Achttien jaar lang kleurde Marc Janssens mee het nationale en internationale veldrijden. Hij leek in 1987 de poort naar een grote carrière open te breken toen hij in het Tsjechische Mlada Bolesav wereldkampioen werd bij de juniores. Maar de status van echte toprenner verwierf Janssens nooit. Ook al draaide de Kempenaar jaren met de besten mee en werd hij onder meer vier keer Belgisch kampioen.
...

Achttien jaar lang kleurde Marc Janssens mee het nationale en internationale veldrijden. Hij leek in 1987 de poort naar een grote carrière open te breken toen hij in het Tsjechische Mlada Bolesav wereldkampioen werd bij de juniores. Maar de status van echte toprenner verwierf Janssens nooit. Ook al draaide de Kempenaar jaren met de besten mee en werd hij onder meer vier keer Belgisch kampioen. Eind vorig seizoen zette Marc Janssens (34) een punt achter zijn carrière. Drie maanden later mocht hij aan de slag bij De Post. De knagende stress van vroeger maakte na meer dan 1200 crossen plaats voor meer rust. Janssens rijdt fluitend naar zijn werk, ook al moet hij iedere ochtend om kwart over vijf beginnen. Hij geniet van een leven met andere opportuniteiten. Toch heeft Janssens de draad met het veldrijden niet doorgeknipt. Een paar maanden geleden vroeg VTM hem mee commentaar te geven tijdens de wedstrijden om de Superprestige. Janssens twijfelde: 'Ik wilde met mijn familie eindelijk wel eens ombekommerd naar een veldrit gaan kijken. Ze hebben me genoeg weekends moeten missen. Maar uiteindelijk liet ik me overhalen om het toch eens te proberen, een paar weken geleden tijdens de eerste wedstrijd voor de Superprestige in Ruddervoorde. Toen ik mezelf achteraf terughoorde, was ik heel ontevreden. Ik vond dat ik te veel had herhaald en dat er te veel haperingen in zaten. Alleen: van de anderen kreeg ik uitsluitend positieve echo's. Ook van VTM. Dus ga ik er maar mee door.'Het is voor Marc Janssens ook een blijk van waardering na een lange carrière waarin hij niet door iedereen in het hart werd gesloten. Want Janssens was altijd rechtuit en ging niemand uit de weg. Talrijk zijn de controverses waarbij hij betrokken was. Maar de oud-veldrijder staat er niet meer bij stil. 'Ik ben niet iemand die in het verleden leeft', zegt hij. Marc JANSSENS: 'Ik was het veldrijden absoluut niet moe. In mijn laatste seizoen won ik nog vijf wedstrijden. Ik vind het belangrijk dat je stopt als je nog enigszins op niveau bent. Niet zoals bijvoorbeeld Paul Herijgers die op het einde van zijn carrière zelfs geen wedstrijd meer kon uitrijden. Natuurlijk hoorde ik niet meer bij de besten, dat had te maken met een aantal lichamelijke ongemakken. Mijn rug was zodanig verzwakt dat die mijn bekken scheeftrok. Telkens als mijn bekken kantelde, kreeg ik een helse pijn in die rug. Er waren uitstralingen naar de benen, ik liep er soms bij als iemand van tachtig jaar. Dan moet je kiezen. Nu ik geen topsport meer doe, heb ik geen last meer. Bovendien was het na achttien jaar welletjes geweest.' JANSSENS: Het plezante is weg. Dat heeft te maken met de grote financiële belangen van de sponsors. Hoe meer geld er circuleert, hoe minder gezellig het wordt. Ook onder de renners. Tot voor een paar jaar kleedde je je nog samen om, er werd gelachen en gedold, het ging er heel ontspannen toe. Nu komen veel renners met een mobilhome naar de wedstrijd, de contacten zijn minder, je ziet alleen maar stress. Het spontane is helemaal weg, want er moet gewonnen worden. In iedere wedstrijd opnieuw. De tijd dat je al eens iemand laat gaan, dat je geeft en neemt, die is voorbij. Zelfs ploegmaats rijden tegen mekaar. Sven Nys gaat echt niet Richard Groenendaal laten winnen. En omgekeerd gebeurt dat ook niet. Renners kunnen ook veel minder verdragen van mekaar. JANSSENS: Absoluut. Ze rijden gewoon vijf kilometer per uur rapper. Als je nu op televisie naar de samenvattingen kijkt en je ziet welke snelheden er worden ontwikkeld, dat is waanzinnig. In vergelijking daarmee zijn de wedstrijden van vroeger net een trage film. Wat iemand als Roger De Vlaeminck daarover ook mag vertellen. Vroeger kon je bij wijze van spreken drie keer naast je pedaal trappen en je zat nog vooraan, nu moet je maar één misstap begaan en je bent gelost. De renners zijn ook veelzijdiger geworden, ze gaan op alle circuits