Aan het einde van We zetten nu de afdaling in is Adam Kellas, die we tevoren hebben gevolgd als oorlogscorrespondent in Afghanistan tijdens de Amerikaans-Britse campagne tegen de taliban na de aanslagen van 11 september 2001, alweer op weg, voorjaar 2003, naar Basra in Irak. Er is nu eenmaal altijd een volgende oorlog om te verslaan.
...

Aan het einde van We zetten nu de afdaling in is Adam Kellas, die we tevoren hebben gevolgd als oorlogscorrespondent in Afghanistan tijdens de Amerikaans-Britse campagne tegen de taliban na de aanslagen van 11 september 2001, alweer op weg, voorjaar 2003, naar Basra in Irak. Er is nu eenmaal altijd een volgende oorlog om te verslaan. De Schot Kellas, 37, is journalist, maar wil een serieuze schrijver zijn (net zoals zijn schepper James Meek zelf dus, die voor The Guardian verslag uitbracht over de oorlogen in Afghanistan en Irak). Na twee aardige maar zeer slecht verkochte romans te hebben geschreven, gooit hij het over een andere boeg: terug uit Afghanistan fabriekt hij een Tom Clancy-achtig pulpboek, Rogue Eagle Rising, over een oorlog tussen de Verenigde Staten en West-Europa, met geen andere bedoeling dan een bestseller te scoren die hem genoeg oplevert 'om de rest van zijn leven te kunnen schrijven wat hij wilde, al was het misschien niets'. Maar net als hij nog maar één handtekening verwijderd is van een voorschot van 100.000 dollar, springt de overeenkomst met de uitgever op het allerlaatste ogenblik toch nog af. Wat ook al niet zo goed wil lukken, is Adams liefdesleven. Hij heeft een kortstondig huwelijk en een hoop dito relaties achter de rug. In Afghanistan leert hij Astrid Walsh kennen, een Amerikaanse collega. Hij beleeft een soort bizarre bruidsnacht met haar boven in een wachttoren op het vliegveld van Bagram, binnen schootsafstand van de taliban, enkele dagen voor Kabul valt, begin november - maar een maand later verdwijnt ze uit zijn leven: met de woorden 'Ik ga niet mee. Bel me niet' springt ze uit de helikopter die klaarstaat om onder meer Adam definitief weg te brengen uit Afghanistan. Als hij haar een jaar later toch terugziet, blindelings gehoorzamend aan een e-mail van haar met de opdracht haar te komen opzoeken, en wel onmiddellijk - blijkt die e-mail verstuurd te zijn geweest door een computervirus. Welnee, Astrid zat helemaal niet op hem te wachten. De gemeenschappelijke noemer van alle verwikkelingen in deze voortdurend van handelingsplaats verspringende (Afghanistan, Londen, Schotland, New York, Virginia, Irak) en er een stevige vaart in houdende roman zou je de paradox van de communicatie en het contact kunnen noemen. Via satellietverbindingen krijgt Adam zijn nieuws- of achtergrondstukken zonder veel moeite op zijn redactie vele duizenden kilometers verderop - maar tegelijk bestaat er een bijna onoverbrugbare kloof met wat zich voor zijn ogen afspeelt. Dat geldt op macroniveau voor het wereldgebeuren, waarvan het grote publiek kennis kan nemen zonder zich erbij betrokken te voelen ('Er was (...) een eigentijdse afstand van de dingen, een verschrikkelijke eigentijdse afstand (...) Er heerste een cultus van zien zonder weten en kijken zonder aanraken'), zoals het op microniveau geldt in de persoonlijke relaties van mensen (' (hoe makkelijk was het tegenwoordig voor mensen) om duizenden kilometers te reizen om binnen handbereik van iemand te komen, en hoe moeilijk om die laatste paar centimeters van hun hoofd naar hun hart te overbruggen'). We zetten nu de afdaling in is een roman die lof verdient: hij gáát ergens over, is knap gecomponeerd en houdt de spanning erin. Máár: niet alleen maar lof. Zo schrijft Meek niet alles altijd even voorbeeldig op - bij een zin als 'Het ectoplasma van een hoger streven zweefde in zijn kielzog' bijvoorbeeld kun je toch werkelijk alleen maar denken: doe niet zo spuuginteressant, jongen! Het boek is bovendien te dik: Meek maakt veel werk van allerlei op zich best geslaagde, maar daarom nog niet onontbeerlijke tafereeltjes, en hij gebruikt te veel vergelijkingen, zeker te veel geforceerde vergelijkingen. En de versmelting van liefde en (oorlogs)geweld, een belangrijk motief, is eigenlijk geslaagder uitgewerkt in bijvoorbeeld Mulisch' Het stenen bruidsbed. Toch laat de onheilspellende slotzin je niet onberoerd. Geen tegenvaller dus - maar Meeks vorige roman, De liefde van het volk, was wel beter. JAMES MEEK, WE ZETTEN NU DE AFDALING IN, UIT HET ENGELS VERTAALD DOOR MEA FLOTHUIS, DE ARBEIDERSPERS, AMSTERDAM/ANTWERPEN, 305 blz., 19,95 EURO.DOOR herman jacobs