Ze wordt er soms helemaal gek van, bekent ze. De Nederlandse Justine van Lawick is klinisch psychologe bij het Haarlemse Lorentzhuis en werkt al sinds 1975 rond complexe familieproblematieken. Maar vechtende ouders begeleiden vindt ze het moeilijkste wat ze al heeft gedaan. 'Laatst kwam er weer een vader bij me die me er met alle macht van de wereld van probeerde te overtuigen dat zijn ex-vrouw een psychiatrische aandoening heeft. "Ik weet het zeker, ze heeft borderline", zei hij. "Ik heb het nagekeken op het internet en ze heeft écht alle symptomen." Mijn mailbox liet hij overstromen met eindeloze berichten, voorbeelden en documenten die zijn gelijk moesten staven. Een dialoog was niet mogelijk. Tja, als je dat soort situaties meemaakt, voel je weleens de aandrang om de handdoek in de ring te gooien en die mensen het dan maar zelf te laten uitzoeken.'
...

Ze wordt er soms helemaal gek van, bekent ze. De Nederlandse Justine van Lawick is klinisch psychologe bij het Haarlemse Lorentzhuis en werkt al sinds 1975 rond complexe familieproblematieken. Maar vechtende ouders begeleiden vindt ze het moeilijkste wat ze al heeft gedaan. 'Laatst kwam er weer een vader bij me die me er met alle macht van de wereld van probeerde te overtuigen dat zijn ex-vrouw een psychiatrische aandoening heeft. "Ik weet het zeker, ze heeft borderline", zei hij. "Ik heb het nagekeken op het internet en ze heeft écht alle symptomen." Mijn mailbox liet hij overstromen met eindeloze berichten, voorbeelden en documenten die zijn gelijk moesten staven. Een dialoog was niet mogelijk. Tja, als je dat soort situaties meemaakt, voel je weleens de aandrang om de handdoek in de ring te gooien en die mensen het dan maar zelf te laten uitzoeken.' Maar dat deed Van Lawick niet. 'Want er zijn altijd nog die kinderen. Voor hen zijn vechtscheidingen zo enorm pijnlijk.' Ze haalde er het Haarlemse Kinder- en Jeugdtraumacentrum bij en samen werkten ze een nieuwe therapievorm uit die goede resultaten oplevert. Ook dramatherapeut Erik van der Elst was er van meet af aan bij betrokken. Van der Elst: 'Wij krijgen echt de hardnekkigste gevallen over de vloer. Mensen die vaak al jaren aan het vechten zijn en die ten slotte door de rechter of de jeugdbescherming naar ons zijn doorverwezen.' Van Lawick: 'Ze zitten vast in bevroren relaties. Wij proberen daar opnieuw wat smeltwater in te krijgen, wat warmte. In plaats van altijd maar het gevecht, de irritatie en de demonisering.' Van der Elst: 'Dat lukt aardig. Een derde van de mensen die wij behandelen, maakt een omslag en komt tot een leefbare situatie. Een derde raakt op het goeie spoor, maar heeft nog wat begeleiding nodig. En dan is er nog een derde die zo vastzit in zijn tunnelvisie dat wij het helaas ook even niet meer weten.' De KU Leuven is onder de indruk van die resultaten en wil de Nederlandse aanpak ook in ons land ingang laten vinden. Daarom nodigde de universiteit de twee Haarlemse therapeuten onlangs uit voor een studiedag. Zij gaan binnenkort ook Belgische therapeuten trainen zodat die hun methode - die ze treffend Kinderen uit de knel noemden - ook hier kunnen toepassen. JUSTINE VAN LAWICK: Ik vind dat een vervelende uitdrukking, omdat het woord schuld erin zit. Het is eerder zo dat de twee ex-partners vast zijn komen te zitten in een strijd die steeds verder geëscaleerd is. Hoewel ze dat allebei niet willen, worden ze erin meegezogen. Het