Mensenrassen zijn een hersenspinsel

'Blanke' antropologen blijven gemakkelijker een rassenonderscheid maken dan andere.

Mensenrassen zijn een culturele uitvinding, vooral van filosofen. Ook al hebben rassen geen biologische fundering, wetenschappers hebben er wél lang een soort verantwoording voor geboden. Dat moet definitief gedaan zijn.

Doordat hoogopgeleide IJslanders minder kinderen krijgen,’ stond de voorbije weken her en der te lezen, ‘daalt het gemiddelde IQ in IJsland.’ Het nieuws, dat enige commotie wekte, is gebaseerd op een studie in het vakblad Proceedings of the National Academy of Sciences, waarvoor de duur van de schooltijd als basis diende. De onderzoekers gingen na hoe vaak genvarianten die gelinkt zijn aan intelligentie voorkwamen bij bijna 130.000 IJslanders die tussen 1910 en 1990 geboren zijn. Die varianten, zo bleek, bepaalden amper 3 procent van de verschillen in opleiding. In het algemeen zouden genen 20 procent van de verschillen verklaren, de rest zou vooral toe te schrijven zijn aan sociale en economische factoren.

Ook al waren de verschillen piepklein, de studie kreeg aandacht omdat ze aanknoopte bij een thema dat al eeuwenlang geregeld de kop opsteekt: als – naargelang de omstandigheden – arme, zwarte of allochtone mensen meer kinderen zouden krijgen dan rijke, blanke of autochtone, zouden hun genen sterker verspreid raken. Zelfs Charles Darwin, de vader van de moderne evolutietheorie, worstelde met de vrees dat de armen de rijken zouden overwoekeren in zijn negentiende-eeuwse Engeland.

Minder bekend is dat ook het omgekeerde al gepostuleerd is, vooral in een historische context: dat aan succes gelieerde genen frequenter werden omdat succesvolle mensen zich meer voortplantten dan minder succesvolle. In 2007 lanceerde de Britse economische historicus Gregory Clark in A Farewell to Alms de stelling dat de Britten lange tijd de wereld konden regeren omdat de rijken minder met kindersterfte te maken kregen dan de armen. Daardoor overspoelden ‘superieure genen en waarden’ de Britse maatschappij en raakte ze zo sterk georganiseerd dat ze een groot deel van de rest van de wereld kon verkennen of veroveren. Ook de Industriële Revolutie was, in die visie, een gevolg van grootschalige veranderingen in het menselijke gedrag waarvan vooral ‘het Kaukasische ras’ profiteerde.

In 2014 ging de Amerikaanse wetenschapsjournalist Nicholas Wade een vergelijkbare toer op in A Troublesome Inheritance. Hij bouwde een redenering op rond het succes van Joden in de wereld, vanaf het begin van onze jaartelling. Toen verplichtten Joodse religieuze autoriteiten vaders om hun zonen naar school te sturen om te leren lezen, zodat ze de wetten konden bestuderen en begrijpen. Omdat veel mensen in die tijd met moeite overleefden, beschouwden ze scholing doorgaans als tijdrovend en nutteloos. Vaak zouden ze zich daarom bekeerd hebben tot het christendom, met zijn minder dwingende aanpak. De basis van de Joodse ‘superioriteit’, die maakt dat Joden verhoudingsgewijs succesvoller werden dan andere bevolkingsgroepen, zou toen gelegd zijn. Heel zijn boek door speurt Wade met een vergrootglas naar genetische verschillen in de sociale gedragingen van bevolkingsgroepen en mensenrassen.

Misbruik van de biologie

Biologen, antropologen en andere wetenschappers die de menselijke genetica actief onderzoeken, gaan de ándere kant op. Zij stellen boudweg: er is geen duidelijk genetisch onderscheid tussen mensenrassen. En dus ook niet in intelligentie en andere uitingen van verstand en gedrag.

In 2016 deden onderzoekers in het topvakblad Science een opvallende oproep om het rassenconcept uit het genetisch onderzoek te bannen – ‘Taking race out of human genetics’,wasde titel van hun artikel. Ze argumenteerden dat er geen solide genetische basis is om mensen in rassengroepen te rangschikken. Verschillen tussen rassen zijn niet de ‘biologische wegwijzers’ die sommigen erin zien: ‘Historische rassencategorieën die nu als natuurlijk beschouwd worden, en die overgoten raakten met noties van superioriteit en inferioriteit, hebben geen plaats in de biologie.’

