Als je alle gedichten die over liefde en dood gaan zou bijeenbrengen in een bloemlezing, zou je ongeveer voor de hele Nederlandstalige poëzie een copyright moeten aanvragen. Maar er zijn maar weinig dichters die op zo'n archetypische manier met de uiterwaarden van het bestaan omgaan als Rosalie Hirs (1965) in haar debuutbundel "Locus". Ze is chemisch bioloog van opleiding en studeert momenteel compositie....

Als je alle gedichten die over liefde en dood gaan zou bijeenbrengen in een bloemlezing, zou je ongeveer voor de hele Nederlandstalige poëzie een copyright moeten aanvragen. Maar er zijn maar weinig dichters die op zo'n archetypische manier met de uiterwaarden van het bestaan omgaan als Rosalie Hirs (1965) in haar debuutbundel "Locus". Ze is chemisch bioloog van opleiding en studeert momenteel compositie. Het organische en het muzikale zijn inderdaad twee belangrijke pijlers waaronder haar gedichten stromen. Het lijken wel scheppingsverhaaltjes, vertrekkend vanuit de Griekse mythologie en op het einde van de bundel ook vanuit de bijbelse geschiedenis. Vaak spreekt Hirs via het personage dat centraal staat, maar het gaat niet om gedichten die belangrijke personages uit de geschiedenis terug tot leven wekken. Daarvoor maakt Hirs te veel associaties, komt ze tot ongewone beelden en brengt ze een geheimzinnige dreiging in veel van die gedichten aan. Als onderstroom lees je een grote overlevingsdrang die soms aan het bezwerende van een vruchtbaarheidsritus doet denken. Naast alle connotaties die zij via de mythologische figuren oproept, lijkt Hirs vooral op zoek naar een plaatsbepaling voor het dichterlijke ik en de lezer, die op een sensuele manier wordt uitgenodigd. De titels van de afdelingen ( "Adem", "Water", "Brood") tonen aan dat die plaatsbepaling steeds tastbaarder wordt, maar toch is er altijd een onderhuidse dreiging, die trouwens meer dan eens concreet vorm krijgt in het doodsbesef. In het gedicht "Zalm" in de tweede afdeling lezen we bijvoorbeeld: "De geboortegrond is teruggevonden / met grote sprongen. Wij zijn moe maar / na de daad maakt / zich ongeduld meester van onze oude lijven. / De beek wordt breder. / Het zuurstofrijke water voedt de ruimte / tussen de graten. // Voor hemelkijker en goochelaar rapen / we de schaduw. Door de donkere lagen / dwaalt zij als gruis / naar de grond. / In de diepzee is het koud- / weinig nieuws- / veel water, matig verkeer." Hirs' debuut lokt je binnen in sensuele taal en bijna archetypische beelden en laat een vrouwelijke, aardse wereld zien die je niet zomaar beminnelijk in de armen sluit. Rosalie Hirs, "Locus", Querido, Amsterdam, 55 blz., 599 fr.Paul Demets