De naweeën van elke veldslag uit die periode waren verschrikkelijk. Hoe het eraan toeging, weten we van de ooggetuigen. De slag bij Waterloo is bijvoorbeeld goed gedocumenteerd, met onder andere een schrikwekkende getuigenis van de Engelse artilleriekapitein Cavalié Mercer. Hij had het treffen ternauwernood overleefd en in de nacht na de slag geen oog dichtgedaan. Rond middernacht ging hij wandelen op de velden waar een paar uur eerder dood en vernieling hadden geheerst. Overal struikelde hij over lijken, en hier en daar kwam hij een sukkelaar tegen die nog rechtop zat en met zijn laatste krachten het leven in zich trachtte te houden, dat langs zijn wonden naar buiten stroomde. 'Soms trof ik iemand aan die plots oprees en dan weer neerplofte', aldus een onthutste Mercer. Majoor Harry Smith had veldslagen meegemaakt in Spanje en Amerika, maar toen hij op de ochtend van 19 juni 1815 te paard over het slagveld reed, stokte zijn adem. 'Nooit heb ik zoiets gezien. Het hele terrein was van links naar rechts waarlijk bezaaid met lijken', schreef hij in zijn dagboek. 'Op een plek rechts van La Haie Sainte lag letterlijk een berg Franse kurassiers opgestapeld. Er waren soldaten bij die niet eens gewond waren, maar geplet waren onder hun paarden. Anderen waren vreselijk toegetakeld. Soms spartelden hun gewonde paarden boven hen uit en vertrappelden hen. Het was een gezicht om ziek van te worden en ik had de middelen niet om iets voor hen te doen.' Het geluid was al even onverdraaglijk. Schoten van soldaten die gewonde paarden afmaakten, smeden die hoefijzers van de poten hakten, maar vooral de reutelende smeekbedes in het Frans, Duits, Engels en Nederlands van gewonde, lijdende mensen, die smeekten om hulp die niet kwam.

Een ambulance, uitgevonden door de Franse dokter baron Larrey. Soldaten mochten hun gewonde kameraden vaak niet wegvoeren voor verzorging, uit angst dat ze niet meer zouden terugkeren. © Getty Images

Wie tijdens een veldslag gewond raakte en neerviel, werd meestal niet weggebracht. Hospitaalsoldaten kenden de legers nog niet. Tijdens de slag zelf werd rudimentaire verzorging toegediend door herstellende lotgenoten, als die tenminste voorhanden waren. Het transport van gewonden op het slagveld werd overgelaten aan soldaten van de betrokken eenheid. Omdat die van de gelegenheid gebruikmaakten om veel langer weg te blijven dan nodig, deden hun officieren er alles aan om de gewonden te laten liggen, zodat hun eenheid zo efficiënt mogelijk bleef. Met name Wellington zelf heeft tijdens de slag van Waterloo voortdurend belet dat gewonden werden weggebracht voor verzorging. Hij ging ervan uit dat wie de rangen verliet om een gewonde kameraad te helpen, vaak niet meer uit eigen beweging terugkeerde. Pijn, gekerm en gehuil mochten niet baten, want de andere soldaten mochten onder geen beding hun rangen verlaten. Dat gold zeker aan geallieerde zijde. De schaarse geallieerde hulpverleners rekenden de Franse gewonden niet tot hun prioriteiten. De getuigenissen daarover zijn heel duidelijk. Eerst werden de Britten en de Duitsers van de King's German Legion verzorgd, dan was het de beurt aan de Hannovers. Brunswijkers, Belgen en Nederlanders hadden hun eigen veldkarren die als ziekenwagens dienden, maar naar de Fransen keek de eerste uren niemand om. Velen onder hen werden pas dagen na de slag teruggevonden. De Britse chirurgijn-generaal Blanco meldde zelfs dat veertien dagen na de slag nog steeds gewonde Fransen werden gevonden. Ze leefden nog net omdat ze het rauwe vlees van hun gesneuvelde paarden hadden gegeten. Toch hadden al die dagen vele tientallen 'hulpverleners' en lokale boeren de velden doorkruist.

Het Britse en geallieerde leger was slecht toegerust op medische zorgen. Niemand had verwacht dat Waterloo zo'n bloedbad zou worden, maar toch was een grotere vooruitziendheid op zijn plaats geweest. Amper 300 chirurgijns en ziekenbroeders en nog geen 50 ziekenwagens had Wellington achter de hand. Op het laatste moment waren er zelfs studenten geneeskunde in een uniform gehesen en naar België gestuurd.

