Elke boer is goed voor drie andere jobs. Dat en ook nog andere zaken staan in een balans van het belang van de land- en tuinbouw.
...

Elke boer is goed voor drie andere jobs. Dat en ook nog andere zaken staan in een balans van het belang van de land- en tuinbouw. DE economische handboekjes houden het obligaat bij de voorstelling van een krimpende landbouw, primaire sector genoemd, met een werkgelegenheid van zo'n twee procent van de actieve bevolking. Marginaal, als het ware. Sinds de economie globaliseert in een wereld zonder economische grenzen, boert volgens de handleidingen echter ook de secundaire sector achteruit. De industrie vertegenwoordigt nu ongeveer twintig procent van de werkgelegenheid. En voorts heet het dat de tertiaire sector, die van de diensten met ambtenaren en bedienden, de achteruitgang van het industriële werk opvangt. Dat laatste klopt evenwel helemaal niet meer : ook de tertiaire werkgelegenheid kalft af ten gevolge van de computerisering van het kantoorwerk en zelfs ten gevolge van de verhuis van dienstenwerk naar lage-loonlanden. Maar ook de eerste stelling strookt niet met de werkelijkheid. De zogenaamde verschrompeling van de landbouw beantwoordt niet aan de feiten. De land- en tuinbouw staan namelijk niet geïsoleerd in de economie, zij vormen de spil van een aanzienlijke economische activiteit. In een rapport bij zijn jaarverslag 1995 noteert de studiedienst van het Landbouwkrediet : ?Stroomopwaarts draagt de landbouw bij tot de industriële groei door de aankoop van productiemiddelen bij tal van leveranciers. Denken we maar aan landbouwmateriaal, meststoffen, bestrijdingsmiddelen, veevoeders... Stroomafwaarts levert de landbouw de grondstoffen voor de verwerkende bedrijven melkerijen, suikerfabrieken, maalderijen, slachthuizen,... van onze agrovoedingsindustrie. (...) Een groot aantal instellingen en diensten van de tertiaire sector vindt een bestaansreden in de omkadering van de landbouw. Dierenartsen, administraties, financiële instellingen, landbouwonderwijs... zijn nauw met de sector verbonden.? Het Landbouwkrediet telt (voor 1994) ruim 125.000 mensen die werken in de land- en tuinbouw. Velen van hen doen dat echter deeltijds, alleen tijdens drukke perioden van het jaar, zodat de studiedienst van de kredietinstelling rekent met een voltijdse werkgelegenheid van 83.000. Dat stemt overeen met twee procent van de actieve bevolking. Ter vergelijking, er zijn twee keer zoveel boeren en tuinders als textielarbeiders. De landbouwers verouderen echter, wat wellicht nog het beste de demotivatie van de sector bewijst. De helft van de bedrijfsleiders is ouder dan vijftig jaar en nog geen twintig procent van hen heeft een vermoedelijke opvolger. HALF BELGIE.Ondanks de verkavelingswoede beschikken land- en tuinbouw nog over 45 procent van het Belgische grondgebied. Daarop realiseren ze een productie met een totale waarde van 255 miljard frank, wat neerkomt op een bijdrage van 1,48 procent aan het bruto nationaal product. In werkelijkheid wegen de landbouwcijfers nog een stuk zwaarder. Het is een publiek geheim dat rond de boerderijen en de tuinbedrijven het zwart-grijze werk welig tiert maar vanzelfsprekend voelt het Landbouwkrediet zich niet geroepen om dit verschijnsel te becijferen, temeer daar zelfs de overheid er niet om schijnt te malen. Achter elke boer en tuinder staan stroomopwaarts en stroomafwaarts, zoals dat heet drie werknemers in ondernemingen die respectievelijk aan de landbouw leveren en ervan kopen. De industrie levert voor 170 tot 180 miljard frank aan land- en tuinbouw. Dat komt vooral op de rekening van de producenten van veevoeders die zelf ook afnemers van granen zijn en de constructeurs van tractoren en landbouwmachines. Hoewel de machinerie groter en duurder wordt, behoort de gouden tijd voor die laatste categorie tot het verleden. Die bedrijven halen niet meer de recordomzetten van de