De meeste mensen kijken graag naar zichzelf. Zelfs 's ochtends, wanneer ze toch zelden op hun aantrekkelijkst zijn, inspecteren ze zich grondig in de spiegel. Zoals de tragische Griekse held Narcissus, die zo verliefd werd op zijn spiegelbeeld in het water dat hij geen oog meer had voor iemand anders. Geen solide biologische strategie, want zo kom je niet tot voortplanten.
...

De meeste mensen kijken graag naar zichzelf. Zelfs 's ochtends, wanneer ze toch zelden op hun aantrekkelijkst zijn, inspecteren ze zich grondig in de spiegel. Zoals de tragische Griekse held Narcissus, die zo verliefd werd op zijn spiegelbeeld in het water dat hij geen oog meer had voor iemand anders. Geen solide biologische strategie, want zo kom je niet tot voortplanten. Wij hebben daar iets beters op gevonden. We lijken de neiging te hebben om naar kenmerken van onszelf in andere mensen te gaan zoeken. Uit experimenten gepubliceerd in het vakblad Proceedings of the Royal Society B blijkt dat studenten in een onlinespel om geld meer vertrouwen hadden in spelers die op henzelf leken dan in anderen. De studenten kregen van hun medespelers enkel foto's te zien en daarvan waren sommige - buiten hun weten - zo gemanipuleerd dat er trekken van henzelf in terug te vinden waren. Die trekken volstonden om een groter vertrouwen te uiten. Het vakblad Current Psychology heeft de resultaten van experimenten gepubliceerd, waarin foto's van mensen zo werden gemanipuleerd dat ze eruitzagen als iemand van het andere geslacht. Alle proefpersonen werden vooral aangetrokken door de eigen, gemanipuleerde foto's - ze wisten uiteraard niet dat het om een gemanipuleerde foto van henzelf ging. Mensen vallen dus op trekken van zichzelf wanneer ze potentiële partners evalueren. Mensen hebben daarenboven de neiging om anderen met wie ze fysiek wat gemeen hebben, dezelfde psychologische eigenschappen toe te dichten, zoals hulpvaardigheid, opvliegendheid of een afkeer van afwassen. Dat uit zich in de werking van de hersenen. Daarin zit een zone, de ventrale mediale prefrontale cortex, die vooral actief is wanneer we reflecteren over onze voorkeuren en ervaringen. Maar hij is, volgens het vakblad Neuron, ook actief als we nadenken over de ervaringen van mensen met wie we ons om een of andere reden verbonden voelen. Nadenken over wat mensen ervaren met wie we weinig gemeen lijken te hebben, zit in een andere zone: de dorsale mediale prefrontale cortex. Hersenscans zouden dus perfect kunnen aantonen met wie we ons verbonden voelen. De hersenen zijn uiteraard ook op het eigen lichaam gefocust. Als we een beeld zien van iemand in een pijnlijke situatie, zoals iemand die met zijn vinger tussen de deur zit, voelen we dat véél sterker als we ons inbeelden dat we het zelf meemaken, aldus het vakblad Neuropsychologia. De eigen pijn is de ergste pijn. Welke zin heeft het dat we onszelf aantrekkelijk vinden en bij anderen op zoek gaan naar onze eigen kenmerken? Dat is een interessante vraag. Er is al gepostuleerd, bij analogie met de vaststelling dat mensen ook eigenschappen van hun moeder mooi blijven vinden, dat we aangetrokken worden door alles wat naar mogelijke verwantschap kan wijzen. Vanuit biologisch oogpunt streven we er immers naar de eigen genen zoveel mogelijk naar de volgende generaties over te planten. Dit proces van verwantschapsselectie kan verklaren waarom we gemakkelijk geneigd zijn leden van de eigen familie te helpen, want die dragen gedeeltelijk ook onze genen. Het succes van de ingewikkelde maatschappijen van sociale insecten, zoals bijen en mieren, met steriele werksters die alles investeren in het grootbrengen van zusters en niet van dochters, steunt daarop: omdat ze allemaal verwant zijn aan elkaar, maakt het weinig uit dat ze