Die jongens waren totaal onvoorbereid op de gruwel van de oorlog. Veel hulpchirurgijns en ziekenbroeders verkeerden in shock nadat ze de afschuwelijke staat hadden gezien waarin de slachtoffers zich bevonden. Voor de medische staf waren ze compleet nutteloos. Wat de Britten in huis hadden, volstond absoluut niet om de naar schatting 40.000 gewonden te geven wat ze nodig hadden. Alle stallen, hoeven, huizen en afspanningen in de streek lagen afgeladen vol met mannen die soms kleine maar meestal zware verwondingen hadden. De meeste slachtoffers in Waterloo vielen door kanonvuur. Afgerukte ledematen en uitgerukte ingewanden waren schering en inslag. In de veldhospitalen had men weinig verstand van hygiëne, en antibiotica bestonden niet.

De patiënt op deze illustratie krijgt ether toegediend. De artsen op het slagveld hadden soms opiumtinctuur en laudanum bij, maar nooit voldoende. Vaak was een slok sterkedrank de enige verdoving. © Getty Images

Amputatie

Medische zorgen waren in die tijd sowieso rudimentair en het verzorgen van gewonden op een slagveld was niet bepaald een verfijnde aangelegenheid. De meeste wonden werden veroorzaakt door kanon- of geweervuur en ze waren dus meestal ernstig van aard. Chirurgie stond in de kinderschoenen, waardoor amputatie vaak de eenvoudigste en snelste behandeling was. Chirurgijns hadden meestal wat opiumtinctuur en laudanum bij, maar nooit voldoende. De gewonden werden op een tafel gelegd, vastgebonden of vastgehouden en kregen nog gauw een slokje sterkedrank - als die niet op was. Vervolgens gingen handen, armen, vingers of benen er zonder de minste verdoving af, waarna ze op de stapel werden geworpen en het de beurt was aan de volgende. Het afzetten van een arm duurde minstens een minuut, voor een been mocht je het dubbele tellen. Onervaren chirurgijns konden er ook weleens tien minuten over doen.

In Waterloo merkte de Britse chirurgijn Charles Bell algauw dat zijn jarenlange ervaring hem niet had gehard tegen de verschrikkingen van een slagveld. 'Het is onmogelijk om u de menselijke ellende te beschrijven', vertelde hij later. 'Om 6 uur 's ochtends nam ik de messen ter hand en ik heb ze zonder te stoppen gebruikt tot 7 uur 's avonds. En zo ging het de dag daarop verder, en ook nog de derde dag.' Als patiënt kon je alleen maar hopen dat de chirurgijns uit de vorige amputatie iets hadden bijgeleerd, want dan zou het misschien sneller gaan. Bell hield het nauwelijks vol. 'Het was eng te voelen hoe mijn kleren stijf van het bloed stonden terwijl mijn armen krachteloos naast mijn lichaam bengelden na al dat messenwerk.' Een hulpchirurgijn van de Life Guards zag taferelen die hem jaren later nog uit zijn slaap hielden: 'Ons werk was luguber tot in het extreme en duurde de hele nacht door. [...] De stille afschuw van het merendeel van de lijdenden is iets wat ik nooit meer zal kunnen vergeten. Men moet zich voorstellen hoe gehaast het allemaal gebeurde, voor de ogen van de mannen die wisten dat het weldra hun beurt zou zijn op die van bloed doordrenkte operatietafel, terwijl ze keken naar de vreselijke pijnen van de amputaties... Pas dan besef je uit wat voor hout soldaten gesneden zijn.' De Belgische legerdokter Kluyskens zei later dat hij die nacht persoonlijk 300 amputaties had verricht, Bell voerde er later in Brussel 380 uit. In totaal zouden naar schatting 3000 mensen op deze manier 'behandeld' zijn. Voor een derde onder hen waren de afschuwelijke pijnen bovendien tevergeefs, want ze stierven op de snijtafel.