Vorig jaar verscheen ook een artikel in American Journal of Physical Anthropology waaruit bleek dat bijna 90 procent van de meer dan 3000 ondervraagde antropologen een onderverdeling van de mensheid in ‘biologische rassen’ verwierp. De enquête illustreerde een duidelijke vooruitgang in vergelijking met een enquête die veertig jaar geleden werd afgenomen: vandaag aanvaarden minder antropologen een biologische basis voor het rassenconcept dan toen. ‘Blanke’ antropologen blijven wel gemakkelijker een rassenonderscheid maken dan andere.

Wetenschappers hebben eeuwenlang geworsteld met het onderscheid tussen soorten, rassen en wat Darwin (in wiens tijd de genetica nog niet bestond) ‘variëteiten’ noemde. De Zweedse bioloog Carl Linnaeus was in de achttiende eeuw begonnen dier- en plantensoorten volgens fysieke kenmerken te rangschikken. Voor de mensheid onderscheidde hij vijf ‘variëteiten’: Amerikanen, Europeanen, Aziaten, Afrikanen en ‘Monsters’ – die laatste waren figuren als wolfskinderen en Hottentotten, waarin hij iets aparts zag. Later zouden anderen lange lijsten maken, met tot tweehonderd rassen. De cijfers gingen op en af als een jojo. Als mensenrassen een eenvoudig gegeven waren, was er een grotere consensus over geweest.

Maar vooral filosofen introduceerden en verdedigden het concept ‘ras’ om mensen op grote schaal te classificeren. De vandaag nog altijd grondig bestudeerde Duitser Immanuel Kant (1724-1804) zag bijvoorbeeld vier rassen, samen te vatten als blanken, zwarten, mongolen en Hindoes. Hij koppelde er zonder schroom kwaliteitsbeoordelingen aan, met als voornaamste onderscheid dat het blanke Europese ras superieur was. Iets vergelijkbaars gebeurde in de eerste helft van de twintigste eeuw, nadat de eerste genetische inzichten gelanceerd waren, met de introductie van de ‘eugenetica’: ook die discipline kreeg snel een connotatie mee van streven naar superioriteit en raszuiverheid, bijna uitsluitend voor het blanke ras.

Rassen waren dus geen wetenschappelijke ontdekkingen maar sociale uitvindingen. Er werden uiteindelijk vreselijke praktijken mee verantwoord, zoals het kolonialisme of volkenmoorden, met de Holocaust als extreem voorbeeld. ‘Minderwaardige rassen’ werden als slaven ingezet ter meerdere eer en glorie van ‘superieure rassen’, en mochten worden uitgeroeid om de superieuren te beschermen. Dat kon gemakkelijker als wetenschappelijke en filosofische gezagsdragers hun fiat gaven. Geen enkele wetenschappelijke discipline is zo misbruikt als de biologie – in al haar onvolmaaktheid – om sociale en culturele agenda’s te verantwoorden, en om politieke en economische doelstellingen te bereiken.

Tocht uit het moeras

Halverwege de twintigste eeuw begon het wetenschappers te dagen dat er iets grondig mis was met het biologische rassenconcept. De invloedrijke Russische geneticus Theodosius Dobzhansky vond dat flauwe biologische argumenten gebruikt werden in de strijd tegen burgerrechten voor zwarten in de Verenigde Staten, waar hij werkte. Zelf worstelde hij om goede methodes te vinden om rassenverschillen te detecteren. Hij legde het fundament voor de terugtocht van de biologie uit het rassenmoeras. Vandaag is de meerderheid van de wetenschappers tot deze slotsom gekomen: de genetische diversiteit in de mensheid is te variabel om een eenvoudig onderscheid in rassen te verantwoorden.

Migrerende soort

Grootschalige onderzoeken brengen die genetische diversiteit nu in kaart. Ze is voor de moderne mens behoorlijk bescheiden: chimpansees hebben een veel grotere diversiteit. Zij gaan al langer mee in de biologische geschiedenis, en waren ongetwijfeld ooit veel talrijker dan wij. De moderne mens is amper 200.000 jaar oud – peanuts, naar evolutionaire normen – en heeft relatief recent de wereld veroverd. Hij zou amper 60.000 jaar geleden vanuit Afrika aan zijn mondiale kolonisatie begonnen zijn. Om een substantieel genetisch onderscheid tussen grote groepen te bereiken, had de mensheid lange tijd in geografisch of op z’n minst sociaal geïsoleerde groepen moeten leven. Dat was nooit het geval. We waren altijd een migrerende soort, die ooit zelfs kruiste met andere mensensoorten, zoals de neanderthaler.

