In 'De verkoop van een dode dichter'(Knack nr. 51), over de verkoop van Jotie T'Hoofts archivalia, wekt Jean-Paul Mulders de indruk dat het hier om een louche handelspraktijk gaat. Hij insinueert dat ik als antiquaar samen met Julien Weverbergh onrechtmatig verkregen materiaal voor veel geld trachtte te verkopen. Ook al is de heer Mulders van alle achtergronden op de hoogte - hij is drie uur zowel bij mij als bij Julien Weverbergh op bezoek geweest - hij verzwijgt enkele feiten. Vooral de geschiedenis van de literaire nalatenschap van T'Hooft zoals door Julien Weverbergh aan Mulders verteld, was daarbij van groot belang.
...

In 'De verkoop van een dode dichter'(Knack nr. 51), over de verkoop van Jotie T'Hoofts archivalia, wekt Jean-Paul Mulders de indruk dat het hier om een louche handelspraktijk gaat. Hij insinueert dat ik als antiquaar samen met Julien Weverbergh onrechtmatig verkregen materiaal voor veel geld trachtte te verkopen. Ook al is de heer Mulders van alle achtergronden op de hoogte - hij is drie uur zowel bij mij als bij Julien Weverbergh op bezoek geweest - hij verzwijgt enkele feiten. Vooral de geschiedenis van de literaire nalatenschap van T'Hooft zoals door Julien Weverbergh aan Mulders verteld, was daarbij van groot belang. Ongeveer een half jaar geleden stelde Julien Weverbergh voor zijn collectie Jotie T'Hooft via mijn antiquariaat te verkopen. Hij zegde een en ander nog met zijn dochter Ingrid te moeten overleggen, omdat een deel haar toebehoorde. Enige tijd later meldde hij mij dat Ingrid akkoord ging en dat ik aan de schatting kon beginnen. Let wel, het bewuste materiaal was op dat moment al zo'n kleine dertig jaar onder zijn hoede en al meerdere keren het huis uit geweest voor literair onderzoek. We maakten de afspraak dat ik het materiaal uitvoerig in een catalogus beschreef en dat ik een percentage op de verkoop ontving. Ingrid Weverbergh zou van haar vader haar gedeelte van de opbrengst krijgen... Omdat het van het grootste belang is dat een unieke collectie als deze niet uit elkaar valt, bood ik ze in eerste instantie aan het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven (AMVC) aan. Helaas was er geen geld voor een dergelijke, grote aankoop. Ik besloot de collectie uiteindelijk te presenteren op de jaarlijkse Antiquarenbeurs van Mechelen, weliswaar opgedeeld in afzonderlijk geprijsde stukken, maar de eerste weken enkel als geheel te koop. Toen de catalogus was gedrukt en de collectie in de aanbiedingsfolder van de Mechelse beurs was aangekondigd, kreeg ik telefoon van Ingrid Weverbergh: via via had ze gehoord dat er zich in het pakket persoonlijk materiaal bevond dat haar zou toebehoren en dat buiten haar medeweten werd verkocht. Ik was verbaasd dat te horen en verzekerde haar direct dat dat uiteraard nooit mijn bedoeling was. Ik maakte een afspraak om het materiaal samen met haar en haar vader te bekijken en in overleg tot een oplossing te komen. Tot dat gesprek zou er van verkoop geen sprake zijn. Die afspraak sprong echter af door de inmenging van Ingrids zus Veerle. Omdat ik geen rol wilde spelen in de daaropvolgende familiale ruzie, nam ik uiteindelijk het besluit alle archivalia terug te brengen naar Julien Weverbergh, zodat de familiestrijd op de juiste plek kon worden uitgevochten, zonder mijn tussenkomst en niet in mijn antiquariaat. Ik had enkel zakelijke afspraken en wilde geen emotionele verwikkeling. Jean-Paul Mulders contacteerde mij naar aanleiding van de aankondiging in de beurscatalogus van Mechelen, de dag voor het bewuste telefoontje van Ingrid. Hij stelde zich niet als journalist voor, maar vroeg inzage in het materiaal omdat dat voor hem als biograaf van Jotie T'Hooft van belang zou zijn. Ik heb hem de volgende dag in mijn winkel ontvangen en al het materiaal getoond. Toen hij zich als journalist ontpopte, heb ik hem in volle vertrouwen de pijnlijke situatie uit de doeken gedaan en beloofd hem op de hoogte te houden. Hij zou een uitvoerig artikel schrijven, maar daarmee wachten tot een en ander opgehelderd was. De passage waarin Mulders mij 'nogal achterdochtig' laat reageren op zijn vraag naar de herkomst van de collectie en mij 'na enig aandringen' laat 'toegeven' dat ze van Weverbergh komt, is onwaar en ronduit stemmingmakend. Ook mijn zorgvuldigheid als antiquaar wordt in twijfel getrokken door het beschreven 'gezeul' met het archief, waaruit onderweg dan nog historische scheermesjes vallen. Dat mesje was overigens al jaren verdwenen... De dag voor publicatie verzekerde Mulders mij nog aan de telefoon dat hij een objectieve tekst had geschreven. Daaronder versta ik niet de suggestieve tekst met diefstal en lijkenpikkerij als thema, waarin Weverbergh en ik verdachten worden. Dat is nu net het soort journalistiek dat bij delicate zaken als deze uitermate ongepast is - daarover waren de heer Mulders en ik het nochtans roerend eens bij onze eerste ontmoeting. Ik had van een Knack-journalist anders verwacht en vind mijn goede naam door de toon van dat artikel geschaad. René Franken, Antiquariaat Demian, Antwerpen