Amputatieset uit de late 18e, begin 19e eeuw. Omdat chirurgie nog in de kinderschoenen stond, was amputatie vaak de eenvoudigste en snelste behandeling. © Getty Images

Veldhospitalen

Aan Franse kant was de medische hulp op een slagveld veel professioneler georganiseerd dan waar ook ter wereld. Van alle Europese legers was het Franse veruit het beste voorbereid op het verzorgen van gewonden. Maar naarmate de krachtmetingen brutaler werden, bleek ook de Franse organisatie ontoereikend. Tijdens de Russische veldtocht van 1812 raakten de Franse legerartsen zwaar onderbemand. Na de slag bij Borodino (net voor Moskou) konden ze de eindeloze stroom gewonden onmogelijk aan. Dokter La Flise voerde als lid van het Frans medische korps honderden amputaties uit: 'Het gebrul en tandengeknars van iemand wiens been of arm door een kanonskogel is verbrijzeld, is niet te beschrijven, het gillen van de pijn als de arts door de huid snijdt, door de spieren, de zenuwen, als hij het bot doorzaagt, slagaders doorsnijdt en het bloed op de arts zelf spat', schreef La Flise jaren later getraumatiseerd in zijn memoires.

De slag bij Borodino moet een bijzonder grote beproeving geweest zijn voor de gewonden. Velen onder hen raakten niet eens tot bij een dokter en kropen uren, soms dagenlang rond op het slagveld. Ze moesten dagenlang wachten op behandeling en de meesten stierven een langzame dood, terwijl ze crepeerden van de pijn. Dat schijnt voornamelijk het lot van Russische soldaten te zijn geweest, want in dat kamp waren de meeste soldaten gewone slaven, lijfeigenen waarvan het leven geen cent waard was. Ze werden door hun officieren achtergelaten of in het nabijgelegen Mozjaisk ondergebracht. Toen de Fransen daar twee dagen na de slag aankwamen, bleek dat die onfortuinlijke mannen geen verzorging hadden gekregen en zonder eten of drinken waren achtergelaten. De helft was al gestorven.

Voor de introductie van de anesthesie. Illustratie uit het boek Illustrations of the Great Operations of Surgery (1821) van Charles Bell, die in Waterloo als chirurgijn aan de slag was. © Getty Images

Een van de Vlaamse soldaten ter plekke was Joseph Abbeel. Toen die op het slagveld naar een gewonde kameraad zocht, belandde hij in een ziekenboeg. 'Toen ik het slagveld bijna helemaal had doorkruist zonder hem te vinden, reed ik mistroostig naar een klein bos waar ik enkele gewonden had zien heen dragen. Toen ik er aankwam, zag ik nog de ene kanonbal na de andere neerploffen. En ik die dacht dat geneesheren een craeyen-reuk bezaten! Dat had ik dus fout want ondanks het grote gevaar stonden veel van die dappere heelmeesters in het zweet huns aanschijns de gewonden te verzorgen. Ik zocht verder en uiteindelijk heb ik mijn slaapkameraad gevonden. Hij lag helemaal alleen op de grond te rusten. Zodra hij mij zag aankomen, richtte hij zich op. Wij omhelsden elkaar, en onze blijdschap was zo groot dat wij beiden ons hoofd op elkaars schouder legden en hebben geweend. Alles liep beter af dan we hadden gevreesd. Hij dacht dat mijn hand af was en ik dacht dat hij dodelijk geblesseerd was. Maar zijn wonde was niet eens zo gevaarlijk als de mijne. De grote blouwe erten vielen aan alle kanten naast ons en we vertrokken. We reden naar een dorp en we brachten er de nacht door.'

Een prozaïsche beschrijving van zo'n hospitaalsituatie werd opgetekend door een jonge Franse commissaris te velde, Alexandre Bellot de Kergorre: 'Het was mijn taak voor de veldhospitalen te zorgen. In twee stenen huizen lagen drieduizend mannen. Die arme ongelukkigen lagen te sterven van dorst en honger; ze waren verbonden met hooi omdat er geen linnen voorhanden was en ze kermden vreselijk. In de eerste dagen leefden ze van de paar graankorreltjes die ze op het hooi hadden gevonden. En van het weinige meel dat ik hen had kunnen brengen. Heel erg was dat er geen kandelaars waren. Ik was erg geschokt toen bleek dat ik de levenden niet van tussen de doden weg kon halen. Er waren geen brancards en geen helpers ter beschikking. Het hospitaal lag vol lijken, net als de aanpalende straten en huizen. Nadat ik de meest dringende zorgen had verleend, heb ik een paar kruiwagens gebruikt die ik ergens had aangetroffen en heb er de doden mee uit het hospitaal vervoerd. Zelf heb ik 128 lijken weggesleept. Ze werden gebruikt als hoofdkussen en waren al verscheidene dagen dood.'