jaren tachtig. Onder druk van de milieuzorg daalde voorts het gebruik van meststoffen. In totaal strooien boeren en tuinders voor een respectabele acht miljard frank, maar dat is voor vier miljard frank minder dan tien jaar geleden. In volgorde van het financieel gewicht van de eindproductie, staan in de akkerbouw de suikerbieten op nummer één, gevolgd door aardappelen en met granen als op twee na belangrijkste teelt. De Belgische suikerindustrie herstructureerde zich de jongste jaren tot drie groepen, die samen 6 procent van de Europese productie aan witte suiker raffineren. Opvallend is dat de boeren een derde van hun aardappelenoogst zelf rechtstreeks aan de consument verkopen. Stroomafwaarts wegen de vleesindustrie en de zuivelnijverheid het zwaarste door. Bijna 700.000 koeien geven samen over de drie miljoen ton melk, iets meer dan het melkquotum dat Europa aan België toekende. Onder druk van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid daalde de melkproductie in tien jaar tijd met 15 procent omgerekend betekent dat 25 procent minder melkkoeien en 48 procent minder melkboeren. Vleesproductie manifesteert zich als de activiteit van de grote getallen. Op de weiden en in de stallen vetten 3,2 miljoen runderen en zeven miljoen varkens. Met een productiewaarde van over de 52 miljard frank of meer dan 20 procent van de totale productiewaarde van de land- en tuinbouw, is het varkensbedrijf de belangrijkste sector van de Belgische landbouweconomie. De zelfvoorzieningsgraad (het beantwoorden van de eigen behoefte) voor het rundsvlees beloopt 164 procent en een ongelooflijke 197 procent voor varkensvlees er lopen hier bijna twee keer zoveel varkens rond als de Belgen kunnen verteren. Vanzelfsprekend resulteert dat in een sterk positieve handelsbalans voor runderen en varkens. België laat zich kennen als exporteur van zowel levende dieren en karkassen als van vlees. De vleeskippenstapel beloopt 25 miljoen stuks en de twaalf miljoen legkippen ?produceerden? samen 3,5 miljard eieren. SNOEPGOED.Samen met de tweede verwerkingssector, die suiker omzet tot snoepgoed en limonades, mout tot bier, meel tot brood, vlees tot vleeswaren, voorziet de hele agro-voedingssector 86.000 arbeidsplaatsen of 13,2 procent van het aantal werknemers in de verwerkende industrie. Die sector, met 823 miljard frank omzet, rangschikt zich na de metaalnijverheid als de belangrijkste bedrijfstak van het land. Met rond de 11 procent in- en uitvoer is hij overigens ook niet onbelangrijk op het vlak van buitenlandse handel. Het is trouwens mogelijk die berekeningen nog verder door te trekken : ook de lederwaren-, de wol- en de textielindustrie en de brouwerijsector steunen deels op de landbouw. Maar de studiedienst van het Landbouwkrediet gaat op die verre stroomafwaartse activiteiten niet dieper in. Niet dat de mensen van die dienst hun eigen markt willen onderschatten. Zo vervolledigen zij hun balans wél met gegevens over klein- en groothandel. En dan schrijven zij een balanstotaal van 270.000 arbeidsplaatsen in, of 6,5 procent van de actieve bevolking. Zonder de werkgelegenheid in de landbouwministeries, de scholen en hogescholen, de boerenverenigingen en de gespecialiseerde banken, mee te rekenen. De conclusie van de studiedienst luidt dan ook terecht : ?Wanneer men de land- en tuinbouw in zijn geheel beschouwt, komt men tot de vaststelling dat deze veel belangrijker is dan doorgaans wordt aangenomen.? Niettemin schrijft voorzitter Jacques Rousseaux van het Landbouwkrediet in zijn recent jaarverslag : ?Wij zijn niet blind voor de evoluties in onze westerse economieën. Land- en tuinbouw is geen groeisector en men kan er niet naast kijken dat het aantal exploitanten een voortdurend dalende lijn vertoont. Wij zijn dan ook sinds enkele jaren bewust aan het diversifiëren naar de hele rurale wereld toe.? Guido DespiegelaereDe landbouw doet veel economie draaien.