Foto's Maria Fialho
...

Foto's Maria FialhoLellos Demetriades, ex-burgemeester van Lefkosia: 'Je hebt hier nescafé, en je hebt koffie. Grieken noemen dat Griekse koffie en Turken Turkse koffie en Arabieren Arabische koffie. Noem het Cypriotische koffie. Belangrijk is hoeveel suiker erin moet: geen, veel, een beetje. Als je, zoals de meesten, een beetje suiker in je koffie wilt, zeg je in 't Grieks: metrios. In 't Turks zeg je orta. Als je dat doet, weet iedereen wat je bedoelt, en ook dat jij dat weet.' Lefkosia is Grieks Nicosia, en Levkosa is Turks Nicosia, en Nicosia is de naam die de kruisvaarders er indertijd op gekleefd hebben. Cyprus hoort, als je maar naar de kaart kijkt, helemaal niet bij Europa. Veeleer zit het in het Midden-Oosten, ter hoogte van Libanon. In de oksel van Midden-Oosten en Klein-Azië, dat naar het noorden toe zijn schaduw uitstrekt. De Turkse haven Mersin ligt oneindig veel dichter bij Nicosia dan de dichtst- bijzijnde Griekse, laat staan Europese haven. Tenzij Turkije bij de Europese Unie komt. Maar in de grauwe oertijd, toen Europa nog niet bestond en de Feniciërs het alfabet uitvonden, waren de verhalenvertellers Grieken. Cyprus, zeiden de Grieken, was het eiland van Afrodite, de godin van de liefde die geboren was uit het schuim van de zee en door de westenwind (de Zefier) op een grote schelp gezet en naar Cyprus geleid, waar zij bij Pafos aan land ging. Sindsdien, en omdat de notie Afrodite later door de Romeinen in Venus vertaald werd, heten die schelpen venusschelp. Het eiland zelf heet Cyprus, veel prozaïscher, naar zijn kopermijnen die al in de Oudheid bestonden. Niet zozeer voor die mijnen was het van strategisch belang, maar meer omdat het in de weg lag voor schepen die van bijvoorbeeld Griekenland naar de Levant gingen. Naar Libanon of Syrië, of zelfs naar Egypte. Die legden aan in, bijvoorbeeld, Pafos, nu een stadje op de westkust van het eiland. Niet alleen Grieken. De Romein Cicero, redenaar-politicus, was nog een tijd gouverneur in Pafos. Dan woonde hij ongetwijfeld in een villa in de verkaveling die nu tussen de haven en de vuurtoren ligt. In 1962 was daar nog een boer bezig, want 't kan verkeren. Al ploegende stootte die op hinder, en dat bleek een mozaïek te zijn. Intussen is een halve wijk blootgelegd met heel bijzondere vloermozaïeken, huis per huis. Jachttaferelen, mythologie, planten en dieren zijn van onder het zand gekomen. En men vermoedt meer onder het braakland tussen de strip van opgravingen die nu half voltooid is, en de vuurtoren. Na de Feniciërs en de Grieken kwamen de kruisvaarders naar Cyprus, dat lag in de weg op hun tocht naar het Heilige Land. Met name Richard Leeuwenhart, die het eiland na plundering verkocht aan de Tempelridders, wat een bescheiden voorafschaduwing lijkt van wat de Britten na de Tweede Wereldoorlog zouden doen. De Tempeliers dachten Cyprus verder uit te zuigen, maar kregen in plaats daarvan een opstand aan hun broek. Toen die neergeslagen was, gaven ze het eiland maar terug aan Richard, die Cyprus nog eens verkocht, deze keer aan Guy de Lusignan, de Franse held die de laatste kruisvaarder-koning van Jeruzalem was tot Saladin hem eruit trapte. Cyprus dan maar, zei de Lusignan, en dat was het begin van de katholieke dynastie van Lusignaanse koningen. Bij de oostelijke havenstad Famagusta staan de ruïnes van hun kerken en kapelletjes mooi gegroepeerd. Deze Lusignans moeten een behoorlijk corrupt en volgevreten zootje geweest zijn, daar in de niet echt onschuldige oksel van het oude Byzantijnse rijk. Zij voerden zonder problemen de titel 'koning van Cyprus en Jeruzalem', en hielden het uit tot de vijftiende eeuw, de Genuezen waren al gekomen en weer weg, toen vanuit Egypte de Mammelukken binnenvielen. En daarna de Venetianen. En daarna de Ottomanen, in 1570. De Ottomanen brachten een inwijking van Turkse bevolking uit Anatolië op gang. Uit die tijd dateert de verdeling van Cyprus tussen twee gemeenschappen, een