tot het uiterste. De wil en de drang om te presteren zijn groter dan ooit. Dat heeft ook te maken met de televisie, er zijn veel rechtstreekse uitzendingen, de renners willen niet afgaan, ze willen in beeld komen. Snipperdagen bestaan niet meer. JANSSENS: In principe moet het mogelijk zijn om vier maanden lang tegen negentig procent van je conditie te zitten. De kunst is dan om zo goed te pieken dat je in de belangrijke ritten aan honderd procent komt. Zoals Mario De Clercq dat vorig seizoen is gelukt. Daardoor maak je het bijvoorbeeld mee dat Sven Nys in de kampioenschappen net iets te kort komt. Omdat hij er al van in het begin van het seizoen wil staan en dan steeds weer stuit op renners die iets andere accenten leggen. Zoals De Clercq of Erwin Vervecken. Die hebben voor dat soort wedstrijden net een tikkeltje meer overschot dan Nys, die dan ook niet altijd bestand lijkt tegen de stress. JANSSENS: Het is indrukwekkend zoals hij rijdt. Alles heeft bij hem te maken met zijn beroepsernst. Nys haalt zijn kracht uit de manier waarop hij voor zijn sport leeft. Niemand die alles zo wegschuift voor het veldrijden als Nys. Bovendien zit hij in een goeie entourage: een uitstekende ploeg, een familie die achter hem staat, een vrouw die zich voor hem wegcijfert. JANSSENS: Dat zie ik anders: ik vind niet dat Nys zo heel erg getalenteerd is. Hij kan wel goed over de balken springen en is stuurvaardig, maar er zijn renners met meer zuivere klasse dan hij. Bart Wellens bijvoorbeeld, die heeft de helft meer talent dan Nys. Wat is uiteindelijk talent? Met heel weinig veel kunnen doen. Wellens is daartoe in staat. Terwijl Nys iemand is zoals Adri Van der Poel: laat hem een dag minder trainen en hij wint niet meer. Waarmee ik niet wil zeggen dat Wellens er niet voor leeft. Hij is alleen een ander type renner. Hij kan twee wedstrijden na mekaar winnen en vervolgens zie je hem twee weken niet meer. Ik was vroeger ook zo, ik kon geen maand aan een stuk goed rijden. Dat heeft te maken met je bioritme, dat kan je niet veranderen. JANSSENS: Vervecken heeft volgens mij het meeste talent van allemaal. Ik heb die vroeger al met heel weinig training onvoorstelbare dingen zien doen. Hij is pas de afgelopen twee jaar helemaal opengebloeid, sinds hij in de ploeg van SpaarSelect zit. Je mag niet vergeten: veel veldrijders zijn alleen, het zijn een beetje zelfstandigen. Voor de trainingen ben je uitsluitend op jezelf aangewezen, je doet een beetje je zin, als er maar af en toe een resultaat is. Zo deed Vervecken het ook jarenlang. Bij SpaarSelect heeft hij nu een paar ploegmaats. Dat betekent: je traint samen, je kijkt naar de anderen en probeert daar het beste voor jezelf uit te halen. Zo groeide hij uit tot een echte toprenner. Laat misschien, maar het zijn de omstandigheden die dat bepaalden. JANSSENS: Omdat hij pas laat de weg naar het veld vond. Ik herinner me dat er aanvankelijk over hem heel schamper werd gedaan. Zo van: wat komt die hier doen? De Clercq trok zich daar allemaal niets van aan. Het feit dat er nu zoveel snelle veldritten zijn, speelt natuurlijk in zijn voordeel. En hij drijft op een enorme inzet, De Clercq gaat even gedreven op zoek naar een overwinning in een B-cross als in een wereldkampioenschap. JANSSENS: Wat is daar verkeerd aan? De Clercq kan meer op reserve rijden dan iemand anders. Als je met hem de laatste ronde ingaat, dan ben je geklopt. Dan speelt hij het leep, dan haalt hij zijn trukendoos boven. Als je dat wilt verhinderen, moet je maar zien dat je hem uit het wiel kegelt. Los daarvan straalt De Clercq weinig enthousiasme uit. Hij kijkt stug, hij praat nauwelijks met zijn supporters, hij heeft daar geen behoefte aan. Dat moet je respecteren. Al ben ik het nooit met De Clercq eens geweest als het over de omlopen ging. Hij pleit voor spectaculaire circuits, waarin de snelheid heel hoog ligt. Terwijl je een veldrit moet nemen zoals het is: de ene week rij je in de modder, de andere in het zand. Je laat de natuur gewoon zijn werk doen. Je maakt de Ronde van Frankrijk toch ook niet plat. En je haalt de kasseien toch ook niet uit Parijs-Roubaix. Waarom zou je in een veldrit geen honderd meter meer mogen lopen? Je moet niet aan de karakteristiek van een omloop willen sleutelen om het sneller te maken. Het is veldrijden. En