Leefbaar Vlaanderen
...

Leefbaar Vlaanderen'We beweren niet dat we het persoonlijk geluk van de inwoners hebben gemeten', zegt professor Thierry Eggerickx, die met de onderzoeksgroep Demografie van de Université catholique de Louvain (UCL) de ranglijst van gemeenten heeft opgesteld. 'Wel hebben we aan de hand van de beschikbare gegevens een index opgesteld die aangeeft in welke mate bepaalde voorwaarden aanwezig zijn die van belang zijn voor het dagelijks leven in de gemeenten.' Eggerickx geeft het voorbeeld van Brussel, dat zich net zoals de andere grote steden in de kelder van het klassement bevindt, maar dat voor veel mensen de beste plaats kan zijn om te wonen. 'Sommige mensen voelen zich alleen goed in een grote stad en nemen er met plezier de nadelen bij. Zelfs in de slechtst scorende wijken kan iemand zich perfect gelukkig voelen, bijvoorbeeld omdat al zijn vrienden er wonen en die persoon daar veel belang aan hecht.' Die belangrijke nuancering neemt niet weg dat er zowel binnen België als binnen de deelgebieden grote verschillen blijven bestaan tussen de gemeenten. 'Wie de Belgische kaart zou bekijken, zou meteen merken dat er nog steeds een tegenstelling is tussen Vlaanderen en Wallonië', zegt Eggerickx. De tweede belangrijke vaststelling was ook al gebleken na het onderzoek van twee jaar geleden: de grote steden scoren slecht en de gemeenten in de onmiddellijke rand kunnen de beste papieren voorleggen. Dat is heel duidelijk te zien in Vlaams-Brabant, maar bijvoorbeeld ook in de gordel van gemeenten ten oosten van Antwerpen, met onder meer Schilde als absolute topgemeente. In de ranglijst van de Vlaamse gemeenten heeft zij de plaats ingenomen van Tervuren, dat vorig jaar nog eerste stond maar zich nu tevreden moet stellen met een achtste plaats. 'Grote verschuivingen in vergelijking met 2006 zijn er evenwel niet', zegt Eggerickx. 'Dat hadden we in zo'n korte periode ook niet verwacht.' Het onderzoek zelf is wel veranderd. Binnen elk van de vier indicatoren - economie, huisvesting, leefmilieu en diensten - zijn de gegevens veel completer dan in 2006. Met in totaal 31 variabelen, lijkt de studie een tamelijk goed beeld te schetsen van de levensomstandigheden in de gemeenten. Toch zijn er ook een aantal schijnbaar vanzelfsprekende parameters die niet opgenomen werden. Mobiliteit bijvoorbeeld, waarvan Eggerickx erkent dat ze van doorslaggevend belang is bij de keuze van de omgeving waarin iemand gaat wonen. 'Een van de eerste vragen die mensen zich stellen als ze verhuizen, is de afstand naar het werk. Helaas is mobiliteit heel moeilijk om te meten en bestaan er geen concrete cijfers over.' De afwezigheid van dat criterium zou een van de oorzaken kunnen zijn van de slechte scores van de grote steden. Wie in een stad woont, verliest doorgaans veel minder tijd in de file van en naar het werk. Binnen de indicator 'diensten' zouden de steden terrein kunnen goedmaken op de kleinere gemeenten. Antwerpen, Gent en de andere centrumsteden zijn inderdaad bovenaan op de lijst terug te vinden, maar de indexwaarden liggen bij deze indicator veel minder uiteen dan bij huisvesting of economie. 'Dat komt door de gegevens die we gebruiken', zegt Eggerickx. 'In elke gemeente is er wel minstens één dokter, apotheker of kinderdagverblijf. Als je de oude gemeenten van voor de fusie zou bestuderen, zou je wel tot een grotere afscheiding komen tussen de steden en de dorpen. Doordat die er nu niet is, wordt het gewicht van de diensten als indicator minder groot. We zijn ons daarvan bewust. In de toekomst moeten we ook proberen om bijvoorbeeld commerciële diensten als variabele op te nemen, zoals supermarkten of speciaalzaken.' De onderzoeksgroep van de UCL werkt momenteel aan een nieuwe methode om ook binnen de gemeenten de verschillen op te meten tussen bepaalde buurten. 'Het is niet omdat Antwerpen slecht scoort, dat er daar geen wijken zijn die heel goede cijfers kunnen voorleggen', zeg Eggerickx. Uit de testcases die er al geweest zijn, blijkt dat die gedetailleerde studies niet alleen voor de grote steden nuttig zouden zijn. 