orthodox Griekse en een isla- mitisch Turkse. Drie eeuwen later, in 1878, kwamen de Britten. Die hadden een deal met Istanbul over Cyprus, in verband met hun alliantie tegen de Russen. En hielden tegelijk één oog op Egypte gevestigd. Twijfelt er nog iemand aan dat Cyprus Europees is? Zoals de Britten in hun wereldrijk overal de kiemen van verdeeldheid, oorlog en latere ellende zaaiden, zo deden ze 't ook op Cyprus. Onder het soms behoorlijk onbehouwen bewind van de Ottomaanse Sublieme Poort hadden Grieken en Turken op het eiland het nog redelijk goed met elkaar kunnen vinden. Zodanig dat nu nog in de verhalen van de twee gemeenschappen de notie 'Cyprioot' sterk doorweegt: ze zijn Grieks of Turks, jaja, maar allereerst Cyprioot. Grieks-Cyprioten vinden die van Griekenland betweters, en Turks-Cyprioten vinden Turken uit Anatolië boeren. Samen, wil de legende, en zonder manipulaties van buiten, zullen ze prima overeenkomen. Maar de Britten hadden hen verdeeld. Met kleine dingen soms, een voorkeur hier, een intrige daar. Of met grote: er moest inheemse politie zijn op het eiland, dat was overal zo, Londen leverde alleen het officierenkader. En Londen rekruteerde haar Cypriotische politiemacht bij voorkeur onder de Turken. Zodat, toen de Grieks-Cyprioten aan onafhankelijkheidsagitatie begonnen te doen en acties tegen de Britten ondernamen, zij in eerste lijn tegenover Turkse politiemannen kwamen te staan. Daarna kwam de onafhankelijke Republiek Cyprus, met gedeelde macht in een ingewikkelde, nooit uitgeprobeerde grondwet, en de Turkse minderheid was daar door de Griekse meerderheid zeer snel uitgemanoeuvreerd. Bij de oprichting van de Republiek hadden Groot-Brittannië, Griekenland en Turkije als voogdijlanden garant gestaan voor de goede gang van zaken in de nieuwe staat. Dat was in 1960, in volle Koude Oorlog. Londen behield twee zeer uitgestrekte basissen aan de zuidkust van het eiland, de NAVO behield haar luisterposten in de bergen, die tot diep in de Sovjet-Unie reikten. Bij de Griekse meerderheid (onder president en orthodox aartsbisschop Makarios III) leefde de verzuchting om aan te sluiten bij Griekenland: enosis. De Turkse minderheid zou zich daar met hand en tand tegen verzetten, maar werd uit de instellingen gewrikt en, een reeks van gewelddadige etnische botsingen later, ook fysiek in een aantal enclaves gehouden. Dat was in 1963. Af en toe opflakkerend, zou de situatie zo blijven voortsmeulen tot 1974. In dat jaar û in Athene was de uiterst rechtse junta van kolonels nog aan het bewind û besloot de Grieks-Cypriotische fascistische organisatie EOKA B, geleid door ene Nikos Sampson, in samenspraak met het regime in Athene een staatsgreep te doen, Makarios af te zetten, en Cyprus bij Griekenland aan te sluiten. Zo gezegd, zo gedaan. Maar Sampson was een bloeddorstige domkop, geen staatsman. Met Makarios verdwenen, chaos op het eiland, paniek in de westerse hoofdkwartieren, opende hij met zijn moordenaars de jacht op de Turken in de enclaves. Dat werd een echte po- grom, families werden uitgemoord, dorpen in brand gestoken. Bericht daarvan ging onmiddellijk naar Londen, naar Washington, en naar Ankara. Daar was toen nog min of meer sociaal-democraat Bülent Ecevit eerste minister. Hij en zijn generaals hadden al herhaaldelijk gewaarschuwd dat de voogdijstaten tussenbeide moesten komen op Cyprus en dat, als ze niets deden tegen de Grieken en hun aangekondigde staatsgreep, Turkije zelf in actie zou komen. En toen de voogdijstaten niet rea-geerden, gebeurde dat ook. Het was op z'n Turks, afdoende maar met weinig raffinement. De codenaam, 'Operatie Attila', was niet echt uitgekozen om Europeanen gerust te stellen. Parachutistendivisies die landden. Op de kust landingsboten met tanks. Het was juli en de stranden van Cyprus lagen vol toeristen, ook dat van Kyrenia op de noordkust, toen daar ineens de Turkse troepen uit de golven kwamen. Stormenderhand namen ze ruwweg de helft van het eiland