GEORGES MONARD
...

GEORGES MONARD Het initiële diploma en de nascholing zijn voor leraren even belangrijk, stelt Georges Monard, secretaris-generaal van het departement Onderwijs. ?Wij geven leraren een opleiding en eisen een diploma voor ze hun vak mogen uitoefenen. Dat vindt iedereen terecht, net als voor artsen, advocaten en de meeste beroepen. Ik denk dat iedereen het er ook over eens is dat artsen, bijvoorbeeld, op de hoogte moeten blijven van hun vak. Ik ben er ook van overtuigd dat algemeen wordt ingezien dat nascholing en bijscholing noodzakelijk zijn voor iedereen. Dat je niet meer behoorlijk kan functioneren zonder verdieping van de initiële opleiding. Dat geldt dan ook voor leraren. Mensen die voor de klas staan, kunnen niet langer teren op een opleiding die ze twintig, dertig jaar geleden hebben gekregen. Ik ben ervan overtuigd dat de grote meerderheid van de leraren dit beseft, maar door een provocerende uitspraak wilde ik het probleem van degenen stellen die geneigd zijn zich niet bij te scholen. Vroeger eisten we eigenlijk nooit formeel navorming. In de nieuwe functie-omschrijving van de leraar wordt die na- en bijscholing wel opgenomen. Dat wil niet zeggen dat we een bureaucratisch systeem zullen opbouwen, waarbij allerlei documenten moeten bewijzen dat een leraar cursussen volgde. Een leraar kan ook actualiseren thuis, via lectuur, zelfstudie. Hij kan dat door gesprekken met collega's. Wij zullen en kunnen dat niet controleren. Dat is de taak van de inrichtende macht, die met de nieuwe autonomie duidelijk bevoegd wordt voor de interne kwaliteitszorg van het onderwijs dat ze verstrekt. Leraren kunnen voortaan zelf kiezen welke nascholing ze volgen. Ze krijgen daar ook het geld voor in handen. Ik denk dan, bijvoorbeeld, aan nascholingscursussen waarbij geholpen wordt bij gedragsverandering. Een team kan leerlingen leren opvangen en begeleiden. Zoiets maakt integraal deel uit van het vak van leraar. Een leerkracht doceert immers niet alleen een vak, maar geeft ook vorm aan een opvoedingsproces. We moeten beseffen dat opleiding en nascholing even belangrijk zijn. Om de evolutie in een vakgebied te blijven volgen, maar ook om te kunnen blijven voldoen aan de oude en nieuwe eisen die aan een leraar worden gesteld.? LUDO FRATEUR ?Nascholing verplichten om instituten inkomen te bezorgen en leraars onder druk te zetten : nee,? zegt Ludo Frateur, hoofd van de studiedienst van de Vereniging Vlaamse Leerkrachten die 5.500 leden telt. ?Leerkrachten moeten leergierig zijn, omwille van de intellectuele eerlijkheid en van hun voorbeeldfunctie voor de scholieren. Tegelijk moeten ze in en via hun studie het verschil tussen de correcte theorie en de haalbare toepassing ervan in de klas kunnen onderscheiden. Ze moeten de eerste vertalers zijn, dus de strenge discipline en de taal van de wetenschap toegankelijk maken voor de jongeren. Ze moeten ook nieuwsgierig zijn naar de psyche, de mogelijkheden en levensomstandigheden van jonge mensen. Ervaring is nodig om te kunnen functioneren. Juist vanuit de dagelijkse praktijk stellen leraars specifieke vragen in verband met ondersteuning, begeleiding en samenwerking. Daarop kan nascholing alleen inspelen als ze soepel opgevat en gestructureerd is. De eerste nascholing voor de beginnende maar ook voor de ervaren leerkracht komt van collega's, het middenkader, de directie en de pedagogisch begeleider. Die nascholing is de belangrijkste omdat ze een organische omgeving heeft. Een meer formele nascholing, zelfs door het instituut waar de leraar zijn basisopleiding kreeg, heeft slechts aantrekkingskracht en nut als ze rechtstreeks aansluit bij het gebeuren van en in de klas. Het heeft geen zin leerkrachten op de huid te zitten met allerlei vormen van verplichte nascholing om zo hun professionaliteit op te vijzelen. En het is totaal naast de kwestie om verplichte nascholing te gebruiken als maatstaf voor hun al dan niet goed functioneren. Die opvatting gaat voorbij aan de realiteit, omdat iedereen naar gelang van de plaats waar hij staat eigen selectiecriteria ontwikkelt. Noem het een eigen appetijt. Het spreekt vanzelf dat permanente vorming een culturele noodzaak is. De leerkracht geeft immers de bevindingen en kennis van wetenschapsmensen, kunstenaars en anderen door. De concurrentie van de media brengt hem ertoe de gebruikte methode en werkmiddelen aan te passen. Daartoe is vindingrijkheid en creativiteit nodig. Maar verplichte nascholing organiseren om bepaalde instituten inkomsten te bezorgen en om de onderwijsgevende onder druk te zetten, werkt inefficiënt.?