Waarde Gerard,
...

Waarde Gerard, Zoals veel van de vrienden in en buiten België heb ik met ontzag het aan GAL gewijde en tegelijk autobiografische huldeboek ?De overspannen Jaren? gelezen en er urenlang in zitten kijken : een overzicht van ruim drie decennia verpletterend vakmanschap, grafische kunst die mokerslagen toedient, polemisch geweld waaraan u inderdaad het voor een tekenaar ongebruikelijke recht ontleent op de perskaart die je zó dierbaar is dat je er een copie van afdrukt. Ik was eerlijk van plan om, namens de vrijheid van het woord en de gedachte, over dat boek iets lovends en opbeurends te komen zeggen tijdens het avondlijke feestje van vorige week. ( Die Gedanken sind frei is een van mijn lievelingsliederen, dat ook jij hopelijk kent.) Pas laat in de middag, gebogen over het fraai gebonden boek op mijn knieën, besloot ik in stilte mijn beloofde deelname aan de politiek correcte GAL-promotie te annuleren. Na wat ik gelezen en gezien had, kon ik er niet veel meer komen doen, behalve in de voor iedereen onaangename positie van gekwetste sympathisant en in zekere zin ook collega. Ik ben nogal gevoelig voor problemen in verband met hypocrisie, al besef ik dat huichelen soms te verkiezen valt boven onoplosbare ruzies. Maar er zijn grenzen aan wat iemand (ik dus) die over een blad moet waken, en daar een groot stuk van zijn leven tot uitputtens toe voor gewerkt heeft, kan en wil verdragen vanwege een zogezegde kameraad vooral wanneer die ùw emotionele gaven en politieke pretenties heeft. Indien ik op die literaire familie-reünie was verschenen, had ik haar gewetenshalve moeten komen verstoren. En daar heb ik in alle omstandigheden een hekel aan. Wat zit me dwars ? Dat is : vijftien jaar subtiel sarren van uw kant, altijd zeer terloops, en vooral voorzichtig verpakt in vraaggesprekjes of andere gelegenheden waarbij je tegenover een publiek het woord mocht voeren. Ik weet nog altijd niet waarom je dat deed en blijft doen. Wanneer ik ernaar informeerde, of de telefoon nam, glipte je antwoord weg als een goudvis. Verkeerd begrepen, misverstand, ik had niet goed geluisterd of te weinig gevoel voor linkse humor. Opportunist in schapenvacht die je bent. NA EEN GEMEENSCHAPPELIJKE jeugd bij De Nieuwe, waarin wij beiden grotendeels gratis, in mijn geval toch onze juveniele inzichten van de jaren zestig kwijt konden (ik was warempel ?specialist? inzake Kennedy en De Gaulle) en nog vóór wij ons samen weerden tegen de kruisraketten of pro een fatsoenlijke behandeling van BRTN-journalist Daniël Buyle, lag het voor de hand dat u in de kolommen van Knack zou komen tekenen. Op mijn vraag gebeurde dat dan ook, in de jaren zeventig reeds en niet ?sedert twaalf jaar? zoals in uw door Johan Anthierens gebundeld levensverhaal gemeld wordt. A propos, Johan is de stielvaardige en in dit geval gedroomde schrijver van uw biografisch en artistiek zelfportret. Maar moeten wij hem nu uw ?neger? noemen, een slaafse pen in dienst van de u rechtmatig toegekende kwaliteiten ? Nochtans hebt u mij, bij elke gelegenheid en in het openbaar, altijd een neger (ghostwriter) genoemd wanneer ik een politieke of sociale biografie schreef. Die boeken zijn me nochtans dierbaar, al kent u ze niet, omdat ik ze telkens wilde aanbieden als een essay over naar best vermogen bestudeerde tijdperkjes en de erin gangbare theorieën. Maar ik was gewoon een leverancier van ?negerwerk?, zei u fijntjes op de dag van het enige zilveren jubileum dat ik in mijn leven heb mogen vieren. Want toen het