begon met mildere conflicten waar ze met hulp nog uit hadden kunnen komen, maar er kwamen steeds meer emoties bij. Op den duur bereikten ze een punt waarop het heel erg over winnen en verliezen is beginnen te gaan. Als ik win, verlies jij, zo zijn ze gaan denken. Maar wij zeggen: 'Als het daarrond draait, verliezen de kinderen.' Ouders in een vechtscheiding hebben zichzelf totaal niet meer in de hand en gaan desnoods samen de afgrond in. ERIK VAN DER ELST: Ze hebben er soms ook wel al 100.000 euro aan rechtszaken in gestopt. Om dan je verlies te nemen, dat is een hele lastige. Er is ook het gezichtsverlies wat ze vrezen. Ouders zeggen dat ze niet kunnen stoppen omdat het dan zou lijken alsof ze hun kinderen laten vallen. 'Hoe zullen zij later naar mij kijken als ik niet ben blijven vechten voor die omgangsregeling? Dan denken ze vast dat ze niet waardevol voor me zijn.' VAN LAWICK: Wat ook belangrijk is: er draait een heel netwerk in mee. Het zijn niet alleen twee ex-partners maar hele gemeenschappen die in strijd met elkaar zijn. Dan zegt een vrouw: 'Zijn ouders hebben me nooit gemogen. Nu hebben ze eindelijk hun zoon terug en willen ze ook de kleinkinderen inpikken.' Nieuwe partners spelen vaak een rol. Ik zie dikwijls ex-partners die prima aan het scheiden waren, de kinderen hoefden er nauwelijks iets van te merken. Maar dan krijgt de vader een nieuwe vriendin. Die zegt: 'Moet je daar nu alweer een lampje indraaien! Da-aag, dat gaan we echt niet meer doen.' En dan trekt die vader zich terug en begint de vechtscheiding. VAN LAWICK: Klopt, en dat heeft te maken met een maakbaarheidsgedachte waar ze aan vasthouden. Het zijn mensen die altijd het leven mee hebben gehad. Ze zijn opgegroeid in welvaart, hebben een goeie opleiding genoten, kregen een leuke baan, later een leuke relatie. En dan blijkt dat die partner, met wie ze inmiddels kinderen hebben, toch niet zo'n goeie keuze was. Dat hun relatie niet lukt, is de eerste grote tegenslag die ze meemaken. Dat moet dan wel aan die ander liggen, want 'ik doe het toch alleen maar goed'. Daar komt nog bij dat hoogopgeleiden veel taal hebben. Ze hebben veel mogelijkheden om te vechten. Ze kunnen goed analyseren en argumenteren. VAN LAWICK: 'Ik doe het voor mijn kind!' Dat roepen ze steeds. Dat zinnetje kan ik intussen niet meer horen. VAN DER ELST: Wat voor een buitenstaander zo duidelijk is - dat hun kinderen eraan kapotgaan - kunnen de ouders, verblind door de strijd, niet meer zien. Ze zijn oprecht bang dat hun kinderen hetzelfde zal overkomen als zijzelf, dat ze ook in de steek zullen worden gelaten en gekwetst zullen worden door die ex. Daar willen ze hun kinderen voor behoeden. Ze zijn er oprecht van overtuigd geraakt dat hun ex een demon is, en die boodschap geven ze door aan hun kinderen. Dat maakt die vechtscheiding voor kinderen zo pijnlijk. Kinderen houden vrijwel altijd van beide ouders. Het is op zich al heel naar om de twee mensen waar je het meest van houdt voortdurend te zien ruziemaken, maar wat daar nog bijkomt: je bent als kind altijd allebei. Je vindt altijd een stuk van je beide ouders in jezelf terug. Dus als je vader over je moeder zegt dat ze een bitch is en je moeder over je vader dat hij een rotzak is, dan gaat dat deels ook over jou. Dan blijft er op den duur ook niets meer van jou over. VAN LAWICK: Ouders hebben samen een kind gekregen en vervolgens zeggen ze: die ander is een