Vijftien procent van de Vlamingen leeft onder de armoedegrens. Een derde van de werklozen verkeert in deze penibele situatie en zeven procent van de Vlamingen zal zelfs blijvend arm zijn. De cijfers komen uit een actieplan van Vlaams minister van Welzijn Inge Vervotte (CD&V) om de armoede in Vlaanderen terug te dringen. In een vorig actieplan waren ze nog duidelijk gunstiger.
...

Vijftien procent van de Vlamingen leeft onder de armoedegrens. Een derde van de werklozen verkeert in deze penibele situatie en zeven procent van de Vlamingen zal zelfs blijvend arm zijn. De cijfers komen uit een actieplan van Vlaams minister van Welzijn Inge Vervotte (CD&V) om de armoede in Vlaanderen terug te dringen. In een vorig actieplan waren ze nog duidelijk gunstiger. Andere, internationale rapporten bevestigen deze negatieve evolutie, maar dan voor het hele land. België zakt stilaan weg uit de kopgroep van sociale toplanden als het aankomt op de herverdeling van de welvaart. De achteruitgang in de klassering is te danken aan indicatoren zoals een lage activiteitsgraad, een hoge werkloosheid onder ouderen en allochtonen, een lage vervangingsratio van de pensioenen (tussen 40 en 60 procent van het laatste loon) en een hoge armoede onder sociale-uitkeringstrekkers en bejaarden. Het rapport over de sociale zekerheid, dat vakbonden en werkgeversorganisaties in juli aan de regering bezorgden, voegt andere elementen aan deze puzzel van het sociale dualisme toe. Het aandeel van de welvaart dat besteed wordt aan sociale bescherming, blijft al een kwarteeuw gelijk (ongeveer 17 procent), maar het systeem kampt met een uitgehold 'verzekeringsprincipe'. Gepensioneerden, werklozen, arbeidsongeschikten en invaliden gaan er al twintig jaar op achteruit omdat hun uitkeringen de evolutie van de welvaart niet volgen. De regering heeft voor hen in de voorbije jaren een inhaalbeweging gedaan, maar die heeft de toename van de armoede van de jaren negentig niet wezenlijk omgebogen. Van professor Bea Cantillon van het Centrum voor Sociaal Beleid (Universiteit Antwerpen) weten we dat de bodem van de sociale bescherming toen door het besparingsbeleid is weggeschoven. En wie eenmaal door die bodem zakt, komt terecht in een spiraal van een laag inkomen, een minderwaardige huisvesting, een slechte gezondheid, weinig kansen op werk en ongelijke onderwijskansen voor een volgende generatie. Cantillon en ook politici zoals Frank Vandenbroucke (SP.A) zijn daarom pleitbezorger van het Finse en bij uitbreiding het Scandinavische model. Dat model zet en houdt meer mensen aan het werk, zodat er minder mensen van een uitkering leven en die uitkeringen ook verhoogd kunnen worden. Het stemt diverse maatregelen op elkaar af: de activering van mensen met een uitkering, een arbeidsverdeling over de hele loopbaan, aandacht voor de arbeidsvoorwaarden van oudere werknemers, een specifieke aanpak voor laaggeschoolden en allochtonen, ingrepen die vermijden dat aan het loopbaaneinde mensen van het ene uitkeringsstelsel naar het andere verhuizen. In het Generatiepact zijn veel van deze maatregelen overgeslagen of zelfs opnieuw uitgehold (zoals met het terugschroeven van het tijdskrediet). Het Belgische pact is slechts een bescheiden aanzet tot het Scandinavische model. Patrick MartensBelgië scoort almaar slechter in het herverdelen van de welvaart.