tien weken geleden eens mijn feest was (en dat van mijn èchte wapenbroeders in de redactie), ter gelegenheid van 25 jaar Knack, mocht ik daarover op Radio 1 iets aandoenlijks komen zeggen. Dat stukje uitzending werd nog maar eens ingeleid door uw klassieke verhaal over mijn politieke onderdanigheid (en dus onbetrouwbaarheid) maar vooral over de door mij uitgeoefende strenge, puriteinse censuur die uw beste werk uit het Vlaamse tekenlandschap pleegt te weren. Ik kon mijn oren niet geloven : u vindt bij Knack geen vrijheid, zei u. ?Binnen Knack pas ik zelfcensuur toe,? verkondigt uw boek somber. En ikzelf ben naar uw mening een lichtjes argeloze scribent die immers ?altijd de verliezers achternaloopt.? Als amusante voorbeelden gaf u : Wilfried Martens en Guy Verhofstadt. O, HET GAAT DUS om het tijdig en juist inschatten van de winnaars. In het aan u gewijde kunstboek staan tal van (mooie) prenten met veel begrip voor Fidel Castro, Saddam Hoessein, Arafat, de Sovjetunie, de socialistische revolutie en de strijd tegen het verdorven kapitalisme (wapenwedloop inbegrepen) van bij voorbeeld Jimmy Carter ! Over de doodgeschoten vluchters die de Berlijnse muur wilden nemen : niets. Over de sociale miserie in Havanna (jaja, de Amerikaanse boycot, maar wat met de wijkpolities ?), de tandeloze mulattenmoedertjes of vertwijfeld aan de revolutie ontsnappende kindhoertjes : geen streepje. Maar dus wel, en glorieus bejegend, uw ?overwinnaars? met al hun versleten totempalen. Dit brengt mij op een oud zeer, waarover ik totnogtoe slechts gesproken heb op bijeenkomsten met doorgaans niet meer dan dertig belangstellenden in een of andere Antwerpse culturele kelder. Daar durf ik, beschroomd, beweren dat de hele linkse GAL-generatie, van Karel van Miert tot Harry Mulisch, zich stilaan zou moeten gaan verontschuldigen voor al die prachtige socialistische en welverzorgde reizen waaraan ze destijds zo gretig deelnamen. En die zeer zichtbaar gebouwd waren op door het volk geleden leed. Aan die gesoigneerde invitaties, Gerard, hebben veel van onze generatiegenoten uit de jaren zestig meegedaan, maar ik nooit. Uw boek roemt uw Cubaans verblijf, een volle maand in 1980, en de aldaar genoten zegeningen van de gratis geneeskunde voor het volk. Maar er zijn geen rake, revolterende schetsen van de bootvluchtelingen, van de op Fidel Castro's bevel geëxecuteerde doden, ook al was het zijn beste vriend die voor het vuurpeloton moest. Sprookjes zijn sprookjes, Gerard, ook al zijn ze zo rood en verleidelijk als uw diepst vereerde geliefde of uw vrijwillig gekozen amoureus isolement. GERARD, BIJ MIJN WETEN werd maar een paar keer (na veel dubben) een tekening van jou uit Knack geweerd. Over één van die prenten (de andere deed een goed woord voor het nogal bloedige CCC-terrorisme) heb je het trouwens op elke door God gegeven panelavond, nu al sedert jaren. Ze staat in uw elegant linkse levensboek op pagina 92 : Tindemans en Martens die, in de bosjes, hun gulp dichtritsen bij slachtoffer vrouwe België met haar benen wijd uiteen en het slipje afgestroopt tot halverwege haar kuiten zodat het milde kroeshaar de verkrachting des te nadrukkelijker suggereert. Maar het was geen pudeur, Gerard, die het afdrukken van de plaat onmogelijk maakte. Het was de wet, de geraadpleegde advocaat. Ik heb processen moeten voeren (verloren en nadien gewonnen) tegen uw geliefde doelwit Vanden Boeynants. Ik kreeg in eerste aanleg straf een maand gevangenis , jij niet. Enzovoort. Andermaal mag ik in het GAL-boek