Napoleon vlucht weg uit Waterloo, terwijl op de voorgrond de doden en gewonden op elkaar gestapeld liggen. © Getty Images

Plunderaars

In de nacht na een veldslag kon het gebeuren dat het terrein door plunderaars werd beslopen. Gedekt door de nacht slopen ze rond over het slagveld, de zogenaamde maraudeurs. Het waren mensen uit de streek, geboefte allerhande en vaak zelfs soldaten die op zoek gingen naar buit. 'Het zou belachelijk zijn te verhelen dat een overlevende van de slag er na afloop van zijn bloedige taak vooral naar verlangt om al dat doorstane gevaar goed te maken met het verzekeren van wat buit', zoals een jonge korporaal toegaf. Daarbij kwam het niet op een dode meer of minder. In het holst van de nacht schrokken veel er niet voor terug de gewonden te wurgen of de hals over te snijden, omdat dat nu eenmaal makkelijker werkte. In Waterloo zat een gewonde Engelse officier 's nachts met een vreselijke hoofdwond onder een dode Fransman gekneld. Hij zag een man naderen in het donker en hield instinctief zijn adem in om niet gehoord te worden. Het was een Pruis. De kerel doorzocht de zakken van een andere gewonde Engelse officier, die een paar meter verder lag. Toen die zich plots verzette, stak de Pruis hem koudweg dood. De geknelde Engelsman voelde dat de Pruis nu ook zijn richting uitkwam. Uit het niets doken net op dat moment een Engelse soldaat en zijn sergeant op. De Pruis dook weg achter het karkas van een paard en de officier werd uit zijn benarde situatie bevrijd. Hij vertelde wat hij had gezien en waar de Pruis zich had verscholen. Daarop zocht de sergeant de Pruis op en knalde hem met één schot neer. De gewonde officier kreeg een geladen geweer om zich te verdedigen, want zijn redders konden helaas niet blijven. 'We hebben hard genoeg gevochten en nu hebben we het verdiend om de spullen op te rapen die toch geen eigenaar meer hebben. Voordat straks die Vlaamse boerenkinkels ze oprapen', kreeg de officier te horen. De maraudeurs zochten in de eerste plaats de gewonde officieren op omdat daar het meest te rapen viel.

Porret van Sebald Justinus Brugmans (1763-1819), een Leidse hoogleraar die een belangrijke medische rol speelde in de nasleep van Waterloo. 'Op zo'n moment moet je niet denken, maar doen.' © Getty Images

Belgen te hulp

De beschrijvingen van de nasleep van Waterloo zijn kenschetsend voor het lot van gewonde verslagenen uit die tijd. Een dag na de veldslag sijpelden twee konvooien de stad Brussel binnen, een langs de Hallepoort en een ander langs de Naamsepoort. Het waren treurige stoeten van hinkende, waggelende, schuifelende soldaten. Grenadiers zonder geweren, huzaren te voet in veel te grote rijlaarzen, kanonniers met gezichten die zwart zagen van het buskruit. Tussen hen in voerden boerenkarren en andere rijtuigen de gewonden die niet meer overeind konden staan. Huilende en kermende mannen klampten zich verbeten vast aan de planken, je zag het bloed uit hun verscheurde uniformen sijpelen. Algauw was het menselijke leed in de straten niet meer te overzien. Hier was Brussel niet op voorbereid. De militaire overheid had geen antwoord op de duizenden stumpers die met de meest afzichtelijke verwondingen de stad hadden opgezocht in de hoop op verzorgende handen. Het dient gezegd dat de onthutsende nalatigheid van de militaire leiding voor een deel is goedgemaakt door de Belgische bevolking. Alle dorpen rond Waterloo namen deel aan een spontane hulpactie. Nonnen werden zusters, boeren gaven dekens en drinken, kerken werden opvangtehuizen. In Brussel stonden vijf hospitalen ter beschikking van de Britten en de andere geallieerden. Maar ook de Fransen kregen hun eigen plekken. Gewonden die men makkelijk kon vervoeren, kregen onderdak in Antwerpen.

