vrijwilligers - blanke zestigers. 'Ik wist dat ik iets moest doen om aandacht te krijgen', vertelt hij. 'Ik zag een paar jongens met een basketbal. Ik vroeg of ik die voor een paar uur mocht lenen voor 5 dollar. Ze keken me geringschattend aan. Ze gingen uiteindelijk akkoord met 10 dollar. Die bal bleek een gouden zet. Nu moet ik erbij vertellen dat ik aardig kan basketballen. Mijn vader liet me sinds mijn negende keihard trainen en in mijn laatste jaar van de middelbare school was ik spelverdeler in een team dat de nummer één van de regio was. Mijn teamgenoten, veelal zwarte jongens, werden mijn beste vrienden. Daar ligt ook de kiem voor mijn besluit om black studies te gaan studeren.' 'Waar ik op hoopte, gebeurde ook in die parade. Al dribbelend deed ik mee en al snel volgden de eerste opmerkingen uit het publiek. "You ain't shit", riep iemand. Hij daagde me uit tot een dribbelduel. Ik won. Al snel diende de volgde uitdager zich aan. Binnen de kortste keren had zich een hele meute om me heen verzameld. Ik werd een sensatie.' 'Toen ik weken later in een winkelcentrum campagne aan het voeren was, werd ik aangesproken door een zwarte vrouw. "U bent Jeff Smith, niet?" Ik knikte, vroeg naar haar naam en zei dat ik blij was dat ik op haar steun kon rekenen. "Oh, maar ik steun u niet, hoor", zei ze gebeten. "Tot de dag van de verkiezingen zal ik elke gelegenheid aangrijpen om iedereen die ik ken te vertellen níét op u te stemmen." Ik stond perplex. Wat had ik die vrouw misdaan? "U denkt dat wij apen zijn", zei ze. "U denkt dat wij op u zullen stemmen omdat u goed kunt dribbelen met een basketbal. Ja, ik had u wel gezien hoor. Het was het meest beledigende, meest walgelijke dat ik een politicus ooit heb zien doen."' Smith geeft het vandaag toe: die vrouw had gelijk. 'Het wantrouwen onder zwarten tegenover blanken was toen al groot. En het bestaat nog altijd. Het is een gevoel van onderdrukking, het gevoel dat je er als zwarte altijd bekaaider afkomt dan een blanke.' Harvard-professor Charles Ogletree (61) is het daarmee eens. 'We zijn de rijkste natie ter wereld, maar het is ons nog altijd niet gelukt om iedereen in deze samenleving - Afro-Amerikanen, latino's, Aziaten en blanken - dezelfde kans te bieden op de American dream. Dat valt af te lezen uit de werkloosheidscijfers, uit racial profiling door de politie, uit de scholingsgraad, zaken waarvan ik hoop dat ze nog tijdens mijn leven zullen veranderen', aldus de rechtenprofessor. Ogletree mag zich de mentor van president Barack Obama noemen. Hij is de oprichter van het Charles Hamilton Houston Institute for Race and Justice. Toen Obama in 2008 aantrad als eerste Afro-Amerikaanse president van de Verenigde Staten was dat bijzonder hoopgevend. Het voedde de gedachte dat de kloof tussen zwart en blank in de VS gedicht zou worden. De kritiek dat er van die hoop amper iets over is - Princeton-professor Cornel West noemde de president zelfs een hypocriet - vindt Ogletree te simpel. 'Hij is natuurlijk niet de zwarte president die alleen maar zwarte mensen helpt. Maar hij heeft er wel degelijk voor gezorgd dat de positie van Afro-Amerikanen verbeterd is, bijvoorbeeld met stimuleringspakketten, en door meer Afro-Amerikanen te laten studeren.' Er zijn wel meer positieve ontwikkelingen, constateert Ogletree. 