' Op mijn twintigste was ik een bange mens die volop de wereld aan het ontdekken was. Ik snapte het systeem toen niet zo goed. Ik vond het lastig om te communiceren, maar ik ging wel op stap en er kwam van alles op me af. Ik zat op kot in Brussel. Ik volgde er de lerarenopleiding Nederlands, geschiedenis en Duits. Daarvoor had ik in Brugge op het college gezeten, en daarna twee jaar kunsthumaniora in Gent. Ik had het slecht gedaan op het college, ik was beroerd in wiskunde. In de kunsthumaniora zat ik in een richting die je voorbereidde om architectuur te gaan studeren, waardoor ik negen uur wiskunde had. De leraar had ook wel door dat ik geen mathematicus zou worden, gaf me 49 procent en ik was erdoor. Wat belangrijker was: een derde van de vakken waren kunstvakken. Ik werd er opnieuw opgebouwd. Ik ontdekte er mezelf.
...

' Op mijn twintigste was ik een bange mens die volop de wereld aan het ontdekken was. Ik snapte het systeem toen niet zo goed. Ik vond het lastig om te communiceren, maar ik ging wel op stap en er kwam van alles op me af. Ik zat op kot in Brussel. Ik volgde er de lerarenopleiding Nederlands, geschiedenis en Duits. Daarvoor had ik in Brugge op het college gezeten, en daarna twee jaar kunsthumaniora in Gent. Ik had het slecht gedaan op het college, ik was beroerd in wiskunde. In de kunsthumaniora zat ik in een richting die je voorbereidde om architectuur te gaan studeren, waardoor ik negen uur wiskunde had. De leraar had ook wel door dat ik geen mathematicus zou worden, gaf me 49 procent en ik was erdoor. Wat belangrijker was: een derde van de vakken waren kunstvakken. Ik werd er opnieuw opgebouwd. Ik ontdekte er mezelf. 'In Brussel ging ik vaak om middernacht naar de film in de Actor's Studio. Dat dat kón! Ze draaiden er de stevige arthousefilms. Daar heb ik veel geleerd, veel inspiratie opgedaan ook. Ik begon filmmuziek te verzamelen. Het is muziek die bij beelden is gemaakt - of in elk geval nauw samenwerkt met beelden - en roept daardoor ook zonder dat ik de film zie nieuwe beelden bij me op. 'Nu ben ik hoofddocent Schrijven aan de afdeling woordkunst van het conservatorium in Antwerpen. Daar begin ik meer en meer van te genieten. In het eerste jaar wil ik mijn studenten vooral het schrijfplezier meegeven. In het tweede jaar volgt de verdieping, dan moeten ze samen iets creëren waar ze tegelijk zichzelf in blijven - niet makkelijk. In het derde jaar laat ik ze los, dan krijgen ze de volle vrijheid. Wat ik doe, ervaar ik niet als lesgeven in de strikte zin van het woord, ik stap naast ze mee. Het voelt alsof ik twintig kinderen heb die toevallig allemaal rond de twintig zijn. Ik haal veel uit het lesgeven. Je voelt de passie en het vuur in die jonge mensen. Die heb ik ook, en zij houden mij wakker. En - heel belangrijk - ze durven op hun gezicht te gaan. Ze doen wat ze doen met volle overgave. Mede door hen heb ik het perfectionisme kunnen loslaten dat ik altijd al najaagde. Het zit nog altijd in me, maar het zit me niet meer zo dwars als vroeger. Ik dacht altijd dat wat ik naar buiten bracht affer dan af moest zijn. Mijn studenten tonen me dat het tegendeel waar is. Het wordt juist interessant als er hoeken en kanten aan zitten die vreemd en nog ongepolijst zijn. Mijn studenten tonen me hoe levendig teksten kunnen zijn en dat er vandaag meerdere vormen bestaan. Het hoeft niet allemaal meer op papier, het kan ook in blogs, op Facebook, op websites enzovoort. Ze verstaan de kunst om beelden te verwerken met taal en klank en ze voegen zichzelf eraan toe. Dat is hun wereld. Niet dat ik daar zelf anders door ben gaan schrijven, maar het beïnvloedt me wel.' BART MOEYAERT: Dit boek heeft mijn pad gekruist op mijn twintigste en het heeft me blijvend veranderd. Ik had toen pas ontdekt dat ik op jongens val. Nou ja, ik wist het al heel lang, maar ik moest er nog mee in het reine komen. Je moet dansen op mijn graf heeft me gerustgesteld: dat is liefde, wat mensen