Van heinde en verre kwamen Belgische dokters en chirurgijns naar de hospitalen en boden er hun diensten aan. De Leidse professor Sebald Justinus Brugmans speelde een belangrijke rol. Brugmans was hoofd van de militaire gezondheidsdienst en organiseerde de aanvoer van medicijnen en verbandmiddelen. Het was een klerezooi in de overbelaste hospitalen. Met zoveel gewonden op een kleine ruimte vreesde hij vooral voor een epidemie van hospitaalgangreen. Wie besmet raakte, was verloren. Brugmans hield het hoofd koel. 'Op zo'n moment moet je niet denken, dan moet je gewoon handelen', zo liet hij later optekenen. Hij vond een plek in Etterbeek waar hij een tentenkamp liet bouwen. Daar werden alle besmette patiënten meteen in ondergebracht. Brugmans' methodes bleken uiterst efficiënt, want er zijn die dagen in Brussel geen besmettelijke ziekten uitgebroken. In het tentenkamp krioelde het van de Brusselse vrouwen van alle leeftijden, rangen en standen. Met verband en drank snelden ze van de ene gewonde naar de andere en ontfermden zich over mannen wier aanblik alleen al deed kokhalzen van afschuw. De vrouwen hielpen met zoveel onbaatzuchtige toewijding dat een Engelse reiziger er zijn onthutste bewondering voor uitsprak. Hij noemde hen 'the fair ladies of Brussels'.

Dokter Larrey werd door Napoleon 'l'ami des soldats' genoemd. Na Waterloo kwamen Belgische dokters toekijken terwijl hij als krijgsgevangene dag en nacht de gewonden bijstond. © Getty Images

Maar de grootste expertise hadden natuurlijk de gevangengenomen Franse dokters. De pionier en internationale autoriteit op het vlak van de verzorging van oorlogsslachtoffers was baron Larrey. L'ami des soldats, zoals Napoleon hem in een teder moment had genoemd. En op zijn laatste ziekbed op Sint-Helena noemde de keizer hem zelfs 'de grootste man die ik ooit heb gekend'. Het wil wat zeggen. Deze geëngageerde humanist en toegewijde medicus was ternauwernood aan een willekeurige executie door de Pruisen ontsnapt en ontpopte zich nu als een onmisbare krijgsgevangene. Vele Belgische dokters kwamen kijken en leren hoe Jean-Dominique Larrey haast dag en nacht de gewonden bijstond. Onder hen de Brugse dokter Isaac De Meyer en de Aalsterse dokter Jozef Kluyskens, hoofdchirurgijn van de Belgische troepen. Zoals de meeste barbiers-chirurgijns had Kluyskens nauwelijks enige wetenschappelijke kennis, maar na de slag heeft hij niet minder dan 9000 soldaten verzorgd. De knepen van het vak leerde hij ter plekke, vooral door Larrey te observeren. Kluyskens leerde in de operatiekamers van Waterloo zoveel dat hij mede op basis van deze ervaring in 1819 het diploma geneeskunde kreeg en het nadien zelfs tot hoogleraar en rector aan de Gentse universiteit bracht. Isaac De Meyer verzorgde soldaten in Nijvel en Charleroi, waar hij zich ook ontfermde over slachtoffers uit het Franse leger, dat jarenlang zijn thuis was geweest. De Meyer werd later een eminent gynaecoloog en kankerspecialist in Brugge. Alle medici spanden zich tot het uiterste in en werkten zich in het zweet voor zowel landgenoten als vreemdelingen, vrienden of vijanden. Een Londense advocaat in Brussel schreef: 'Er was iets buitengewoons aan de hand, iets dat verder ging dan het verzorgen van zieken en gewonden. Het bezielde allen die zich inzetten voor de gewonden van Waterloo. Hun toewijding was bestemd voor allen, of het nu landgenoten waren of de vijand.'

De verzorging van de gewonden werd een buitensporige onderneming die nog weken, zelfs maanden aanhield. Na de eerste grote konvooien uit Waterloo sijpelden de volgende dagen nog vele kleinere groepjes hulpbehoevenden de stad binnen. De toenmalige burgemeester van Brussel, Joseph van der Linden d'Hoogvorst, verplichtte elk gezin kleding en dekens te bezorgen. Maar de Brusselaars deden meer dan dat: in de nadagen van de slag bouwden honderden families hun huizen om tot ziekenzalen en rusthuizen. Tot het einde van de zomer hebben burgers de vele duizenden soldaten in hun huizen verzorgd. Ze deden dat vrijwillig en met een bewonderenswaardig mededogen voor alle gewonden die ze binnenkregen, of het nu geallieerden dan wel Fransen waren. In de editie van 21 juni van de Journal de Belgique lezen we: 'De hulp die de inwoners bieden, beperkt zich niet tot onze "genereuze verdedigers" (sic), maar strekt zich ook uit tot de Franse gevangenen en gewonden, waarvan er elk moment bij komen in groten getale. Een detachement van deze ongelukkigen, bestaande uit 1500 soldaten, is vannacht om 1 uur aangekomen op het Muntplein en de hele buurt is uit bed gekomen om hulp te bieden in alle mogelijke vormen.'

