'Elke schrijver heeft zijn ontwikkelingsroman of zijn Portrait of the Artist as a Young Man', grimlacht Edward St Aubyn. 'Het verschil tussen die anderen en mij is dat ik doorging omdat één boek niet voldoende bleek.' Het valt best te begrijpen wanneer je het levensverhaal van de man te horen krijgt. Als telg van een adellijke familie met een stamboom tot de vroege zeventiende eeuw leek de kleine Edward een zonnige toekomst tegemoet te gaan. Ware het niet dat zijn gewetenloze bruut van een vader een oogje op hem liet vallen. Hij misbruikte de jongen jarenlang, en zwoer dat hij hem zou vermoorden als hij ook maar een woord zou lossen over hun geheim. Het kind gehoorzaamde, maar ging er psychisch aan kapot. Edward werd een in zichzelf gekeerde jongen, en later een heroïneverslaafde die vergeefs probeerde zijn verleden weg te spuiten. Pas na vijf jaar psychoanalyse en de dood van zijn boeman slaagde hij erin zijn gevoelens op papier te zetten. Over een periode van bijna twintig jaar schreef hij vijf romans die zijn kwelling, neergang en opstanding beschrijven. Voor het eerst zijn ze in één band verzameld: De Patrick Melrose-romans.
...

'Elke schrijver heeft zijn ontwikkelingsroman of zijn Portrait of the Artist as a Young Man', grimlacht Edward St Aubyn. 'Het verschil tussen die anderen en mij is dat ik doorging omdat één boek niet voldoende bleek.' Het valt best te begrijpen wanneer je het levensverhaal van de man te horen krijgt. Als telg van een adellijke familie met een stamboom tot de vroege zeventiende eeuw leek de kleine Edward een zonnige toekomst tegemoet te gaan. Ware het niet dat zijn gewetenloze bruut van een vader een oogje op hem liet vallen. Hij misbruikte de jongen jarenlang, en zwoer dat hij hem zou vermoorden als hij ook maar een woord zou lossen over hun geheim. Het kind gehoorzaamde, maar ging er psychisch aan kapot. Edward werd een in zichzelf gekeerde jongen, en later een heroïneverslaafde die vergeefs probeerde zijn verleden weg te spuiten. Pas na vijf jaar psychoanalyse en de dood van zijn boeman slaagde hij erin zijn gevoelens op papier te zetten. Over een periode van bijna twintig jaar schreef hij vijf romans die zijn kwelling, neergang en opstanding beschrijven. Voor het eerst zijn ze in één band verzameld: De Patrick Melrose-romans. 'Schrijvers voelen de behoefte om hun identiteit uit te drukken', vertelt St Aubyn. 'Misschien had ik ook wel kunnen debuteren met een roman die zich in een Chinese wasserij afspeelt, maar jammer genoeg moest ik de waarheid vertellen. Niet dat ik schreef bij wijze van therapie. Dat wou ik niet. Therapeutisch schrijven is ook solipsistisch schrijven. Als schrijver mag je nooit vergeten dat je voor een publiek werkt dat net zo goed iets anders zou kunnen doen: een ánder boek lezen, of tv-kijken. Een kunstwerk maken is iets heel anders dan je hart luchten. Nee, als je een boek schrijft, moet je een verhaal vertellen dat mensen boeit. Daarom heb ik mijn boeken in de derde persoon geschreven, en niet in de eerste. En dat ik elke roman laat spelen op één dag en op één plaats, waardoor het verhaal netjes ingeperkt wordt en het niet alle kanten op kan lekken. Deze boeken schrijven heeft me destijds niet gelukkiger gemaakt, het maakte alles alleen maar erger. Pas toen het laatste deel klaar was, voelde ik enige sereniteit.' EDWARD ST AUBYN: Steeds minder, denk ik. Patrick is altijd mijn alter ego geweest met een specifiek