'Ook in kleine gemeenten hebben we al vastgesteld dat er bijvoorbeeld wijken zijn waar alleen maar bejaarden wonen en andere buurten met enkel jonge gezinnen. Dat zou een groot verschil opleveren mochten we hun index berekenen.' Dat de meeste steden onderaan in de ranking terug te vinden zijn, heeft uiteraard niet alleen te maken met het feit dat ook in kleinere gemeenten voldoende diensten aanwezig zijn. Het spreekt voor zich dat de grote steden minder groene ruimtes hebben. En hoewel ze als werkplaats economisch veel rijkdom genereren, blijven ze als woonplaats de grootste herberg voor werklozen en armere gezinnen. Wie het zich kan permitteren, vlucht naar de gemeenten in de rand waar het rustiger wonen is. 'Maar ook daar stellen we een evolutie vast', zegt Eggerickx. 'We laten in onze berekening de grondprijzen buiten beschouwing omdat ze op zich weinig zeggen over de kwaliteit van de woning. Het aantal badkamers of wc's is een betere indicatie van comfort. Maar die hoge grondprijzen hebben wel een grote invloed op de migratie naar de rand. Om lagere prijzen te vinden, gaan de mensen steeds verder van de stad wonen. Het nadeel daarvan is natuurlijk dat het woon-werkverkeer steeds meer tijd in beslag neemt. Diegenen die toch dicht bij de stad willen blijven wonen, moeten dieper in de geldbuidel tasten. Bankiers hebben mij er al op gewezen dat steeds meer jonge gezinnen een lening aangaan van veertig jaar omdat ze het bedrag in twintig of dertig jaar niet kunnen afbetalen.' Behalve de grote steden en enkele vaste klanten zoals Ronse, Zelzate of het piepkleine Mesen, springen enkele grotere 'bruine vlekken' in het oog op de kaarten met de afzonderlijke indicatoren. Zo is er in Zuid-West-Vlaanderen langs de Franse grens van Menen tot Alveringem geen enkele gemeente die erin slaagt om uit de laagste categorie weg te blijven wat betreft huisvesting. 'Die lijn zet zich ook door in de Waalse gemeenten langs de Franse grens', vult Eggerickx aan. 'Veel van de huizen hebben nog een toilet buiten of beschikken niet over een badkamer. Dat aantal is nauwelijks gewijzigd in vergelijking met de cijfers van 1991 en zelfs van in 1981. In andere regio's tref je veel meer nieuwe of gerenoveerde huizen aan.' Te midden van de goede scores in Vlaams-Brabant valt het slechte resultaat van Tienen op. Buurgemeenten Kortenaken, Geetbets, Linter, Bekkevoort en Glabbeek scoren alleen slecht voor de indicator 'diensten'. Eggerickx heeft er niet onmiddellijk een verklaring voor, 'maar hoogstwaarschijnlijk heeft het te maken met het feit dat het om zeer kleine gemeenten gaat die van heel Vlaams-Brabant dan ook nog eens het verst van de grote steden Brussel of Leuven verwijderd zijn.' Op economisch gebied blijft de kuststrook slecht presteren. 'Het aantal bejaarden neemt daar nog toe. Dat heeft zijn invloed op de activiteitsgraad, maar ook op andere variabelen zoals het aantal gezins- leden of het opleidingsniveau. Veel bejaarden hebben nooit een hoger diploma behaald.' De regio's rond Aalst en Kortrijk springen op hun beurt in het oog als het gaat over het leefmilieu. 'Ze hebben een industriële achtergrond. Een groot deel van de oppervlakte is bebouwd. Daar waar de industrie ondertussen verdwenen is, zouden de lokale overheden wel dringend een inspanning moeten leveren om de gronden een andere invulling te geven', zegt Eggerickx. Hij weet nú al dat er weer kritiek zal komen op de studie, 'vooral van die gemeenten die zelf denken dat ze het goed hebben en toch slecht gerangschikt staan. Zoals gezegd: slechte indicatoren zijn geen bewijs dat de inwoners zich slecht voelen. Wel geven ze een signaal dat er problemen kunnen zijn en dat het ook in de 21e eeuw in een goed ontwikkelde regio als Vlaanderen niet overal koek en ei is.'De resultaten over Wallonië verschijnen in ons zusterblad Le Vif/L'Express en staan vanaf donderdag op de site van Knack.beDOOR HANNES CATTEBEKE