In Afrika is de genetische variatie groter dan elders. Dat komt omdat de mensheid daar ontstaan is en er dus meer tijd doorbracht, terwijl de rest van de wereld gekoloniseerd werd door kleine groepen zwervers met een beperkte genetische diversiteit. Genoomonderzoek wijst uit dat 17 procent van de mensen die vandaag leven, genen van meer dan één continent dragen. Maar over het algemeen is er amper 2 tot 8 procent variatie tussen de genen van grote groepen mensen die op verschillende continenten wonen. Dat is veel te weinig om een fundamenteel onderscheid tussen rassen te verantwoorden.

Een kwart van de genen van hedendaagse zwarte Amerikanen heeft een Europese oorsprong. Een ziekte als sikkelcelanemie – te wijten aan een afwijkende vorm van de zuurstofoverdrager hemoglobine die tot bloedarmoede kan leiden – komt vooral bij zwarten voor, maar is niet aan het zwarte ras gekoppeld, wel aan regio’s met veel malaria, want de sikkelcellen bieden extra bescherming tegen infectie met de malariaparasiet. De verschillen zijn aan de leefomgeving gebonden, niet aan rassen. Als zwarten in Amerika meer dan blanken lijden aan een te hoge bloeddruk, heeft dat niets te maken met hun genetische constitutie en alles met de dikwijls stressvolle omstandigheden waarin ze moeten leven. En als zwarten minder goed scoren op IQ-tests, is dat niet te wijten aan genetisch vastgelegde inferioriteit, wél aan – onder meer – het feit dat zwarten minder kansen krijgen dan blanken, en aan het methodologische gegeven dat IQ-tests meestal door en voor blanken ontwikkeld zijn.

Huidskleur bepaalt geen ras

Veel mensen associëren de huidskleur automatisch met rassen. Maar de variatie in huidskleur is een bijna continue gradiënt van lichter in het noorden naar donkerder in de tropen. Ze weerspiegelt hoe de huid zich aanpast aan de hoeveelheid zonlicht die ze te verwerken krijgt. Hadden mensen in de tropen geen donkere huid, dan kregen ze massaal huidkanker. Mensen in het koude noorden halen dan weer voordeel uit een lichte huid: anders kunnen ze een tekort aan vitamines (waarvan de vorming in de huid door zonnestralen wordt gestimuleerd) oplopen. Zowel in Europa als in Afrika hebben mensen in noordelijkere regio’s een lichtere huidskleur dan in zuidelijkere regio’s – zie de verschillen tussen Noren en Spanjaarden, of tussen Marokkanen en Nigerianen. Verhuis een groep Europeanen zonder zonnecrème naar de evenaar, en binnen afzienbare tijd zullen ze een zwarte huid hebben.

De slotsom is dat er veel meer genetische overeenkomsten tussen ‘rassen’ zijn dan verschillen. Dat ‘ras’ diep in het maatschappelijke weefsel ingebed zit, heeft niets met wetenschap te maken en alles met sociale en culturele vooringenomenheid. Of politiek opportunisme.

Natuurlijk hebben mensen wel een sterke neiging om zich als lid van een groep te manifesteren. Dat gaat ver: in homogene klassen waarin de leerlingen in twee willekeurige groepen worden verdeeld, kunnen onaangename spanningen ontstaan. Zo krachtig kan de identificatie met de tijdelijke ‘groep’ zijn.

We kijken ook anders naar onszelf dan naar ‘anderen’. Begin dit jaar verscheen in Journal of Experimental Psychology een studie die uitwees dat Britten wel het gemeenschappelijke kenmerk (huidskleur) zien in een groep van drie bekende zwarte acteurs, maar niet in een groep van drie bekende blanken. Zwart wordt, zelfs door zwarte Britten, nog altijd als ‘specialer’ beschouwd dan blank, zeker als het gaat om succes. Dat gebeurt bijna automatisch, zoals veel mechanismen die met vooringenomenheid te maken hebben. Daar gaan wel biologisch beschrijfbare verschijnselen achter schuil, maar díé vormen dan weer een ander verhaal.

Door DIRK DRAULANS

Als zwarten minder goed scoren op IQ-tests dan blanken, heeft dat niets te maken met genetische inferioriteit.

Verhuis een groep Europeanen zonder zonnecrème naar de evenaar, en binnen afzienbare tijd hebben ze een zwarte huid.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content