doel voor ogen. Hij was het middel dat me in staat stelde een deel van mijn levensverhaal te vertellen. Bovendien heb ik er twee decennia over gedaan om de vijf romans te schrijven. Op het eind was ik niet meer de man die ik in het begin was. Het schrijven heeft me veranderd. Tegen de tijd dat ik Eindelijk schreef, het laatste deel, had ik bijna de helft van mijn leven schrijvend doorgebracht. Trouwens, ik heb van Patrick een advocaat gemaakt. Anders had ik mezelf te veel tot zelfreflectie gedwongen, en daar had ik geen zin in. Bovenal wilde ik een vehikel om de meest pregnante vragen te kunnen stellen waar we allemaal mee zitten: wie zijn we, waar zijn we, en kunnen we daar iets aan veranderen? Ik denk niet dat er ooit iemand door het leven is gegaan zonder zich af te vragen of hij het resultaat is van zijn familie, cultuur en taal. Anders gezegd: bestaat persoonlijke vrijheid wel? Dat is de vraag die de vijf Melrose-boeken drijft. ST AUBYN: Zolang hij leefde, was ik alleen maar bezig met strijd te leveren met hem - of met heroïne spuiten, natuurlijk. Fysiek en psychisch was ik niet in staat om een roman te schrijven. Ik ben er aan vier begonnen, waarvan ik er geen enkele heb afgewerkt. Keer op keer schreef ik angstvallig rond het verhaal van mijn kindertijd heen. Het waren intellectuele spielereien zonder inhoud of urgentie. Ik wist wel dat ik over mijn verleden moest schrijven voordat ik tot iets anders in staat zou zijn, maar inderdaad: mijn vader moest eerst dood zijn omdat ik ons geheim niet mocht verklappen. Hij zou me vermoorden als ik het ooit zou vertellen, had hij gezegd. Hij was ertoe in staat geweest. Hij schoot ooit iemand door het hoofd omdat hij niet gedaan had wat hem was opgedragen. ST AUBYN: Iemand zonder enige vorm van moraal is inderdaad impressionant. Wij normale mensen weten dat er allerlei dingen zijn die we niet mogen doen, en dat brengt ons in sommige situaties in een zwakke positie. En toch is het beter om een geweten te hebben dan om een psychopaat te zijn. Mijn vader was inderdaad een uitzonderlijke man: psychisch gestoord, sadistisch, een moordenaar en een pedofiel - letterlijk 'slecht nieuws', zoals de titel van het tweede Melrose-boek luidt. ST AUBYN: Mijn moeder en zus steunden me helemaal. Maar mijn halfzussen uit mijn vaders eerste huwelijk konden er helemaal niet mee overweg. Voor hen was het laster. Tussen het tekenen van het contract met de uitgever en het verschijnen van de roman was ik hypernerveus. Zowat elke dag belde ik de uitgeverij omdat ik de roman wou tegenhouden, maar toen er opgenomen werd, verbrak ik de verbinding. Ik verlangde niets liever dan dat de roman zou verschijnen, maar tegelijk was er niets dat ik meer vreesde. Twee keer ben ik door dat conflict zomaar flauwgevallen. Uiteindelijk werd het boek gepubliceerd, maar ook dat was nog niet het einde van het verhaal. Ik voelde dat ik mijn schaamte op de wereld projecteerde en verwachtte dat ik aangevallen zou worden omdat ik een walgelijk mens was. Ik dacht dat ik elk moment vermoord zou worden. ST AUBYN: Enerzijds schreef ik over zaken die ik niet uit mijn gedachten kon bannen en die altijd als een bom op ontploffen stonden. Soms begon ik op straat ineens te kokhalzen, of ik kreeg stuiptrekkingen omdat een herinnering naar boven kwam. Het voelde aan alsof mijn geheugen zich tegen me keerde. Schrijven was voor een stuk een poging om mijn herinneringen meester te