duivel. Waarmee ze ook zeggen: de helft van mijn kind is een duivel. Dat is heel ernstig. VAN DER ELST: Klopt. Een voorbeeld. Een jongen van wie de ouders totaal niet meer communiceren, moet zijn eigen tas pakken, al is hij daar nog te jong voor en kan hij dat nog helemaal niet goed. De moeder zegt: 'Denk erom, neem na het weekend dat shirt terug mee. Of zeg tegen je vader dat hij je dat meegeeft.' Vervolgens vergeet de jongen dat en komt hij bij zijn moeder: 'Zie je wel, je vader houdt bewust die nieuwe kleren achter die ik voor je heb gekocht!' Waarop die jongen denkt dat het toch weer zijn schuld is dat zijn moeder zo boos is op zijn vader want hij heeft zelf zijn shirt vergeten, hij had eraan moeten denken... Afgrijselijke buikpijn: dat krijgt zo'n jongen ervan. VAN LAWICK: Als ze tegen mama zeggen hoe droevig ze zijn, zegt zij: 'Zie je nu wat je vader je aandoet, ik heb het je altijd al gezegd wat een gemenerik hij is.' Als ze aan papa vertellen hoe leuk hun weekend was met mama en haar nieuwe vriend, wordt papa heel verdrietig. Dus die kinderen leren wel om hun mond te houden. VAN DER ELST: Als er iets mis gaat op school, kunnen ze dat ook haast niet kwijt, want als ze slechte punten halen dan 'heeft papa te weinig huiswerk met je gedaan' of 'mama stuurt je steeds te laat naar bed'. VAN LAWICK: Ze kunnen niets kwijt aan hun ouders, want alles wat ze zeggen wordt als munitie in de strijd gebruikt. VAN DER ELST: Kinderen raken zo enorm in de war van een vechtscheiding omdat ze in twee werelden moeten leven. Dat kan niemand aan. Ook volwassenen niet. VAN LAWICK:Parental alienation syndrome noemen ze dat in de VS. Ook hier is het nu een officieel erkende term. Wij zien steeds meer kinderen die daarmee gediagnosticeerd worden. Ik wil niet tegenspreken dat dat gedrag bestaat, in onze groep zien we vaak kinderen die zo door één ouder meegenomen worden in de demoniserende gedachten over de ander dat ze vader of moeder helemaal afwijzen. Maar ik vind het schrijnend dat met dit syndroom het probleem opnieuw bij de kinderen wordt neergelegd. Als je al van een syndroom wilt spreken, dan hebben de ouders dat. VAN LAWICK: Ja, ik vind het echt kindermishandeling. VAN DER ELST: Er ontstaat echt een onveilige situatie voor de kinderen. VAN LAWICK: Ouders verliezen hen totaal uit het oog. Wij zijn met een onderzoek bezig waarin we aan kinderen vragen om een lijst in te vullen waarin ze aangeven op de hoeveelste plaats ze zelf denken te komen voor hun ouders. Heel vaak is dat pas op de vijfde of de zesde plaats, na de nieuwe partner en de nieuwe kinderen. VAN DER ELST: Zelfs de hond schalen ze nog hoger in. Kun je nagaan wat dat met het zelfbeeld van een kind doet. Dat is zo enorm beschadigend. VAN LAWICK: Wat we bij veel ouders zien, is dat ze op een of andere manier afschuwelijke kwetsuren hebben opgelopen, als kind, in een liefdesrelatie of door de scheiding. Ze hebben bijvoorbeeld geweld meegemaakt of zijn op een akelige manier in de steek gelaten. Ze hebben een diepe pijn gevoeld en die dragen ze voortdurend met zich mee. Daardoor is hun vanzelfsprekende vertrouwen in de wereld verloren gegaan. De Amerikaanse hoogleraar psychiatrie Daniel Siegel spreekt in dat verband over het window of tolerance dat klein is geworden. We hebben als mens een soort raamwerk waarbinnen we emoties reguleren. Hoe veiliger je leven, hoe groter dat raamwerk is. Veel vechtscheidende