optreden in de gedaante van verkrampte censor en iemand die uw tekeningen ?betaalt als ballast? (pagina 39). New York honoreert zijn vooruitstrevende profeten zoveel guller, laat u ietwat hebberig weten. Bijna driehonderd bladzijden lang wordt ruimdenkend hulde gebracht aan allerlei andere publicaties dan de mijne, Knack, aan professionele wereldjes waarvan u blijkbaar meer genegenheid kreeg dan van mezelf en mijn helpers. Alleen, Gerard : de Panorama, destijds van uw vriend Karel Anthierens (all in the family was hij in de maanden voor zijn pensioen bij Het Laatste Nieuws werkzaam), nam uw rauwe maatschappijkritiek nooit op in zijn kolommen. Het kan zijn dat u daar bij gelegenheid meer geld kreeg voor grafisch aanlokkelijke gadgets : politici afgebeeld in de gedaante van een slim gekozen symbolisch beest, meteen bruikbaar voor Walibi of een Turnhouts kaartspel. Maar wij, bij Knack, waren de enigen die uw werk altijd trouw bleven. Dat valt te merken. Het leeuwendeel van wat in uw boek staat, op een zeldzame keer na zonder enige bronvermelding, hebt u al uw mooie kunstenaarsjaren lang in mijn blad gepubliceerd. Elke week komt en kwam u langs, soms vergezeld door de kinderen die we in uw hier besproken biografie op de foto zien staan. Vaak blijken uw tekeningen schitterend, soms mislukt of onbegrijpelijk, af en toe vormen ze een intellectueel probleem vanwege een te grof vooroordeel. Maar dat lossen wij in stilte voor u op, nooit krijgt u weet van de miseries die geïllumineerde polemisten in en rond een blad veroorzaken. Wij laten u rustig werken. Toch hebt u blijkbaar geen vrede met het blad dat u (zo discreet mogelijk) heeft helpen groot maken onder andere door de inzet van de beste grafische technieken die, voor de weekbladpers, momenteel in Europa beschikbaar zijn. Ik vermoed dus dat de onderhuidse hoon waarop u me graag bij elke gegeven en gegrepen kans trakteert, te maken moet hebben met een soort subtiele, politieke schaamte : GAL die in een ?kapitalistisch? (mijn god...) blad publiceert. En waarom, en met welk rendement. Wat zullen de vijfhonderd in uw boek op bladzijde 292 opgesomde levensvrienden gelukkig ontbreekt mijn naam daar niet van denken ? GOED, IK BEN BITTER gestemd over wat je me aandoet. Maar, sommige progressieve geplogenheden kennend, zal ik niet in de val lopen. Ik ga nu niets zeggen of schrijven in de trant van : ?laten we na al die jaren de blijkbaar ongelukkige samenwerking toch maar staken.? Nee, blijf maar uw prenten brengen. We zullen ze desnoods milder gestemd dan voor andere cartoons, want dat is soms nodig toegewijd publiceren. Ik gun u geen geraffineerd en simplistisch feestje waarop u zich, omringd door een verontwaardigd opgetrommelde incrowd, als gecensureerd slachtoffer van Verleyen, Verhofstadt of godweet Berlusconi zou kunnen openbaren. Blijf maar komen met uw ?zelfgecensureerde? prenten, we kunnen dat de baas. Zelfs uw in het boek geopperde onvrede met het honorarium (dat ik terwille van uw fiscale privacy hier niet zal bespreken), mag geen hinder zijn. Het uitbuiten van kunstenaars is immers een oude gewoonte van rechtse bladen. Wil echter beseffen : voortaan kom je binnensluipen als mee-eter, op zoek naar een pagina. Die honger zullen we dan verzadigen, alhoewel je eigenlijk niet langer verdient wat de Knack-redactie allemaal voor je doet. Maar dat zijn nu eenmaal betrekkelijk stille mensen, die bescheiden werken en zelden gevierd worden. Leve de ware revolutie, Gerard, want ze is nodig. Frans Verleyen