Terwijl strijders van de Nationale Overgangsraad in hoog tempo de laatste bastions van de gevallen dictator Muammar Khaddafi oprollen, komt het normale leven weer op gang in de hoofdstad Tripoli. Winkels zijn open, vuilnis wordt opgehaald en de meeste Tripolitanen zijn weer aan het werk gegaan. Daarvan getuigt de volle parkeerplaats in het Dhat al-Imad, het kantorencomplex aan de zeelijn, waar bijna alle buitenlandse oliemaatschappijen zijn gehuisvest. Ali Tarhoeni, de interim-minister van Olie, kondigde aan dat de olieproductie eind deze week op bescheiden s...

Terwijl strijders van de Nationale Overgangsraad in hoog tempo de laatste bastions van de gevallen dictator Muammar Khaddafi oprollen, komt het normale leven weer op gang in de hoofdstad Tripoli. Winkels zijn open, vuilnis wordt opgehaald en de meeste Tripolitanen zijn weer aan het werk gegaan. Daarvan getuigt de volle parkeerplaats in het Dhat al-Imad, het kantorencomplex aan de zeelijn, waar bijna alle buitenlandse oliemaatschappijen zijn gehuisvest. Ali Tarhoeni, de interim-minister van Olie, kondigde aan dat de olieproductie eind deze week op bescheiden schaal zal worden hervat. 'Alle seinen staan op rood', klonk het een paar weken geleden nog. Maar een scenario à la Bagdad is uitgebleven. Muammar Khaddafi's compound in de wijk Bab al-Aziziya en een aantal huizen, toebehorend aan diens clan, werden leeggeroofd door souvenirjagers. Daar bleef het bij: systematisch geplunderd werd er nergens en de openbare orde is grotendeels hersteld. Reguliere politieagenten namen inmiddels op talrijke plaatsen het werk over van de Tripolibrigade. Alle strijders hebben hun wapens moeten laten regis-treren. De willekeurige arrestaties van zwarte Afrikaanse mannen, ervan verdacht zich als huurling door Khaddafi te hebben laten inhuren, blijven weliswaar een bron van zorg. In zijn eerste toespraak in Tripoli, droeg Mustafa Abdul Jalil, de voorzitter van de Overgangsraad, vorige week de Libiërs op hun eventuele wraakgevoelens in te tomen en stak hij de hand uit naar functionarissen van het gevallen regime. Die kozen niet zonder enig cynisme vrijwel onmiddellijk de kant van de nieuwe orde, maar dat kan zeker ook bijdragen tot een ordentelijke overgang. De beeltenis van Khaddafi is nog niet helemaal uit het straatbeeld verdwenen: hier en daar doet zijn portret nu dienst als deurmat. Maar verder lijkt niemand zich nog bijzonder voor hem te interesseren. De stad is inmiddels rood-zwart-groen gekleurd. De Omar Mukhtarstraat is bezaaid met stalletjes waar vlaggen, mokken en speldjes met de opdruk van de oude koningsvlag worden verkocht. Een inderhaast gecomponeerd volkslied weerklinkt uit vrijwel iedere passerende auto. Khaddafi had de Libiërs niet alleen hun vrijheid afgepakt, maar ook het besef van wie zij als volk eigenlijk waren. Het enthousiasme waarmee zij nu de nationale driekleur omarmen, lijkt illustratief voor het verlangen om geografische tegenstellingen en eventuele stamverbanden te overstijgen. Of dat ook echt gaat lukken, zal de komende maanden moeten blijken. In Tripoli is het politieke spel nog maar net begonnen. Hoe groot zal de invloed van de islamisten zijn? En welke rol zal de Berberbevolking in het Nafussagebergte opeisen? Zullen de strijders uit Misrata zich voegen naar het gezag in de hoofdstad? Op groen staat het sein dus nog lang niet, maar oranje is het al wel. Marijn Kruk