ouders zitten buiten dat raamwerk. Het zijn gewonde dieren die uithalen en blazen. Ze zijn bezig met overleven. Ze leven onder een voortdurende stress en daardoor luisteren ze niet goed naar anderen en zien ze niet wat ze hun kinderen aandoen. Dat doen ze niet uit slechtigheid, daar ben ik van overtuigd, maar het is wel kindermishandeling. VAN LAWICK: Een van de redenen is het tweehoofdig gezag bij echtscheidingen dat standaard is geworden. Vroeger had je - om het simpel te zeggen - één hoofdouder, meestal de moeder, en één bijouder, de vader dan. Vandaag hebben in de hele westerse wereld beide ouders evenveel gezag. Ze hebben evenveel in te brengen over de schoolkeuze van hun kinderen bijvoorbeeld of over hoe hun levens worden ingedeeld. Er zijn dus altijd twee kapiteins op het schip die samen de koers moeten bepalen. Zoiets is heel moeilijk als je in een pijnlijke scheiding zit. VAN DER ELST: Let wel: daarmee zeggen we niet dat we terug moeten naar de situatie van vroeger. Helemaal niet. Maar het moet wel anders. VAN LAWICK: In Noorwegen krijgen scheidende ouders bijvoorbeeld gratis een aantal bemiddelingsgesprekken bij een therapeut. Zoiets werkt preventief, want mensen belanden niet meteen bij de advocaat. Als we dat ook hier zouden invoeren, zou dat de maatschappij veel geld schelen. VAN DER ELST: Het is een groepstherapie. We brengen zes vechtscheidende gezinnen samen voor acht sessies van twee uur. De ouders en de kinderen werken wel elk in een eigen groep. VAN LAWICK: Een belangrijke voorwaarde die we aan de ouders stellen, is dat ze alle juridische procedures opschorten. Vanwege het vertrouwen. Alles wat je zegt kan immers weer tegen je gebruikt worden, terwijl we hier juist bruggen bouwen. VAN DER ELST: In de oudergroep gaat het erom dat de demoniserende processen worden gestopt en dat het kind opnieuw centraal komt te staan. Daarvoor doen we therapeutische oefeningen en rollenspellen.Ouders wisselen steeds van perspectief: soms zitten ze helemaal in de strijd, dan zijn ze toeschouwer of buddy en een andere keer zitten ze in de positie van het kind. VAN LAWICK: We laten bijvoorbeeld twee ouders plaatsnemen op kinderstoeltjes en vragen hen om zich in te beelden dat ze een kind zijn. Over hun hoofden heen gaan de anderen aan het schreeuwen en ruzie maken, ze slingeren elkaar verwijten naar het hoofd. 'Jij bent alleen met jezelf bezig!', 'Het is jou alleen om het geld te doen!', 'Jij houdt je nooit aan je afspraken, weet je wel wat dat voor die kleine betekent!' Het is indrukwekkend om te zien wat er met de personen gebeurt op de kinderstoeltjes. Ze worden krijtwit of beginnen te huilen. Ze krijgen buikpijn, willen wegvluchten, stoppen hun oren dicht. Daarna komen de volgende twee aan de beurt, tot iedereen geweest is. VAN DER ELST: Dit is zo'n krachtige oefening. Naarmate we dit herhalen, vinden ouders het almaar moeilijker om ruzie te maken omdat ze zijn gaan voelen hoe dit voor hun kinderen is. Daardoor worden ze weer ouder. Ze gaan beseffen dat ze dit niet langer voor hun kind willen, terwijl eerder de gedachte overheerste dat ze zich helemaal niets door hun ex zouden laten opleggen. VAN LAWICK: Het lijkt op het eerste gezicht wat vreemd om al die vechtende ouders samen te zetten, maar het werkt heel goed omdat mensen tijdens de therapie hun gedrag gespiegeld zien bij anderen. Exen zien andere exen strijden. Ze worden toeschouwer van hun