A.F. Th. van der Heijden, 'Engelenplaque. Notities van alledag 1966-2003', De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 494 blz., euro 25.
...

A.F. Th. van der Heijden, 'Engelenplaque. Notities van alledag 1966-2003', De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 494 blz., euro 25.Te Gussinklo en A.F. Th. Van der Heijden (°1951) zijn alle twee romantische zielen die de grote woorden niet schuwen. Van der Heijden heeft nu eveneens een fragmentarische autobiografie gepubliceerd, Engelenplaque, die afdaalt naar de tienerjaren en besluit met het gerijpte vakmanschap anno 2003 ( Homo duplex). Tot zover de verwantschappen tussen beide kunstenaarsnaturen die het er ook over eens zijn dat, aldus Van der Heijden, 'schrijven de allertraagste vorm van lezen is'. Van der Heijden begint in 1966 op het moment dat hij zich herinnert hoe hij als twaalfjarige zogezegd vrijt met een poster van Brigitte Bardot. Hij ontdekt zichzelf als schrijver wanneer hij de filosofische en psychologische studies aan de universiteit maar niets vindt. Het is duidelijk dat Van der Heijden het vooral van zichzelf moet hebben. En dat wordt in de loop van deze losse notities al te duidelijk. Meestal schreef Van der Heijden zijn kattebelletjes bij wijze van opwarming voor het echte werk. Vandaar dat hij zichzelf voortdurend zit op te jutten om toch maar te geloven in zijn uitverkoren schrijverschap. Dat hij zijn planning steeds weer bovenhaalt en zichzelf moed inpraat om zich niet te laten kisten door de kleine (een slecht gebakken roerei) en grote ongemakken (gezondheidsperikelen) van het dagelijkse leven. Van der Heijden ontpopt zich tot een jubelende stachanovist ('Hard werken schept de behoefte aan nog harder werken') die begin januari 2003 in een handomdraai het redactieschema voor deze notities plant. Zegge en schrijve 35 werkdagen (van 17 februari tot en met 31 maart 2003) had hij nodig om dit monument voor eigen grandeur drukrijp te maken: 'Uitgaande van 455 pagina's boekvorm en 35 werkdagen dien ik 13 pagina's per dag publicabel te maken.' Het is eraan te zien. Geef ons dan maar Te Gussinklo, die tenminste probeert een visie te ontwikkelen op zijn schrijverschap en terloops ook nog knappe inzichten biedt in het literaire ambacht van zijn collega's. Van der Heijden zit zich in deze notities vooral op te geilen aan de eigen schrijfdrift. Het is zoals een kind dat fluit in een donker bos om de angst voor het alleenzijn te bezweren. Zo lijkt Van der Heijden zich hier luid op de borst te trommelen om toch maar niet overmand te worden door twijfels aan zijn missie. Ligt de angst voor een writer's block misschien op de loer? Op deze manier zet Van der Heijden zich te kijk als iemand die solipsistisch in zijn eigen vacuüm overeind tracht te blijven door steeds maar driestere projecten op de rails te zetten. Voer dus voor fans, deze brallerige zelfenscenering van Van der Heijdens schrijverschap. Zijn echte romanwerk met zijn bizarre associatieve visioenen, zoals Homo duplex, is zoveel rijker dan deze notities. Daar werkt de zucht naar grootheid tenminste productief, terwijl die hier alleen maar zichzelf tot onderwerp heeft. F.H.