er ook van zeggen, het is geen probleem als een jongen van jongens houdt. Het boek is bovendien magistraal opgebouwd, het is een caleidoscoop van stemmen. Het is meeslepend en vanuit de buik geschreven. Zoiets had ik nog nooit gelezen. Ik heb mijn eindwerk over Aidan Chambers gemaakt, en ben hem daarvoor drie dagen lang in Engeland gaan interviewen. Daar heb ik mijn schrijversopleiding gekregen, denk ik soms. Ik stapte bij hem binnen als timide studentje en bij het buitenkomen was Chambers een goede collega geworden die me ongelooflijk veel had geleerd. Hij heeft me op het goeie moment cruciale inzichten aangereikt. Zaken die ik al wist maar die nog eens letterlijk gezegd moesten worden, bijvoorbeeld dat je een verhaal niet noodzakelijk chronologisch hoeft te vertellen. In dezelfde periode las ik nog drie belangrijke boeken: The Catcher in the Rye van J.D. Salinger, The Ballad of the Sad Café van Carson McCullers, en Portnoy's Complaint van Philip Roth. Toen ik die vier eenmaal gelezen had, wist ik dat boeken je kunnen veranderen. MOEYAERT: In 2009 had deze Amerikaanse schilderes een tentoonstelling in het Bonnefantenmuseum in Maastricht. Ik volgde er een gidstoer met een gezelschap. Daar waren oudere mensen bij die echt fulminéérden dat dit toch geen kunst genoemd kon worden, 'want ze kan nauwelijks gezichten tekenen' en 'kijk, hoe slecht het is ingekleurd'. Dat werd me daar een discussie in die groep, maar ik viel meteen voor haar werk. Het raakt me door zijn eenvoud. Er komt een heel consistente wereld in naar voren. Ze schildert vooral beroemdheden, niet omdat ze beroemd zijn, maar omdat ze tot haar wereld behoren. Ze toont de melancholie van die wereld, de nachtkant ervan. Het hele fijne is dat ik haar ook heb kunnen ontmoeten op een feest in Parijs. Ik was daar vooraf heel zenuwachtig over, maar het werd een fijn en licht gesprek. Ik heb haar later een boek van mij opgestuurd. Het grappige is: de dag na het feest ging ik naar de mooie boekhandel Galignani in de rue de Rivoli. Wie komt daar binnen? Onze Elisabeth, hondje op de arm. Ook toen hebben we lang staan praten. Heel relaxed. MOEYAERT: Dit boek zou de coming of age-roman kunnen zijn voor jonge mensen vandaag. Buzz Aldrin was de twééde man op de maan, na Neil Armstrong. In dit debuut van de Noorse schrijver Johan Harstad gaat het erom hoe waardevol het is om de tweede te zijn. Het is zeker niet minder dan de eerste zijn, maar het is wel een positie waaraan je zult moeten wennen. De eerste kent iedereen, jij als tweede zult nooit genoemd worden. Dit boek vertelt het verhaal van de Noorse jongen Mattias die naar de Faeröereilanden trekt. Die stel ik me voor als groen en grauw en ruw, als een plek waar niet veel te beleven valt. Mattias besluit om er te blijven en zijn ouders als het ware in de steek te laten. Aan de oppervlakte gebeurt er niet veel in deze roman, maar in het hoofd van de jongen des te meer. MOEYAERT: Een man verliest zijn vrouw en besluit om niet ook nog zijn dochter te verliezen. Hij is de ceo van een groot bedrijf, en gaat dag na dag in zijn auto zitten wachten tot zijn dochter uit school komt. Het leven gaat door. Hij vergadert in de auto, de secretaresse komt langs in de auto. Hij leert bij de schoolpoort nieuwe mensen kennen. Dit boek moet iedereen gelezen hebben, want het helpt je te vertragen. Het doet je inzien dat je om goed te kunnen zorgen voor mensen uit je kring in de eerste plaats goed zorg moet dragen voor jezelf. Dat heeft niets met egoïsme te maken: als je zelf oké bent, kun je gewoon veel meer geven. De beginscène is magistraal: een (andere) vrouw verdrinkt, hij wil haar redden en raakt seksueel opgewonden doordat ze zo hard tegenspartelt. MOEYAERT: Opnieuw een roadmovieboek, het doet een beetje aan Salinger denken. Twee tieners rijden met een gestolen auto door het voormalige Oost-Duitsland, meer dan dat is het niet. Het hele mooie aan dit boek is dat de auteur ervan ziek was