worden. Dat maakt van deze romans meer opgravingen dan constructies. En eens ik voorbij de ergste herinneringen geraakt was, die altijd tot paniek of ontwijking hadden geleid, ontdekte ik nieuwe zaken uit mijn verleden. ST AUBYN: Zeker. In het laatste hoofdstuk van het laatste boek laat ik Patrick tot het inzicht komen dat zijn ouders geen baarlijke duivels waren, en dat zij misschien nog veel meer gekwetst waren dan hij. Zo denk ik er nu over. Ik heb verschillende stadia doorlopen: van haat en woede via afstandelijkheid en neutraliteit tot een gevoel van tederheid. Ik probeerde me voor te stellen wat het betekende om mijn vader en moeder te zijn. Ik was ontroerd toen ik besefte hoe ongelukkig en verward zij waren, en wat voor een miserabel bestaan zij hadden geleid. ST AUBYN: Ik heb geen keuze. Dat ik de wereld tegelijkertijd ongelooflijk ernstig én absurd vind, zie je ongetwijfeld aan mijn boeken. Dat is het psychische grensgebied waarin ik leef, en ik kan me niet voorstellen dat het ooit zal veranderen. Alleen de verhoudingen veranderen. Het ene boek is al ernstiger dan het andere, maar zonder humor schrijven kan ik niet. Als ik te lang ernstig ben, begin ik onrustig te worden, en wanneer mijn humoristische scènes te lang doorgaan ook. Het afwisselen tussen die twee is mijn natuurlijke ritme. ST AUBYN: Ongetwijfeld. Als kind voelde ik me geïsoleerd, en als adolescent en jonge volwassene was het niet anders. Niemand wist wat me overkomen was, en ik kon het aan niemand vertellen. Mijn innerlijke leven was zo chaotisch, zwart en niet-mededeelbaar dat humor er een belangrijke rol in ging spelen. Mijn belangrijkste manier van communiceren werd imitatie. Op school imiteerde ik onophoudelijk bekende Britten, in zoverre dat ik bijna nooit mijn eigen stem gebruikte - ik wist op dat moment niet echt wat mijn eigen stem wás. Ik speelde altijd een rol, en beperkte me tot commentaar geven op wat anderen zeiden. Ik kon me achter die stemmen terugtrekken. Eigenlijk zei ik nooit meer iets waarachtigs, zelfs niet tegen mijn beste vrienden. Mijn imitaties, en bij uitbreiding mijn humor, waren dus manieren om mezelf af te schermen van de buitenwereld. Pas later begonnen ze me van pas te komen, bij het schrijven. Maar het begon als een pathologie. ST AUBYN: Het is niet alleen een Brits fenomeen, denk ik. De onderliggende mentaliteit om je van anderen te onderscheiden is universeel. Al geef ik toe dat die mentaliteit daar een heel specifieke vorm heeft aangenomen, en dat je niet over Engeland kunt schrijven zonder er klasse bij te betrekken. ST AUBYN: Wat wil men met het klassenonderscheid bereiken? Andere mensen uitsluiten, om zich te bevrijden van de ethische plicht tot empathie en solidariteit. Je hoeft niet meer in te zitten met het ongeluk van de ander. Meer zelfs: je mag het grappig vinden. Maar als je het idee van status uit je leven weert, ontsnap je aan om het even welke klasse waartoe je behoort. De volgende stap is de waarden en attitudes van andere mensen aanvaarden. En hoe meer we ons richten op wat we gemeen hebben, hoe dodelijker voor het idee van klassenverschillen. We beslissen dus zelf of we in een klasseloze maatschappij willen leven of niet. Edward St Aubyn, De Patrick Melrose-romans, Prometheus, 848 blz.,19,95 euro.DOOR MARNIX VERPLANCKE'Soms begon ik op straat te kokhalzen omdat er een herinnering naar boven kwam. Het voelde aan alsof mijn geheugen zich tegen me keerde.'