'De aanstelling van de zwarte Eric Holder als minister van Justitie is een teken van progressie. In het bedrijfsleven bekleden steeds meer Afro-Amerikanen topfuncties, universiteiten krijgen zwarte decanen. Maar dat betekent wat mij betreft niet dat we als land in een postraciaal tijdperk zijn beland. Ras doet er nog altijd toe. Dat werd ook wel duidelijk in de zaak van Trayvon Martin, de ongewapende jongen van 17 die in 2012 door een blanke buurtwacht in Florida werd doodgeschoten. Als reactie daarop zei Obama trouwens dat hij zich goed kon vereenzelvigen met Trayvon Martin, omdat hij als jonge Afro-Amerikaan dezelfde ervaringen heeft gehad. Bijvoorbeeld dat hij hoorde hoe automobilisten snel hun deuren vergrendelden zodra ze hem - een zwarte - zagen.' Dat is precies de ervaring die Smith probeerde te beschrijven: dat beklemmende gevoel van ongelijkheid. Dát is voor een groot deel de voedingsbodem voor de onrust in de straten van Ferguson. 'Belangrijk: dat is niet zomaar een gevoel', benadrukt Smith, die intussen hoogleraar urban policy is aan de New School in New York. De Afro-Amerikaanse gemeenschap heeft voldoende reden om aan te nemen dat ze tekort wordt gedaan. Of het nu in Ferguson is, of elders in de VS. Ferguson telt bijna 22.000 inwoners, van wie 67 procent zwart is. Toch maken blanken er de dienst uit. Het stads- en schoolbestuur is nagenoeg helemaal blank. Die structuur is een erfenis van enkele decennia geleden. In 1990 was 74 procent van de bevolking nog blank en 25 procent zwart. Vandaag is nog maar 29 procent van de bevolking blank. Toch is het de zwarte bevolking niet gelukt om zich te verenigen, waardoor een Afro-Amerikaanse vertegenwoordiging in het stadsbestuur ontbreekt. Het lokale politiekorps telt 53 man, van wie er 3 zwart zijn. Van de weggebruikers die op last van de politie in Ferguson moesten stoppen, was 86 procent zwart, blijkt uit cijfers van het lokale parket. Van de mensen die vervolgens werden gearresteerd, is 93 procent zwart. In Ferguson loopt een zwarte 37 procent meer kans om aangehouden te worden dan een blanke. Terecht? De politie van Ferguson onderzocht in 12,1 procent van de gevallen een auto van een zwarte automobilist en trof in 22 procent van de gevallen bijvoorbeeld drugs of wapens aan. In het geval van blanke bestuurders zijn die percentages respectievelijk 6,9 en 34. Kortom: een zwarte weggebruiker heeft in de ogen van de blanke politie van Ferguson de schijn tegen. Toch is Ferguson niet alleen een zwart-witverhaal, benadrukt Smith - met die kanttekening dat Ferguson vrijwel elke andere plaats in de VS kan zijn. Nee, het gaat om geld. Hoe meer arrestaties de politie van Ferguson verricht, en hoe meer boetes de agenten uitschrijven, hoe groter het budget voor volgend jaar. Het politiekorps wordt simpelweg financieel geprikkeld om hard op te treden. Met name de zwarte bevolking is daar de dupe van. De rol van de politie in de gebeurtenissen in Ferguson is onmiskenbaar groot. Om te beginnen maakte de manier waarop de achttienjarige Michael Brown abrupt aan zijn einde kwam veel emoties los. Een blanke agent die met zes kogels een ongewapende zwarte tiener doodt, met waarschijnlijk amper een aanleiding. Brown zou zelfs zijn handen in de lucht hebben gehouden om zich over te geven. De schietende agent wordt bijna automatisch met de vinger gewezen. Niet iedereen vindt dat terecht. Als de jongen gewoon had meegewerkt en had geluisterd naar de agent, dan was er niets gebeurd, betoogde oud-politieagent Sunil Dutta uit Los Angeles, hoogleraar homeland security aan de Colorado Tech University, in een opinieartikel in TheWashington Post. Woedende reacties en bedreigingen waren zijn deel. Dutta schreef dat er inderdaad agenten zijn die racistisch zijn en die zich bijzonder arrogant gedragen. Maar het heeft volgens hem geen enkele zin om daar bij een aanhouding een punt van te maken. 