'I k heb mij gemoveerd.' Het waren de laatste woorden van Jan Frans Willems tegen intimus en lijfarts Fernand Snellaert. Zijn vrienden, onder wie Jan David en Jacob Grimm, maakten zich al langer zorgen om Willems' gezondheid. Willem Bilderdijk had eens iets geschreven over 'de ziekte der geleerden'. Willems en andere 19e-eeuwse literaten hechtten er geloof aan. Doch wellicht was het niet de 'ziekte der geleerden' maar een lichte beroerte die Willems enkele jaren voor zijn dood al had getroffen.
...

'I k heb mij gemoveerd.' Het waren de laatste woorden van Jan Frans Willems tegen intimus en lijfarts Fernand Snellaert. Zijn vrienden, onder wie Jan David en Jacob Grimm, maakten zich al langer zorgen om Willems' gezondheid. Willem Bilderdijk had eens iets geschreven over 'de ziekte der geleerden'. Willems en andere 19e-eeuwse literaten hechtten er geloof aan. Doch wellicht was het niet de 'ziekte der geleerden' maar een lichte beroerte die Willems enkele jaren voor zijn dood al had getroffen. Ondanks zijn wankele gezondheid ging hij op 24 juni 1846 toch naar het Gentse stadhuis om er, als hoofdman, de zaak van rederijkerskamer De Fonteine te bepleiten met betrekking tot de opvoering van Den Lasteraer ter gelegenheid van de kermis. De Fonteine, die traditioneel op kermiszondag optrad, was door het stadsbestuur opzijgezet voor een Duits gezelschap en op maandag geprogrammeerd. Dat kon Jan Frans Willems niet over zijn kant laten gaan en hij had zich tijdens de confrontatie met het stadsbestuur behoorlijk opgewonden - gemoveerd. Op weg naar huis trof hem de fatale beroerte. Zijn begrafenis drie dagen later paste geheel bij zijn status van 'Vader van de Vlaamse Beweging'. Zijn kompaan, de dichter Prudens van Duyse, zette alle registers open: ' Gy, Vader Willems, uw gedachtnis blijft geheiligd, / Zoo lang de Vlaemsche spraek het Vlaemsche volk beveiligt, / Voor val en Ondergang - Welk een benijdbaer loon.'Ruim een halve eeuw later, op 27 augustus 1899, nagenoeg een jaar na de goedkeuring van de Gelijkheidswet die het gebruik van het Nederlands in de wetgeving op gelijke voet bracht met het Frans, had de Antwerpse burgemeester Jan van Rijswijck het bij de inhuldiging van het monument voor Jan Frans Willems op het Gentse Sint-Baafsplein nog steeds over 'Vader Willems'. Die Jan Frans Willems (Boechout 1793 - Gent 1846), tijdens zijn leven al tot vader van de Vlaamse Beweging uitgeroepen, heeft eindelijk een volwaardige biografie gekregen. Auteur Ludo Stynen, die zes jaar geleden al uitpakte met De taal was gans het volk, een uitstekende biografie van schrijver Tony Bergmann, moest via Lier onvermijdelijk bij Jan Frans Willems belanden. De jonge Jan Frans Willems verbleef immers een tijdje in Lier en was bevriend met de familie Bergmann. Zijn jongere neef trouwde naderhand met de zuster van Tony Bergmann. Een van diens zonen huwde met de Franstalige schrijfster Marie Gevers, van wie de zoon Paul Willems eveneens een spoor trok in de Franstalige letteren. Zou Jan Frans Willems de voortrekker van de Vlaamse Beweging zijn geworden mocht zijn vader niet door het Franse bestuur uit zijn functie van ontvanger en landmeter zijn ontslagen, wegens diens ontoereikende kennis van het Frans? Dat het ontslag van zijn vader, en het onvermijdelijke verlies van welstand dat daarop volgde, de kleine Jan Frans hebben aangegrepen, mag al blijken uit het hekeldicht dat hij als veertienjarige schreef over ' het wangedrag des Mairs (van Boechout) en van zyn Schelmenstoet'. Wanneer Willems later, als orangist, door het Belgische Voorlopig Bewind naar Eeklo werd verbannen als receveur de l'Enrégistrement et des Domaines - hij moest daarbij noodgedwongen het grootste deel van zijn ontzaglijke bibliotheek in Antwerpen achterlaten - is daar weer de herinnering aan wat zijn vader overkwam. En Willems schreef aan een van zijn vrienden: ' Het