Het recent geopende Stedelijk Museum voor Actuele Kunst in Gent houdt de geesten bezig, vooral door vragen op te roepen. Een vraag die opkomt, is of ook de wetenschap zou kunnen overkomen wat de kunst overkwam. Kunstenaars en wetenschappers hebben veel met elkaar gemeen. Allebei spreken ze over de wereld die ze gewaarworden en allebei zijn ze bezig voor zichzelf een wereld te scheppen. Is het denkbaar dat de wetenschap ooit even openlijk haar klassieke idealen laat vallen als de kunst heeft gedaan?
...

Het recent geopende Stedelijk Museum voor Actuele Kunst in Gent houdt de geesten bezig, vooral door vragen op te roepen. Een vraag die opkomt, is of ook de wetenschap zou kunnen overkomen wat de kunst overkwam. Kunstenaars en wetenschappers hebben veel met elkaar gemeen. Allebei spreken ze over de wereld die ze gewaarworden en allebei zijn ze bezig voor zichzelf een wereld te scheppen. Is het denkbaar dat de wetenschap ooit even openlijk haar klassieke idealen laat vallen als de kunst heeft gedaan? Wat waren de idealen van de kunst? Geen enkele theorie vertelt duidelijker wat een kunstwerk teweegbrengt dan de eigen ervaring. Wanneer ik een Van Eyck bekijk, of voor de leeuwenpoort van Mycene sta, of de Goldberg-variaties van Bach beluister, herken ik met grote duidelijkheid een van de eindeloos gevarieerde gedaanten waarin die universele eigenschap van de wereld die we "schoonheid" noemen, zich voordoet. Kunst spreekt door mooi te zijn. Ze brengt daarbij betekenissen tot uiting die voorbij het kunstobject zelf reiken. Een artistiek werk spreekt over méér dan zichzelf en ook over méér dan de kunstenaar die het maakte. Voorbij die twee ligt het mysterie dat tot uitbeelding werd gebracht en dat het hele universum kan zijn. Bovendien zijn kunstproducten nooit banale voorwerpen maar creaties die met grote technische vaardigheid tot stand werden gebracht. Kunst toont iets, verwijst naar iets en dòet iets. Dat is geen definitie, dat is mijn ervaring. Maar die geldt slechts voor werken die vóór het begin van de twintigste eeuw het licht zagen. Daarna werd het anders. Schoonheid viel weg als ideaal van de avant-garde en van elke stroming in het kielzog daarvan. Kunst diende voortaan te shockeren, niet te bevallen; zij moest omverschoppen, niet adoreren, afkeer uiten, spuwen, ontwrichten, blasfemeren. Het menselijke lichaam werd nog uitsluitend wanstaltig afgebeeld. Alleen in het gedrocht en in de absurditeit schuilt nog kunst. Schoonheid is kitsch. Méér betekenis dan zijn eigen mismaaktheid hoefde het kunstwerk niet meer te hebben, want lelijkheid spreekt een directe taal. Ook het keurslijf van de techniek werd afgelegd: wie niet kan schilderen, mag ook schilderen. Wat is dan nog moderne kunst? Ik mis geen definitie, maar een ervaring. Wat nog kunst heet, kan amuseren, irriteren of vervelen, maar zegt weinig. Enkele maatschappelijke trekken die het verschijnsel kenmerken, verschaffen wel meer duidelijkheid. Zoals de idolatrie die het bedrijf typeert. Wie Warhol heet, mag ook zijn keukengerief naar het museum dragen. Duchamp mocht er zijn fiets zetten. Twee strepen verf van Rothko zijn een "compositie". Warhol, Duchamp, Rothko zijn grote namen. De waarde die aan de objecten van hun hand wordt gehecht, getuigt van puur fetisjisme. In het Gemeentemuseum van Den Haag hangt een blokkendoos, Victory Boogie Woogie van Mondriaan - een zéér grote naam -, gekocht voor anderhalf miljard frank. Het kunstwerk wordt gelukkig dag en nacht bewaakt. Al kan men zich die extra kosten besparen, want mocht het gestolen worden, lever ik graag een nieuw. Maar geen gezeur over geld. We zijn niet arm en niets is zo gezond als een vlaagje gekheid af en toe, ook al zijn het nogal deprimerende vlagen. Maar waarom moet dit bonte vermaak "kunst" heten? Wat hebben Warhol en Van Eyck met elkaar gemeen? Is het door tegengesteld te zijn dat ze hun gelijksoortigheid verraden, zoals een stuk ijzer zowel door aan te trekken als af te stoten zijn magnetisme kan laten zien? Het gebeurt vaker dat de betekenis van een woord in zijn tegendeel omslaat. Wat nu kunst heet, bestond honderd jaar geleden ook, maar heette toen gewoon onwelvoeglijkheid of infantiliteit. De vraag is nu of een dergelijke omwenteling ook de wetenschappen kan overkomen. Is het denkbaar dat de wetenschap haar oude idealen verloochent, zich omvormt tot het tegendeel van zichzelf en toch aanspraak blijft maken op de status (en de budgetten) die ze voordien genoot? Hoe zou een "avant-gardewetenschap" eruitzien? We zullen het pas weten wanneer het fenomeen zich voordoet, maar misschien kunnen de gelijkenissen tussen kunst en wetenschap al enige aanwijzingen geven. Zoals de klassieke kunst schoonheid nastreefde en virtuositeit vereiste, zoekt de wetenschap naar de waarheid en vergt zij gedisciplineerd denken. Die pretenties moet zij dan laten vallen. Wat is trouwens waarheid? Eensgezindheid daarover heeft evenmin ooit bestaan als over schoonheid, en misschien is het verstandig elke illusie hieromtrent te laten varen. De strakke regels waaraan observaties en redeneringen gebonden zijn, moeten opgeheven worden zodat meer ruimte voor ware creativiteit ontstaat en een verfrissende wind door de academische wereld kan waaien. Ook mogen technische vereisten niet langer een beletsel voor de beoefening van het vak meer zijn. Wie niet kan rekenen, mag ook rekenen. De scrupuleuze ziel die zich eraan stoort dat de resultaten niet meer "kloppen", zit gevangen in een achterhaalde mentaliteit. De avant-gardewetenschap heeft zich bevrijd van de conservatieve opvatting dat een theorie met de feiten moet overeenstemmen. Zij produceert resultaten die het waarheidsgevoel shockeren, niet strelen. Het is niet uitgesloten dat deze "moderne wetenschap" al bestaat. Zoals de kapotte spiegels en beschimmelde kazen al bestonden voor zij in de musea voor moderne kunst terechtkwamen, liggen ook de producten van de toekomstige wetenschap wellicht al in de samenleving op erkenning te wachten. Sterrenwichelarij, waarzeggerij, handlijnkunde zijn zo oud als de beschaving zelf. Het moment kan aanbreken dat de wilde vrijheden die deze vormen van "kennis" zich veroorloven er voor een intellectuele elite de bekoring van uitmaken. Nu al ligt astrologie bij het brede publiek meer in de gunst dan kernfysica of celbiologie. Indien de geschiedenis van de kunst een voorspiegeling is van wat ook de wetenschap zal overkomen, breekt de dag aan waarop men aan de universiteiten horoscopen trekt. Het publiek zal verrukt zijn, de wetenschappers zullen zich vermaken, en iedereen zal vinden dat het gerust wat geld mag kosten.Gerard Bodifée