'Bewaar die woede voor later. Doe wat je gezegd wordt', adviseerde hij. 'Wie zich kwaad maakt tegen een agent, geeft hem voldoende grond om hard op te treden, en hij heeft het recht om te doden wanneer hij de inschatting maakt dat zijn leven of dat van iemand anders in gevaar is.' Er zit een kern van waarheid in dat betoog, vindt Seth Stoughton. Ook hij was net als Dutta eerst politieagent voordat hij hoogleraar werd. 'Natuurlijk is het verstandiger om naar een agent te luisteren en te doen wat hij zegt, hoe onredelijk het ook is of lijkt dat je werd tegengehouden. Maar Dutta is veel te ongenuanceerd', zegt de hoogleraar rechtsgeleerdheid aan de University of South Carolina. 'Wanneer een politieagent met een zwarte tiener omgaat, zou hij hem op dezelfde manier moeten behandelen als het blanke tienermeisje waar hij eerder die dag iets mee te stellen had. Sterker, hij zou juist extra omzichtig te werk moeten gaan. Want zwarte jongens weten dat de politie statistisch gezien erg vaak de pik op ze heeft, dat de politie aan racial profiling doet. Dat maakt ze defensief, prikkelbaar. Die jongen wordt er alleen maar wantrouwender van: "Waarom ik? Wat heb ik nu weer gedaan?" Als een agent zo'n jongen bruuskeert, werkt dat alleen maar averechts.' Het probleem, aldus Stoughton, is dat het wederzijdse vertrouwen tussen de politie en de zwarte gemeenschap ver te zoeken is. Niet alleen in Ferguson, maar in de hele VS. De politiekorpsen van Ferguson en het naburige St. Louis kregen veel kritiek op de ordehandhaving. Stoughton, een specialist in rellenbestrijding, zag met grote verbazing aan hoe de agenten zich opstelden als een zwaarbewapende legermacht. 'Iedereen heeft de beelden wel gezien: agenten in kevlar-outfit die met mitrailleurs in de aanslag rondliepen, sluipschutter, pantserwagens... Compleet verkeerd! De politie was van meet af aan bang dat het uit de hand zou lopen. Dat gebeurde in eerste instantie niet, maar de agenten handelden er wel naar. Net dat heeft bijzonder versterkend gewerkt.' Vorig weekend kondigde president Obama aan dat hij de militarisering van de politie grondig tegen het licht wil houden. Stoughton wijst op een speciaal programma van het Amerikaanse ministerie van Defensie dat wapens uit de oorlogen in Irak en Afghanistan verdeelt onder de politiekorpsen in de VS. 'Met als gevolg dat agenten ineens met mitrailleurs over straat rondlopen. De korpsen kunnen die wapens verkrijgen zonder dat ze toestemming nodig hebben van de lokale overheden. Dat is problematisch. In eerste instantie zullen de agenten nog zeggen: het is altijd goed om ze te hebben, je weet maar nooit, maar we zullen ze toch niet gebruiken. Maar zoiets verandert na verloop van tijd. Dat hebben we in Ferguson zien gebeuren.' Professor Ogletree heeft toch ook iets positiefs geconstateerd in het stadje. 'Zwart, blank, man, vrouw, Republikein, Democraat, jong, oud, rijk, arm: in Ferguson demonstreerden ze zij aan zij. Dat is fantastisch. Misschien betekent het wel dat wat er nu gebeurd is nooit meer zal voorkomen. Ik hoop dat de kinderen van mijn inmiddels volwassen kinderen zullen opgroeien in een maatschappij waarin niet ras maar kennis, vaardigheden en karakter bepalen wat je bereikt in de samenleving. Het is dezelfde hoop die Martin Luther King decennia geleden had.' DOOR STIJN HUSTINX IN NEW YORK'Het probleem is dat het wederzijdse vertrouwen tussen de politie en de zwarte gemeenschap ver te zoeken is. Niet alleen in Ferguson, maar in de hele VS.'