gouvernement te Brussel, my de oprechte Vlaemsche tael willende doen kennen, aengezien men hier Antwerpsch spreekt, heeft in zyn wysheid goedgevonden my naer Eecloo te verplaetsen.' Zijn vrouw Lo, die uit een welgestelde familie stamde, was in Eeklo diepongelukkig. Zijn kinderen, als ze al niet stierven aan kinkhoest en andere kwalen, vonden er nauwelijks geschikt schoolonderricht. Maar Willems weigerde te buigen en schikte zich in zijn lot. Zijn orangisme en zijn inzet voor het Nederlands als cultuur- en bestuurstaal waren bij de nieuwe Belgische machthebbers bekend. In 1818 al, in zijn Aen de Belgen had hij zijn programma samengevat: ' Zijne Moedertael te verdedigen tegen den lasterlyken aanval haerer onkundige vyanden, door haere schoonheden en de verdienstelyke, zoo Hollandsche als Belgische lettervrugten, zyner landgenooten te leeren kennen en waerderen.' En Willems had er, geen geheim makend van zijn loyaliteit aan koning Willem, aan toegevoegd: ' Gy hebt een Koning die der Vadren deugden heeft; In Wien een Neerlandsch hart en zugt voor weldoen, leeft.' Een jaar voor de Belgische revolutie had hij in De la langue belgique Sylvain van de Weyer, een van de kopstukken van het Voorlopig Bewind, van antwoord gediend nadat die zich laatdunkend had uitgelaten over het gebruik van het Vlaams. Jan Frans Willems was dan ook aangestoken door het voorbeeld van de echte vader van de Vlaamse Beweging, Jan Baptist Chrysostomos Verlooy en diens in 1788 gepubliceerde Verhandeling op d'onacht der moederlyke tael in de Nederlanden. Willems' Aen de Belgen was overigens geheel doortrokken van de ideeën van Verlooy, maar ook van de encyclopedisten en vooral van Johann Gottfried Herder, de Duitse dichter-filosoof en inspirator van het 19e-eeuwse nationalisme. Al werd hem in het verleden vaak opportunisme aangewreven, toch is Willems nooit van die lijn afgeweken, ook niet nadat hij zich had neergelegd bij de Belgische werkelijkheid. Zijn vaderland was hem, zoals voor zijn leermeester Verlooy, nooit te klein en de band met de Nederlandse vrienden bleef hij strak aanhouden. Zijn ballingschap had hem nog in zijn overtuiging gesterkt. Hij had vastgesteld dat van de 8600 inwoners van Eeklo er niet eens 300 Frans verstonden en nauwelijks 100 in staat waren die taal te spreken. Wat niet belette dat de Eeklonaars in het Frans werden ' gegouverneerd, gesommeerd, geëxploiteerd en geexecuteerd'. Maar Willems had er ook geleerd dat na jaren van Frans regime, met Franse ambtenaren en Franse tribunalen, ' de franse tael geen enkele voet gronds op het nederduitsch heeft aengewonnen'. Uitgerekend in het 'allerellendigste Eeklo' bracht Willems, aangespoord door het voorbereidende werk van Duitse vrienden als Jacob Grimm en August Heinrich Hoffmann von Fallersleben, zijn meesterwerk tot stand: Reinaert de Vos, naer de oudste beryming, in 1834 uitgegeven in Eeklo, door een plaatselijke drukker. In Brussel werd intussen dan wel aan zijn terugkeer naar Gent gewerkt. Hij kreeg zelfs de steun van zijn oude tegenstander Sylvain van de Weyer, die Willems' zaak bepleitte bij minister van Financiën Edouard d'Huart. Doch het Voorberigt bij zijn Reinaert - 'na La Divina Commedia het beste werk dat de middeleeuwen hebben opgeleverd' - kwam neer op, zoals Leo Stynen terecht aanstipt, een regelrecht manifest van de nog niet bestaande Vlaamse Beweging. Een manifest waar Jan Frans Willems nooit meer van afweek. Bovendien bestempelde de bekende Nederlandse filoloog en boekwetenschapper Wytze Gerbens Hellinga de nieuwe berijming van het Reynaertepos door Jan Frans Willems, en de daarbij geëtaleerde liefde en kundigheden, als 'het beste van een onvergankelijke Vlaamse traditie'. Om maar te zeggen dat deze biografie op zijn tijd kwam. LUDO STYNEN, JAN FRANS WILLEMS. VADER VAN DE VLAAMSE BEWEGING, ANTWERPEN, DE BEZIGE BIJ, 34,95 EURO. Rik Van Cauwelaert