eigen gevecht en dat brengt hen in een positie van reflectie. Ouders kunnen elkaar ook helpen en tips geven. VAN DER ELST: Zij krijgen in tegenstelling tot hun ouders geen therapie. We hebben gemerkt dat dat bij deze kinderen niet lukt of hen zelfs net gevoeliger maakt. Met therapie pak je hun beschermjas af waardoor ze juist meer van de pijn gaan voelen. Voor de kinderen is het vooral belangrijk dat ze van anderen kunnen horen hoe het is, de groep is een soort lotgenotengebeuren. Daarnaast gaan ze creatief aan de slag. Ze tekenen, maken film, muziek, graffiti over wat hen bezighoudt. Ze spelen bijvoorbeeld in een toneelstukje een telefoongesprek na waarvan de ouders dachten dat ze het niet gehoord hadden. In de laatste sessie presenteren ze hun creaties aan hun ouders en dat komt wel aan, hoor. VAN LAWICK: Ook de ouders vragen we om iets voor hun kinderen te maken waarin ze laten zien wat ze geleerd hebben en wat ze hun zoon of dochter toewensen. De laatste keer had een moeder de rugzak van haar kind geleend. Ze had er vier bakstenen in gedaan waarop ze allerlei emoties had geschreven: haat, pijn verdriet... 'Dit zit in jouw rugzakje', zei ze erbij, 'en dat hoort er niet. Ik ga het nu terugnemen want dit hoort bij ons.' Ze pakte het rugzakje uit en vulde het met mooie, lichte dingen. 'Dit hoort bij jou', zei ze. 'Jij mag spelen, jij mag licht zijn.' Dat heeft dat kind zo veel deugd gedaan. Hij is gaan praten, wat hij daarvoor niet deed. Hij is gaan groeien en leren. We zien het vaak, dat kinderen zo opknappen. Zelfs als hun ouders in onze ogen nog niet genoeg opgeschoten zijn, hebben de kinderen aan het eind toch minder klachten. Terwijl ze aan het begin juist met een veelheid aan klachten en symptomen worden aangemeld. VAN DER ELST: Het gebeurt dat ouders daarna weer bij elkaar op verjaardagen komen, maar dat is niet het einddoel van de therapie. VAN LAWICK: Het gaat erom dat die kinderen bevrijd worden en dat kan alleen als de ouders stoppen met vechten, op wat voor manier ook. Soms is een parallel solo-ouderschap - een term van de Belgische Lieve Cottyn - het hoogst haalbare. Dan laten de ouders elkaar juist meer los. Ze bemoeien zich niet meer met de ander en stoppen met strijden. VAN DER ELST: De paradox bij vechtscheidingen is dat mensen hun ex het liefst weg zouden willen uit hun leven, maar hem of haar tegelijk niet los kunnen laten. VAN LAWICK: Laatst hadden we een mooie presentatie van ouders die eerst vreselijk waren, maar die nu wel in een goed vaarwater zitten doordat ze geleerd hebben om elkaar los te laten. Hij is heel erg van de regels, altijd in pak, wil alles doen zoals het hoort. Terwijl zij een rommelkont is, het maakt niet uit hoe het gaat, als je jezelf maar kunt zijn. Ze zijn almaar bezig geweest met elkaar te veranderen, dat is een enorme knokpartij geweest. Bij hun eindpresentatie zeiden ze los van elkaar hetzelfde: 'Jullie hebben heel verschillende ouders en misschien is dat voor jullie ook wel rijk. We zullen dat nooit kunnen veranderen en we moeten het ook maar zo laten.' Dat was erg hoopgevend.DOOR ILSE DEGRYSE, ILLUSTRATIE JOOST SWARTE'We proberen weer wat smeltwater in bevroren relaties te brengen.' 'De kinderen kunnen niets kwijt aan hun ouders, want alles wat ze zeggen wordt als munitie in de strijd gebruikt.' 'We laten ouders plaatsnemen op kinderstoeltjes en vragen hen om zich in te beelden dat ze een kind zijn.'