zich niet zelf kunnen voortplanten. Ze doen het voor hun genen. De interesse in kenmerken vergelijkbaar met die van jezelf komt op vele plaatsen in de dierenwereld voor. Het vakblad Molecular Ecology publiceert merkwaardige gegevens over de gevlekte landsalamander die erop wijzen dat vrouwtjes mannetjes prefereren waar ze licht aan verwant zijn. Een verschijnsel dat ook in andere diergroepen is waargenomen. Bij mensen is het regelmatig voorgekomen dat neven en nichten met elkaar trouwden. Met het risico op genetische afwijkingen tot gevolg. De zwaar gehandicapte Franse schilder Henri de Toulouse-Lautrec was een kind van een huwelijk tussen neef en nicht. De Europese vorstenhuizen hadden eeuwenlang te kampen met allerhande genetische aandoeningen, zoals hemofilie, die gestimuleerd worden door inteelt. Een beperking van de genetische variatie kan tot een opstapeling van fouten in de genen leiden. Maar nieuwe inzichten tonen aan dat er voordelen verbonden kunnen zijn aan inteelt. Lichamen zijn in principe goed aangepast aan de lokale situatie waarin ze moeten gedijen. Het kan dan een risico zijn te grote veranderingen te introduceren, want zo dreig je nakomelingen te krijgen die misschien minder goed aangepast zijn aan de heersende omstandigheden dan jezelf. Een zeker conservatisme in de partnerkeuze is dus mogelijk een goede aanpassing. Wat de aantrekkelijkheid van je eigen kenmerken in andere mensen zou kunnen verklaren. Misschien zijn mensen die wat op jezelf lijken dus ook goed aan de heersende omstandigheden aangepast. Zonder dat ze daarom noodzakelijk sterk verwant zijn, en de risico's op inteelt dus beperkt blijven. Wetenschappers zijn wel op zoek getrokken naar voorbeelden die illustreren dat inteelt gunstig kan zijn. Het blad Science News gaf in deze context enkele opmerkelijke indicaties. Een soort bastkever uit Azië is sinds 1994 onze Belgische bossen aan het veroveren en kan zware schade aan pas omgevallen bomen aanrichten, omdat vrouwtjes er grote broedkamers in knagen, waarin ze schimmeltuinen aanleggen voor de voeding van hun jongen. Het lijkt in deze soort de gewoonte te zijn dat broer en zus met elkaar paren. Er zijn tot dusver geen schadelijke neveneffecten op de nakomelingen gezien, maar er is wel vastgesteld dat eieren van broederzusterparen gemakkelijker uitkomen dan andere. Waarom, is niet duidelijk. Ook van sommige Afrikaanse cichlidenvissen is vastgesteld dat paartjes van broer en zus het er beter afbrengen dan andere. De visjes van een soort uit Nigeria en Kameroen gebruiken holletjes in de rivierwand, waarin ze hun jongen onderbrengen om ze tegen rovers te beschermen. Vader en moeder vormen een monogaam paartje en zorgen samen voor de kids. Als een koppeltje uit broer en zus bestaat, worden er meer inspanningen geleverd om de jongen te bewaken. De visjes zouden inteelt geïntroduceerd hebben om een vorm van goede ouderzorg mogelijk te maken. Want met inteelt, waarin je dus paart met iemand aan wie je verwant bent, hebben je nakomelingen meer genen met jezelf gemeen dan wanneer je een volslagen vreemde als partner kiest. Je zet je dus voor méér genetisch nakomelingschap in, wat in omstandigheden zonder opvallende genetische risico's gunstig zou kunnen zijn. Het wetenschappelijk topvakblad Science bracht enkele maanden geleden een opvallende analyse uit een grootschalig IJslands genetisch project, waarin 165 jaar gegevens over 160.000 koppels zijn opgenomen. Uit de resultaten blijkt dat huwelijken tussen neef en nicht gemiddeld minder succesvol waren dan andere verbintenissen, met minder nageslacht en meer kinderen die op jonge leeftijd stierven. Maar koppels die bestonden uit neven en nichten van de derde generatie, die dus een betovergrootouder gemeen hebben, brachten