Voorlopig Bewind na de Belgische revolutie van 1830. Helemaal rechts zit Emmanuel van der Linden d'Hoogvorst, wiens broer Joseph als burgemeester van Brussel veel betekend had voor de opvang van gewonde soldaten na Waterloo. © Publiek domein

De Antwerpse schande

Toch merkten de Fransen dat ze algauw plaats moesten ruimen voor de geallieerde gewonden. Duizenden Franse gewonden werden naar het kanaal gebracht en in schepen en riviersloepen getakeld. Via het kanaal van Willebroek werden ze naar Antwerpen verhuisd. Dat was de meest humane behandeling die ze konden krijgen, want wie in een kar over de hobbelige wegen werd getransporteerd, wachtte een ware marteling. Maar in Antwerpen hadden de Pruisen intussen al de beste plekken voor zich opgeëist. Dokter Vrancken, hoofdchirurg van het Sint-Elisabethgasthuis, had het bevel gekregen de boel te ontruimen. De Pruisische gewonden namen de plaats in van de patiënten, die noodgedwongen in de gevangenis werden ondergebracht. Ook het miniemen- en augustijnenklooster werden aan de Pruisen toegewezen. In de jezuïetenkerk lagen gewonden van alle nationaliteiten, behalve de Franse. Maar ook Antwerpen was natuurlijk niet toegerust om de massa hulpbehoevenden op te vangen, die een paar dagen na de slag al was aangegroeid tot meer dan 10.000.

Op 21 juni moest gouverneur Van der Plaat in de Journal du département des Deux-Nèthes een oproep doen aan de bevolking: 'Aan de inwoners van Antwerpen. Zeer geroerd door uw genereuze gedrag en uw gevoeligheid ten aanzien van de geblesseerden en de zieken die ons uit het leger bereiken sinds enige dagen, zie ik het als mijn plicht u namens Zijne Majesteit te bedanken. [...] Ik moet echter uw aandacht vragen voor de toestand in de hospitalen. De ingerichte lokalen beschikken niet over gepast meubilair, er zijn zeer dringende noden zoals matrassen, dekens, kussens, linnen, verband, alles ontbreekt. Ik ben ervan overtuigd dat mijn oproep aan uw menselijkheid niet zonder gevolg zal blijven.' Van der Plaats noodkreet was deemoedig, maar tevens uitsluitend gericht aan eigen volk. Iedereen die Frans sprak, kon blijven liggen waar hij lag: in de boten die hen tot in Antwerpen hadden gebracht. Daar hadden ze zelfs geen stro om hun gebroken botten en verwonde lichaamsdelen op te laten rusten. Dokter Vrancken spande zich voor hen in en in zeven haasten richtte hij in de grote touwslagerij van het Kiel een noodhospitaal op. Twee moedige Antwerpenaren, Edward en Ferdinand Geelhand, droegen eigenhandig de Franse slachtoffers naar het noodhospitaal, maar kregen daarbij weinig hulp. Uiteindelijk moesten ze uit eigen zak enkele klusjesmannen betalen om hen bij het zware werk te helpen. In het noodhospitaal op het Kiel had dokter Vrancken niet één verpleger ter beschikking. Gevangenisdirecteur Ferdinand Baillet kon de ellende niet aanzien.

Eén van de leerlingen van dokter Larrey was Jozef Kluyskens, hoofdchirurgijn van de Belgische troepen. Later werd hij rector aan de Gentse universiteit. © Publiek domein

Op het gevaar af zich de woede van gouverneur Van der Plaat en de Britten op de hals te halen, stelde hij enkele gevangenen van gemeen recht ter beschikking om als ziekenbroeders op te treden. Gelukkig waren de Antwerpse dokters en chirurgijns trouw aan hun eed van Hippocrates en deden ze wat ze konden voor de Fransen. Vrancken is een van de vergeten helden van Waterloo. De Antwerpse dokter toonde zich een meer dan bekwame en vooral humane arts. Hij verbood amputaties, tenzij alle dokters waren geconsulteerd, en ze mochten alleen in zijn aanwezigheid worden uitgevoerd.