en wist dat hij zou sterven, en dat je dat er ook aan voelt. Er spreekt een noodzaak uit. In 2013 verscheen van Herrndorf ook Arbeit und Struktur, wat nog niet vertaald is in het Nederlands. De blog die hij op het einde van zijn leven bijhield, werd in boekvorm uitgegeven. Toen ik laatst in Duitsland was, werd het me met grote stelligheid aangeraden. Het zou nog meer naar de keel grijpen dan Tsjik. Ik ben heel benieuwd. MOEYAERT: Ik volg Rufus Wainwright blind. Ik wil alles zien en horen wat hij doet. Dit is zijn tweede album, ik heb het ontdekt door een piepklein bericht erover in een muziekblad. Daarna heb ik al zijn cd's gekocht, ook het werk dat ik wat minder goed vind. Wainwright is met de jaren exuberanter geworden, op Poses was hij nog de eenvoudige singer-songwriter. Ik hou van zijn teksten, die persoonlijk zijn zonder dat het tenenkrullend gênant wordt. Wat ik zo straf vind bij zijn concerten, is dat hij het ritme bepaalt. Hij is de baas, hij neemt je mee. Tegelijk relativeert hij zich dood tijdens zijn shows. Niet in de zin dat hij met zichzelf lacht, maar hij geeft aan dat we het hier allemaal niet te serieus moeten nemen. MOEYAERT: In 2012 was ik een paar maanden alleen in New York. In het Guggenheimmuseum liep er een overzichtstentoonstelling van Rineke Dijkstra. Onder andere het werk Olivier hing er, een serie van zeven portretten van een jongen die besluit om bij het Vreemdelingenlegioen te gaan. Op de eerste foto zie je een gast van zeventien in een wit T-shirt die er fris uitziet en goed poseert. In de drie jaar die daarop volgen, heeft Dijkstra hem nog zes keer gefotografeerd. De jongen klimt op in het leger en wordt een strenge soldaat met een kepi. Je loopt langs de foto's en je ziet zijn binnenkant veranderen. De zevende foto is hard, levenloos. 'Ik dood voor niks': dat stralen zijn ogen uit. Tijdens diezelfde tentoonstelling beleefde ik een van mijn mooiste ervaringen van de voorbije jaren. Helemaal boven in het Guggenheim toonde Dijkstra een videopresentatie die op vier wanden tegelijk werd geprojecteerd. Ze had jonge mensen die ze in het uitgaansleven in Liverpool had ontmoet aangesproken met de vraag om de volgende dag te komen dansen voor haar camera. Eén jongen slooft zich vanaf de allereerste beat geweldig uit. Hij wil de wereld laten zien dat hij een megadanser is. Na één minuut wordt hij knalrood, na twee minuten is hij doodmoe. Hij begint te stuntelen, bakt er bitter weinig van. Ik zit ernaar te kijken en ik denk: ah, zo gaat dat. Als je zo hard je best doet, krijg je dát. Dan een meisje, bloedmooi is ze, en te verlegen om te dansen. De muziek wordt opgezet en ze beweegt enkel haar hoofd, onwillig, want ze durft niet goed. Dan zit er een versnelling in de muziek en je ziet haar erin meegaan. Ze keert naar binnen, vergeet de camera en ze danst sensueel. Ik ben een dik uur bij die videopresentatie blijven plakken. Het was het moment waarop ik mezelf heb verplicht vaker te vertragen. Ik dacht: als dat meisje loslaat, dan moet ik dat ook doen. En ik moet afleren alles te willen geven zoals die jongen. Rineke Dijkstra heeft met haar werk heel wat bij me teweeggebracht. MOEYAERT: Ik was uitgenodigd op een feest in Frankfurt waar ik niemand kende. De man naast me aan tafel bleek de manager van Max Richter te zijn, een Duitse muzikant die veel filmmuziek heeft gecomponeerd. Na het diner stuurde hij me een van zijn cd's toe, en ik ben ze gaan verzamelen. Zijn composities doen denken aan het werk van de Estse componist Arvo Part of van de IJslander Johan Johansson. Het is muziek die verstilling brengt, waardoor je wereld plots groter wordt. MOEYAERT: Elk jaar ga ik naar Zürich voor een lezingenweek. Ik heb er een platenwinkel ontdekt waar de uitbater een eigenzinnige smaak heeft. Ik luister nooit naar cd's voor ik ze koop - als het tegenvalt durf ik toch moeilijk nee te zeggen. Ook deze plaat heb ik daar aangeschaft zonder dat ik ze eerst had gehoord. In 