het er het best af: meer kinderen en meer kleinkinderen dan eender welke andere samenstelling (zelfs onverwante) van koppels. Het laatste woord over inteelt is dus nog niet gezegd. Links en rechts gaan er al stemmen op om de beladen term - inteelt wordt per definitie geassocieerd met negatieve gezondheidseffecten - door iets neutralers te vervangen. Wanneer het niet gaat om de herkenning van eigen kenmerken vervallen mensen bijna vanzelf in stereotypen: blondjes zijn dom, rosharigen agressief, dikke mensen gemoedelijk, dat soort dingen. Stereotypen maken het gemakkelijk om orde in de chaos te brengen, om overzicht te krijgen in de enorme variatie in kenmerken die we voortdurend voorgeschoteld krijgen. Dat geldt ook voor de evaluatie van schoonheid. We kunnen met redelijke zekerheid stellen dat één axioma altijd opgaat inzake de evaluatie van schoonheid: wat mooi is, is goed - anders zou het niet als mooi gezien worden. De bedenker van de evolutietheorie, Charles Darwin, realiseerde zich al dat een van de pijlers van evolutie, naast natuurlijke selectie, seksuele selectie is, waarbij individuen een partner kiezen in functie van eigenschappen die wijzen op succes. Een gorillavrouwtje zal zich graag laten dekken door het sterkste gorillamannetje, zelfs als dat betekent dat ze zijn aandacht moet delen met andere vrouwtjes. Want de sterkste gorilla is het beste mannetje, en biedt dus ook de beste garantie op succesvolle kinderen, waardoor hij veel vrouwtjes aantrekt. Het klassieke voorbeeld van seksuele selectie is de pauw die loopt te pronken met zijn staart: een onhandig gevaarte dat hem hindert bij het vliegen en het ontsnappen aan eventuele belagers, maar dat ook wijst op zijn alertheid en goede gezondheid. Een grote, glanzende staart kan namelijk alleen maar gemaakt zijn door een mannetjespauw waar weinig op aan te merken is, en die dus ook veel kans heeft om goede kinderen voort te brengen. Het onderzoek naar de menselijke schoonheid als een door seksuele selectie gekneed concept is trouwens, na een overzicht van enkele jaren geleden in het wetenschappelijke vakblad Biological Reviews, 'Darwiniaanse esthetica' gaan heten. Het is ondertussen bekend dat symmetrie zo'n esthetisch kenmerk is. Een symmetrisch lichaam is een lichaam waarin tijdens de embryonale ontwikkeling weinig fouten zijn geslopen, want anders zou het minder symmetrisch geweest zijn. Symmetrie kan dus een indicatie zijn van goede genetische kwaliteiten. Een inzicht dat niet alleen in de aantrekkingskracht van gezichten een rol zou spelen, maar ook in, bijvoorbeeld, het evalueren van een stem: een mooie, diepe mannenstem zou een stem gelinkt aan symmetrische stembanden zijn. Symmetrische borsten zouden dan weer meer melk produceren dan asymmetrische, en dus ook rechtstreeks aan een meer geslaagde voortplanting gekoppeld kunnen zijn. Jeugdigheid is een ander kenmerk dat aantrekkelijkheid bevordert, zeker in een soort zoals de mens die met het ouder worden haar vruchtbaarheid verliest - onze vrouwen worden op een gegeven ogenblik (de menopauze) zelfs totaal onvruchtbaar. Een mensenvrouw zou maximaal vruchtbaar zijn op haar 24e. Alle signalen die gelinkt kunnen worden aan jeugdigheid zijn daarom interessante signalen, en zijn gekoppeld geraakt aan schoonheid. Een gave huid, stevige borsten en blonde haren (de haren hebben met het verouderen de neiging donkerder te worden) signaleren jeugdigheid, en worden dus alvast in onze cultuur graag aan schoonheid gelinkt, toch zeker aan vrouwelijke schoonheid. Omdat een gezond mannenlichaam minder cruciaal is voor de voortplanting - het hoeft geen dracht en bevalling te ondergaan en dient ook niet te zogen - zijn eigenschappen die jeugdigheid signaleren bij mannen minder aan de