in. En er kwam een tweede golf, en er kwam een gedeeltelijke terugtrekking, en Grieks-Cyprioten vluchtten van het nu bezette noorden van het eiland naar het nu homogeen Griekse zuiden, en Turks-Cyprioten vluchtten uit het nu vijandige zuiden naar het noorden. Zij gingen in elkaars huizen wonen, alleen waren er, vanuit de macht der cijfers, veel meer Grieken dan Turken ontheemd. Toen het stof gezakt was, was dat wat overbleef. Grieks-Cyprus in het zuiden dat zich de Republiek Cyprus bleef noemen, Turks-Cyprus in het noorden dat een tegenrepubliek uitriep, die echter buiten Turkije zelf door niemand erkend werd. En een muur tussen de twee. Een 'Groene Lijn' met een niemandsland die het eiland ruwweg van west naar oost in tweeën deelde, VN-blauwhelmen om daar de rust te verzekeren, en een heuse muur die de hoofdstad Nicosia doormidden sneed. De onderhandelingen volgden elkaar op, maar zo zou het blijven tot Cyprus lid werd van de Europese Unie. Dat is nu dus: in 2004 moet alles geklaard zijn. Turkije, dat al lang kandidaat was voor de EU, maar het hele dossier Cyprus slecht berekend had, liet zich in maart nog voor het blok zetten door de Turks-Cypriotische veteraan Rauf Denktash én door de eigen conservatieve generaals die het VN-plan voor Cyprus van Kofi Annan - zegt iedereen: het bijna perfecte plan - afwezen. Tegelijk wist het dat dit niet kon blijven duren. Wie dat nog niet wist, kreeg het wel te horen van de Turks-Cyprioten. Met meer dan honderdduizend kwamen zij dat drie, vier keer betogen op het Inönüplein in Nicosia: dat het afgelopen moest zijn. Dat zij ook bij de Europese Unie wilden. En democratie wilden. Dan, zeggen bijna alle Cyprioten die men daarover spreekt, heeft iemand in Ankara een beslissing genomen, en discreet heeft men de grensovergang van de Muur geopend. Dan zijn duizenden Grieks-Cyprioten naar het noorden gegaan, en duizenden Turks-Cyprioten naar het zuiden. Allemaal gingen ze hun oude huis opzoeken, zien wie er woonde. Er is geen enkel incident geweest, maar veel sentimentele verhalen. Er blijven beperkingen en pesterijen van de overheden. En het terugzien is vaak teleurstellend. Het huis is zoveel kleiner dan men het zich herinnerde. De Turken hebben de citrusbomen niet klein gehouden, kunnen niet snoeien. Het terugzien is zo onbeduidend, vergeleken bij de jaren van woede en verdriet, dat velen geen tweede keer zullen gaan. 'Tenzij om er iets te gaan doen,' zegt beeldhouwer Gregoriou Theodoulos, 'om een kop koffie te gaan drinken, nee, bedankt.' Maar dit, dit was maar een begin. De burgemeester van Grieks Nicosia was jarenlang Lellos Demetriades. Met zijn tegenhanger, burgemeester Mustafa Akinci van Turks Nicosia, werd hij onlangs onderscheiden omdat zij samen, elk aan hun kant van de muur, hun stad heel gehouden hadden. Bijna in het geniep hadden ze dat gedaan, maar ze waren allebei burgemeester, ze zaten met een stad, ze waren allebei getrouwd en hadden kinderen, ze moesten tegelijk de boel draaiende houden en de toekomst in het oog houden. Demetriades zegt dat hij met Akinci het gezond verstand en de gemeenschappelijke belangen deelde. En het klikte tussen hen beiden. 'En daarbij is Akinci een architect. Architecten hebben geen begrip voor verdeelde steden.' Het was gevaarlijk en spannend, zegt hij. In de vroege jaren ging hij naar de overkant, Akinci bezoeken, en Akinci kwam, nog gevaarlijker, bij hem op bezoek. 'Het kwam erop aan te vermijden wat ze in Berlijn hadden gedaan', zegt Demetriades. 