1962 haalde producer Quincy Jones Nana Mouskouri voor anderhalve maand naar New York. Hij dompelde haar onder in het nachtleven, en je hóórt dat Nana er een spannende tijd heeft beleefd. (lacht) Dit is een fantastische cd, authentiek, absoluut niet de gladde Nana Mouskouri die we allemaal kennen en die later genadeloos commercieel is geworden. Ik zet dit heel vaak op. Het album Pale Green Ghosts van John Grant (2013) is trouwens ook zo'n Zürich-ontdekking. MOEYAERT:Mijn leven als hond gaat over het verlies van de onschuld. Het is het verhaal van een jongetje van twaalf dat zijn moeder kwijtraakt aan kanker - tenminste, dat moet je veronderstellen. Ik heb Mijn leven als hond al zo vaak gezien, en elke keer weer emotioneert deze film me totaal. Niet omdat er iemand doodgaat, maar omdat de vertelstem me vanaf de eerste seconde pakt. Dat heb ik met boeken ook: als die stem juist is en direct binnenkomt, dan laat je ze toe en dan beweegt er iets. Het is ook een film met een hoge knuffelfactor, die ondanks het droevige verhaal toch zijn warmte behoudt. MOEYAERT: Een film over een meisje van acht dat opgroeit in een huis vol vrouwen in het Spanje van generaal Franco. Er is sprake van een vader die altijd weg is omdat hij iets hoogs in het leger is. Naar deze film grijp ik altijd terug als mensen me zeggen dat kinderboeken volledig aangepast moeten zijn aan kinderen. Ik herinner me dat ik Cria cuervos zag toen ik een jaar of tien was. Ik was alleen, mijn broers waren boven. Ik snapte niet eens de helft van de film, maar ik heb hem helemaal uitgekeken. Ik voelde zo sterk de connectie tussen 'eenzaam meisje' en 'Bart is alleen'. Deze film maakt voor mij duidelijk dat je als kind veel meer meekrijgt dan volwassenen geneigd zijn te denken. Je staat als kind voor alles open, je bent nieuwsgierig en vraagt je niet vooringenomen af of iets geschikt is voor je leeftijd. Nee, er komt iets op je af en je neemt het aan. MOEYAERT: Dit religieuze museum van het aartsbisdom Keulen is een van de meest fantastische musea die ik ken. Moderne kunst wordt er gecombineerd met monstransen en crucifixen, en alles is zo juist neergezet. Het museum heeft het vooroordeel dat ik had over religieuze kunst uit de weg geruimd. Een surplus is het gebouw, een ontwerp van de Zwitserse architect Peter Zumthor. Een en al verstilling, een kaal gebouw van glad en heel tactiel beton. Ook op het lijstje van musea waar ik mijn kind van twintig naartoe stuur: het Thyssen-Bornemisza in Madrid met een topcollectie van schilderkunst. Mooi is het als je op de bovenste verdieping begint en terugkeert in de tijd. Dat is de manier waarop ik kunst graag bekijk. Andersom vind ik het minder spannend. MOEYAERT: Natuurlijk moet mijn kind van twintig naar de grootsteden: Londen, Parijs, New York, Berlijn. En dan het liefst in z'n eentje. Hij moet er een beetje in verdrinken. Ik hoop dat hem dan dezelfde dingen overkomen die mij zijn overkomen. Dat hij mensen leert kennen die hem meenemen naar bijzondere plekken. Alleen reis je avontuurlijker, je volgt je eigen tempo. Ook Tokio heeft een diepe indruk op me nagelaten. Ik was er voor een lezingenreeks samen met Toon Tellegen. Na afloop wist ik: hier kom ik zeker terug. Er zijn verschillende uitkijktorens, grote Eiffeltorenachtige constructies. Op een avond laat gingen we naar de buurt Roppongi Hills. Boven op zo'n toren leek Tokio wel een filmset met glooiende wegen en uitgelichte gebouwen. Bijna te clean, maar wat een belevenis! De sensatie te voelen van die eindeloze stad. Zo ver als je kon kijken was er stad, stad, stad. Wat ik ook bijzonder vind aan Japan: hoe mensen elkaar daar de ruimte geven. Op het bekende, bijzonder drukke Shibuya-kruispunt botsen ze niet - het lijkt wel een ballet dat daar wordt opgevoerd. Ik keek gefascineerd naar hoe ze daar met zo veel mensen samenleven en elkaar toch ruimte laten. Die beheersing, daar hou ik van. www.bartmoeyaert.com DOOR ILSE DEGRYSE