Vorige week kreeg Hella Haasse de prijs van het Vlaamse P.E.N.-Centrum. Hugo Bousset hield de laudatio. Een fragment.
...

Vorige week kreeg Hella Haasse de prijs van het Vlaamse P.E.N.-Centrum. Hugo Bousset hield de laudatio. Een fragment.Hella Haasse is nu een gevierd auteur in Nederland en Vlaanderen. Maar die grote waardering viel wel samen met haar verhuizing naar Frankrijk in 1981, alsof ze pas vanuit het buitenland het vaderland kon veroveren een verhaal dat ook Cees Nooteboom niet onbekend zal zijn. Juist in 1981 ontving ze de Constantijn Huygensprijs ; in 1984 volgde de P.C. Hooftprijs. Ze verwierf eredoctoraten aan de universiteiten van Utrecht (1988) en Leuven (1993). Intussen was Haasse in het buitenland uitgegroeid tot één van onze schaarse succesrijke auteurs. De roman ?Het woud der verwachting? (1949) werd tussen 1989 en 1993 met groot succes vertaald in het Engels, Frans, Italiaans, Spaans en Duits. Vooral de Amerikaanse vertaling ?In a Dark Wood Wandering? bij Academy Chicago Publishers kreeg schitterende kritieken en bereikte hoge oplagen. Dat succes kan toe te schrijven zijn aan het belang dat Amerikanen hechten aan historische romans, maar ik ben er tevens van overtuigd dat door Haasses oeuvre een internationale wind waait. Ze heeft niets van de gewoonheid en bekrompenheid die de Nederlandse roman vaak zo ongenietbaar maken, en ook het grote gelijk is haar vreemd. Ze houdt van meerstemmigheid, en beweegt zich met élégance door allerlei tijdperken en in allerlei landen. Dat is allicht het voorrecht van iemand die haar hele jeugd in het toenmalige Nederlands-Indië doorbracht en tien jaar in de buurt van Parijs heeft gewoond. Diezelfde hang naar veelstemmigheid maakt het ook moeilijk Haasse te plaatsen in de emancipatiebeweging, of in gelijk welke beweging, omdat ik citeer haar ?de werkelijkheid uit zoveel verschillende en vooral andersoortige lagen bestaat, op zoveel uiteenlopende niveaus zich afspeelt, vol is van paradoxen en uiterst ingewikkelde samenhangen.? Zo zijn volgens Haasse de grenzen tussen het mannelijke en het vrouwelijke moeilijk te trekken. ?In aanleg bezit ieder mens in zich man en vrouw.? Er zijn ?zoveel manieren om man of vrouw te zijn als er mensen zijn,? zo schrijft ze. Maar die manieren zijn vanzelfsprekend gelijkwaardig, hoe ongelijkaardig ze voorts ook mogen zijn. Hier is geen sprake van feministische literatuur, wel van een écriture feminine, die eigenzinnige vrouwelijke blik, die ook de blik is van bijvoorbeeld de achttiende-eeuwse gravin Charlotte Sophie von Aldenburg, de hoofdpersoon van de twee Bentinck-romans, die in volle pruikentijd openlijk bij haar minnaar logeert. Even ingewikkeld is de vraag of de Indische romans van Hella Haasse, zoals ?Oeroeg? (1948) en ?Heren van de thee? (1992), geschreven zijn vanuit een koloniale of postkoloniale mentaliteit. Nooit heeft de auteur het koloniale systeem, waaraan haar vader als hoofdinspecteur van financiën deelnam, zomaar veroordeeld. Haar Indische jaren waren de jaren van de onbevangen jeugd, die ze als harmonisch heeft ervaren. Later stelt ze zich de vraag of die harmonie niet bedrieglijk was en snijdt ze de navelstreng met haar geboorteland door. Ze beseft dat ze alleen zo recht doet aan de blik van de andere, van de Indonesiër. En iets voelt van de stille kracht.