'Vermijden dat er gebouwd werd alsof we voor eeuwig twee steden zouden zijn. Dan kun je niet opnieuw aaneensluiten. Nicosia kan in 24 uur weer verenigd worden, we moeten alleen een paar afsluitingen opruimen, en we zijn vertrokken. Ik heb nooit geloofd dat die muur zou blijven staan. We werkten samen, lieten de praktische problemen uitwerken door jonge technici. We stelden documenten samen, die we niet ondertekenden.'Hun proefstuk, waar ook Akinci, intussen oppositieleider in Turks-Cyprus, naar verwijst, was het rioleringssysteem. Ze waren zo ver geraakt dat de riolering voor heel de stad één systeem was en werkte. Dat was tegen de ideeën van Denktash, want die wilde juist een scheiding in twee staten, geen samensmelting. Die wou het systeem afsluiten omdat de Grieken, zei men, hun vuil water op Turkse bodem loosden. De jonge technicus die op hem afgestuurd werd, wist aan te tonen dat alles aan Turkse kant zou onderlopen als hij het systeem afsloot. 'Het was één stad,' zegt Akinci, 'we moesten wel samenwerken.' Demetriades wijst erop dat aan beide kanten van de muur die de winkelwandelstraat Ledra afsluit, het plaveisel en de straatmeubilering dezelfde zijn. 24 uur heeft hij nodig. De kunstenaar, beeldhouwer, Gregoriou Theodoulos, zal meer tijd nodig hebben. Politiek is zijn onderwerp niet, maar wel bijvoorbeeld het verdriet van zijn zuster, die nog banden met ginder heeft. Hij maakt objecten, vormen, installaties. Geen schilderijen. Hij was op tal van Europese tentoonstellingen, biënnales, Parijs. Hij weet dat de wijsheid door de oude Griekse filosofen ontdekt is, spreekt over de Grot van Plato en hoe eruit te ontsnappen: alleen door kennis. Kennis heeft te maken met het verband tussen materie, bijvoorbeeld de antieke kopermijn bij zijn geboortedorp, en de hoogtechnologische moderne tijd. Hij maakt alles zelf, zijn soms zeer grote objecten, hij maakt heel grote poëzie, zonder woorden. 'Kranten,' zegt hij. 'Internationale kranten. Schrijven al decennia hetzelfde artikel. Wegen af. Zijn evenwichtig. Spreken nooit over het verdriet en de pijn, de veertigduizend soldaten daarboven, of over ons, die zitten te wachten tot ze komen.' Het regime van Denktash weigert nog steeds dat Grieks-Cyprioten weer in het noorden zouden kunnen wonen. Gregoriou noemt dat een schending van de mensenrechten. En voegt er wijselijk aan toe: 'Als het niet meer verboden is, zullen er veel minder willen komen.'Al lang organiseerde Nikos Anastasiou samenkomsten tussen mensen uit de twee gemeenschappen. Aanvankelijk rond het geënclaveerde dorp Pila. Zondag 29 juni ging hij met honderd mensen in drie bussen naar Elia, een dorp in het noorden. Elia is Turks; de Griekse tegenhanger is Petra, maar Petra zit achter de Groene Lijn, in Niemandsland, onbereikbaar voor stervelingen. Petra, dat moet een heel dorp geweest zijn. In Nicosia is er een 'Petra-club'. Ze was voltallig aanwezig in de bus (geen airco, buiten 42 graden waar schaduw), in Elia werd ze opgewacht met zwaar beladen tafels, timide dorpelingen, voorzichtig binnensijpelend. Wat Nikos wilde, was een vernietigd dorp doen verrijzen, oude vriendschappen weer aanknopen, een gemeenschap herstellen. Maar in de bus zaten mensen die wisten dat in het verwoeste dorp nog drie huizen staan. Maar welke? Iedereen dacht dat het zijne nog wel recht zou staan, dat wilden ze gaan zien. En iemand van de miljardair Levantis, ooit grootgrondbezitter daar, nu in Londen. Hij had een groot huis in Petra, hij zou overwegen Petra te laten heropbouwen. Een jongen nam nota van al wat hij hoorde, voor zijn opa. Een ex-eigenaar wou absoluut zijn huis zien, en als dat niet kon zijn plantage. (De Turken die niet kunnen snoeien.) Men wacht af, men brengt batterijen in stelling. Nikos plant met zijn 'Co-villages-project' nieuwe ontmoetingen in september, met voetbalwedstrijden, niet per gemeenschap maar per sector, Grieks en Turks gemengd. Gemengde voetbalwedstrijden. Maar je hoort ook bescheiden klachten. Een Griekse mevrouw werd gevraagd bij het betreden van haar voormalige woning in het noorden, haar schoenen uit te doen. Wat? In haar eigen huis! Precies, zeggen Turken, die Grieken beschouwen dat nog altijd als hun eigen huis. Die zien Cyprus veel te veel als hun eigen eiland. Zichzelf als rechtmatige eigenaars. Er is nog werk te doen. Sus van ElzenGRIEKS-CYPRIOTEN VINDEN DIE VAN GRIEKENLAND BETWETERS, EN TURKS-CYPRIOTEN VINDEN TURKEN UIT ANATOLIË BOEREN.