niet veldvliegen. JANSSENS: Dat is typisch Adri Van der Poel. Die zit in de commissie van de internationale wielerfederatie (UCI) en wij hebben vorig seizoen vaak tegen mekaar gezegd: als Van der Poel in die commissie komt, dan gaan we nog wat meemaken. Ik zeg altijd: verander aan de cross wat je wilt, de goeien zitten altijd vooraan. Ongeacht volgens welke procedure je de start laat verlopen. De eerste tien zijn dezelfden. Maar de volgorde kan natuurlijk wel veranderen. Zeker als de aanloop voor je het veld in duikt te kort is. Dan zal een Vervecken, die op de derde rij moet starten, nog moeilijk bij de eerste drie komen. Dat kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn. Van der Poel wil andere landen naar voren halen en die gasten wat moed geven, maar dat zal niets helpen. Je maakt van iemand geen renner door hem op de eerste rij te laten starten. Dat systeem heeft iets tegenstrijdigs. Iedereen doet zijn best om zo goed mogelijk te worden. Maar als je dan goed bent, word je benadeeld omdat er toevallig twee landgenoten nog beter zijn. Dan zeg ik: je pakt de boterham van bepaalde renners af. JANSSENS: Het enige wat hij daarmee heeft bereikt, is dat er in het begin van de wedstrijd heel even andere renners in beeld komen. En voor de rest: veel miserie, stoempen, duwen, vallen. Maar daar komen de mensen niet voor. De Belgen protesteren nu tegen die maatregel, ik betwijfel of het veel zal uithalen. JANSSENS: Ik vind dat een goeie zaak. De Bie is een vakman. Hij praat niet veel, maar hij werkt hard. En hij leidt renners op, hij luistert naar iedereen, hij geeft zijn materie door. Je hoeft geen groot renner geweest te zijn om een goeie bondscoach te worden. Kijk naar José De Cauwer, die kan iemand mentaal zo opladen, dat hou je niet voor mogelijk. Hij kan voor een wereldkampioenschap weten dat je maar conditie hebt om 100 kilometer mee te gaan, maar dan praat hij zo op je in dat je die 260 kilometer uitrijdt. JANSSENS: Ik kwam nooit zo goed overeen met De Vlaeminck. Hij lag me niet. De Vlaeminck is zeven keer wereldkampioen geweest en ik kreeg altijd het gevoel dat hij uit de grond van zijn hart hoopte dat niemand die prestatie zou evenaren. Hij kon als geen ander over die balken springen, maar ik heb nooit geweten dat hij dat iemand heeft aangeleerd. Hij gaf de renners geen tips. Terwijl dat toch precies de taak is van een bondscoach: je renners beter maken, je eigen ervaring aan hen doorgeven. Maar De Vlaeminck dacht: alles wat ik ken, dat hou ik voor mij, jullie zoeken het zelf maar uit. Alleen de laatste jaren is hij wat veranderd, dan wilde hij al eens iets aanleren. Ik had ontzettend veel moeite met De Vlaeminck. Niet alleen ik, ook de andere renners. We hebben ooit een petitie tegen hem getekend, met alle renners, dat doe je niet zomaar. Bovendien kwam het verleden van Eric ook bij vele ouders slecht over. Ze zeiden: moet ik mijn zoon in die handen geven? Je kan niet geloven voor hoeveel discussiestof dat zorgde. Dat was natuurlijk hard voor hem, hij kon daar moeilijk mee leven. En hij rea- geerde soms raar, roepen dat je niet wil dat De Bie je opvolger wordt, dat is onbegrijpelijk, dan slaan de stoppen door. In feite heeft De Vlaeminck zichzelf buitenspel gezet. Maar het veldrijden in België zal ook zonder hem blijven bloeien. Daarvoor is er genoeg talent. JANSSENS: Nee. Ik heb eind februari mijn laatste wedstrijd gereden en toen een afscheidsfeest gegeven. De dag nadien liet ik me inschrijven om te gaan stempelen. Intussen zocht ik werk. Tot ik in juni bij De Post aan de slag kon. Ik had altijd gezegd: na mijn carrière wil ik facteur worden. Met de fiets de post bezorgen, altijd buiten, dat sprak me aan. Ik heb me die keuze nog niet beklaagd. Ik praat graag met de mensen. Dat kost natuurlijk tijd, maar ik blijf altijd binnen het schema, dat is bij De Post strak uitgemeten. Uiteindelijk kan ik nog altijd een stukje met de fiets rijden. Zelfs als die volgeladen is. Ik blijf mijn fiets de baas, met vijftien kilo bagage rij ik gewoon twintig meter achteruit, de anderen geloven hun ogen niet. En ik rij altijd door het veld, terwijl mijn collega's een omweg maken omdat ze schrik hebben in een put terecht te komen. Maar ik pak in alle omstandigheden de kortste weg. Dat zit erin van de cross. Jacques Sys