Twaalf dagen lang stonden Vrancken en zijn handjevol getrouwen er alleen voor. 'Het is onvoorstelbaar wat we doormaakten', schreef hij achteraf. 'Dag en nacht waren we bezig de Franse gewonden te verzorgen. Af en toe konden we even iets eten of drinken, maar een rustpauze hebben we niet genomen. Om goed te beseffen wat de waarde was van de hulp die we boden, moet men eigenlijk de gruwelijke scènes begrijpen waarin we ons bevonden. Men moet het gekreun gehoord hebben en de doodstrijd gezien hebben van de stervenden. Het ergste echter was om overal het geschreeuw te horen van mensen die afzagen en leden, en die we niet konden helpen omdat we met te weinig waren.' Voor veel Franse soldaten kwam alle hulp te laat. Na de dagenlange verwaarlozing door de autoriteiten verkeerden ze in een erbarmelijke toestand. Hun verwondingen waren geïnfecteerd en velen hielden het niet lang meer vol. Pas op 29 juni besloten de Britse en Antwerpse overheden eindelijk hulp te bieden aan Vrancken en zijn ploegje. Hij kreeg carte blanche om alle assistentie te vragen die hij nodig achtte, maar een echt hospitaal kreeg hij niet. De dokter zou nog tot 12 augustus aan de slag blijven, voor hij de laatste 400 Franse gewonden eindelijk naar het miniemenklooster mocht overbrengen, waar ze in menswaardigere omstandigheden verpleegd konden worden.

En Napoleon zelf ?

Zelf is Napoleon verschillenden malen (licht-) gewond geraakt tijdens de veldslagen. Hij bevond zich vaak in de frontlinies. De kennis van verwondingen was hem dus zeker niet vreemd, de aanblik van oorlogsgruwel evenmin. Napoleon was niet onverschillig voor het menselijke leed waarvoor hij tijdens de vele oorlogen medeverantwoordelijk was, al liet hij zich er evenmin door hinderen. Op veel momenten gaf hij er blijk van diep geraakt te zijn door de dood van officieren die dicht bij hem stonden, zoals de maarschalken Duroc, Lannes en Desaix. Maar ook het lijden van gewone soldaten beroerde hem. Het verschrikkelijke bloedbad van Eylau heeft hem bijvoorbeeld diep geschokt. Na de slag van Austerlitz stelde hij een pensioenstelsel in werking voor de weduwen en wezen van gesneuvelde soldaten.

Het verschrikkelijke bloedbad van Eylau, op 7 en 8 februari 1807, had Napoleon diep geschokt. Hij zei: 'Deze slachtpartij doet alle vorsten op aarde de zin vergaan om oorlog te voeren.' © Publiek domein

Gaandeweg heeft hij steeds vaker de ogen gesloten voor de verschrikkingen van de oorlog, maar een andere keuze was er natuurlijk niet. Het was het lot van de krijger, een lot dat hij kende omdat hij zijn eigen leven meerdere malen op het spel had gezet. Maar de ondraaglijke aanblik van een slagveld op het einde van de dag moeten hem zijn hele leven achtervolgd hebben. In zijn verwerkingsproces bood het onophoudelijke werken soelaas. Zijn overbezette agenda en hectische arbeidsdagen hebben ongetwijfeld geholpen om de emoties niet de bovenhand te laten krijgen. Allicht ligt daar dan ook de oorzaak van zijn harde, zelfs ongevoelige imago. Tienduizend gewonden? De volgende ochtend kon je Napoleon net zo goed een nieuw reglement voor de Comédie Française horen bedenken. Het was een manier om zichzelf en zijn omgeving psychologisch op de been te houden.

België en Nederland

Hoewel van de feitelijke staten België en Nederland op dat moment nog geen sprake was, gebruiken we de termen omdat ze als begrip wel degelijk gemeengoed waren in de internationale betrekkingen en de aardrijkskunde. Hetzelfde geldt voor 'Duitsers': Duits-land bestond nog niet, maar de inwoners van de vele toenmalige Duitssprekende staatjes werden toch al Duitsers genoemd.