Een steen in een kikkerpoel - een andere omschrijving is niet mogelijk. In een gesprek met de Franse krant Le Monde bestempelde voorzitter Romano Prodi van de Europese Commissie het stabiliteitspact als 'bête'. 'Stupid' stond er een dag later gretig in de Engelstalige pers.
...

Een steen in een kikkerpoel - een andere omschrijving is niet mogelijk. In een gesprek met de Franse krant Le Monde bestempelde voorzitter Romano Prodi van de Europese Commissie het stabiliteitspact als 'bête'. 'Stupid' stond er een dag later gretig in de Engelstalige pers. Het stabiliteitspact legt een aantal regels vast, waaraan de landen die de euro als munt hanteren, zich moeten houden om economisch en budgettair niet te ver uit elkaar te drijven. Een van die regels is dat het tekort op de begroting ook in tijden van crisis tot maximaal drie procent van het bruto binnenlands product mag oplopen. Onder meer Duitsland, Frankrijk en Portugal hebben het daar nu moeilijk mee. Enkele weken geleden werd al beslist om een en ander door de vingers te zien - niet iedereen was daar op dezelfde manier mee opgezet. Guy Verhofstadt noemde het stabiliteitspact niet zolang geleden nog de bijbel van de Europese politiek. Zo bekeken, vergeleek The Economist, is de uitspraak van Prodi zoiets als de paus die opstaat en zegt dat de Tien Geboden eigenlijk nergens op slaan. Niemand begreep wat Prodi in Le Monde had bezield. Was het een taalprobleem? Prodi is een Italiaan, en zoals de meesten van zijn landgenoten niet bijster taalvaardig. Wellicht, vermoeden sommigen, gebruikte hij een woord waarvan hij de draagwijdte helemaal verkeerd inschatte. 'Wat ik bedoelde,' probeerde Prodi nog, 'was te zeggen dat dit soort van weinig soepele maatregelen nooit goed zijn.' Maar dat was mosterd na de maaltijd. Het minste wat van zo'n vaststelling dan kan worden gezegd, is dat ze in ieder geval merkwaardig laat komt. De strenge normen van het stabiliteitspact waren vooral het werk van de Duitse kanselier Helmut Kohl. Die vond zulke rigide regels onontbeerlijk om de Duitsers ervan te overtuigen dat ze hun geliefde Deutsche Mark konden opgeven om samen met prutsers zoals de Belgen, de Fransen en de Italianen in de euro te stappen. Ze hadden, met andere woorden, eigenlijk geen spat vertrouwen in hun partners. Op het moment dat Duitsland nu zelf met zijn begroting sukkelt, is die heilige drie procent plotseling niet meer zo sacrosanct. Het mangelt het pact, zei minister van Buitenlandse Zaken Joschka Fischer in Der Spiegel, aan ' innere Flexibilität'. Wat dat ook moge betekenen. Het is in ieder geval geen goed nieuws. Enerzijds kan een samenwerkingsverband tussen landen niet bestaan als de afspraken maar zo'n beetje worden nagekomen als het goed uitkomt. Anderzijds is de Duitse economie traditioneel de motor van Europa, en die motor heeft dringend brandstof nodig. Die kan worden geleverd door overheidsinvesteringen, die op hun beurt tot een - misschien tijdelijk - begrotingstekort leiden. Kleine landen zouden op niet zoveel clementie moeten rekenen. Zij betalen uiteindelijk altijd de rekening, zeker als ze bovendien ook nog eens een grote schuld meeslepen. Zoals wij dus. Als het dan toch niet zo nauw steekt, kunnen we misschien allemaal snel het geld terug vragen dat ons in de jaren negentig onder allerlei voorwendsels afhandig werd gemaakt. Bijvoorbeeld, omdat België zonder pardon aan de normen van het stabiliteitspact moest voldoen. Hubert van Humbeeck