orde dan bij vrouwen. Vrouwen zullen mannen vooral taxeren op eigenschappen die van hen een goede partner, en zo mogelijk ook een goede vader, kunnen maken. Vroeger waren dat spieren en testosteron, want kracht en een zekere mate van agressiviteit waren nuttig bij de talrijke fysieke confrontaties in prehistorische tijden. Aan testosteron gerelateerde kenmerken, zoals ruige lichaamsbeharing, een stevige kin en brede voorarmen, waren gegeerd. Maar met het veranderen van de omgevingseigenschappen worden ook de kenmerken die van mannen goede partners maken bijgestuurd. Testosteron is minder aan de orde in onze op communicatie en diensten gestoelde maatschappij, waarin kracht nagenoeg alleen nog bij sportmanifestaties nuttig kan zijn. Vrouwen zijn geleidelijk mannen gaan kiezen met minder uitgesproken mannelijke kenmerken, zodat de moderne man er in vergelijking met zijn prehistorische voorzaat heel wat vrouwelijker uitziet. Als er één type kenmerken is dat goed ouderschap etaleert, zijn het vrouwelijke kenmerken. Er zijn - misschien gelukkig maar - ook kenmerken waar we minder greep op lijken te hebben, zoals geur. Dat komt deels doordat sommige geurstoffen, zoals feromonen, niet altijd een stevige indruk nalaten: we voelen niet bewust dat ze actief zijn. Sommige mensen worden, zonder dat ze precies beseffen waarom, door elkaar aangetrokken omdat ze goed matchende feromonen en andere lichaamsgeuren hebben. Hier zou expliciet naar een vorm van genetische veelzijdigheid gestreefd worden, in die zin dat mensen geuren aantrekkelijk lijken te vinden die gekoppeld zijn aan een type genetische afweer dat sterk van dat van henzelf verschilt. De logica daarachter is dat een mengeling van twee types afweer kinderen een bredere dekking tegen allerhande onheil kan verschaffen. Een element waarvoor al wat wetenschappelijke ondersteuning is gevonden, maar dat nog steeds voer is voor discussie en debat. De cosmetica-industrie probeert greep te krijgen op lichaamsgeuren. Er worden om de haverklap parfums op de markt gebracht die op de werking van feromonen zouden steunen, en waarvan de gebruiker zou profiteren door een onwaarschijnlijke verhoging van zijn aantrekkingskracht op het andere geslacht. Voorlopig is de greep van de industrie op de verborgen chemie van het menselijk lichaam evenwel te beperkt om een groot effect te hebben. De parfumindustrie lijkt eerder uit te blinken in het verbergen van kwalijke geurtjes dan in het promoten van geschikte lichaamsgeuren. En misschien maar goed ook, want er sluipen in de schoonheidswereld al genoeg mogelijkheden om valse kwaliteitssignalen te sturen. Het wordt steeds moeilijker om een 'eerlijk' - lees: biologisch verantwoord - oordeel over iemands kwaliteiten te vellen. Want de cosmetica-industrie is vooral goed geworden in het promoten van signalen bij vrouwen die jeugdigheid etaleren, zelfs jeugdigheid gekoppeld aan extra vruchtbaarheid. Het is ondertussen bekend dat de ontwikkeling van volle en wat rodere lippen in de puberteit, en van geprononceerde jukbeenderen en een blos op de wangen, gelinkt is aan een hormonenconstellatie die met goede kansen op vruchtbaarheid is geassocieerd. Meisjes met van nature vollere lippen en een blos zijn gemiddeld vruchtbaarder dan andere meisjes. Oordeel nooit voor 's ochtends, zou een gezonde waarschuwing kunnen zijn voor de op eerlijke signalen beluste man. Meisjes doen er uiteraard ook goed aan de indicaties van vermogen die een man etaleert op hun waarheidsgehalte te taxeren. Want ook daarin zijn de mogelijkheden om vals te spelen eindeloos groot. En een vrouw heeft zoveel meer te verliezen dan een man als ze een foute partnerkeuze maakt, precies omdat ze zoveel meer in de voortplanting moet investeren. DOOR DIRK DRAULANS