Terrence Malicks nieuwe versie van "The Thin Red Line" brengt opnieuw het werk van de Amerikaanse schrijver James Jones onder de aandacht. In de jaren vijftig wist ook de kritiek zijn massieve bestsellers te smaken, maar na zijn dood (1977) geraakte Jones in de vergetelheid. Zelf een veteraan - hij diende bij de infanterie tijdens Pearl Harbor, was korporaal in Guadalcanal, waar hij gewond geraakte en zwaar getraumatiseerd nadat hij bij een lijf-aan-lijfgevecht een soldaat doodde - zag Jones de oorlog als een chronische ziekte waarvan we nooit zullen worden verlost.
...

Terrence Malicks nieuwe versie van "The Thin Red Line" brengt opnieuw het werk van de Amerikaanse schrijver James Jones onder de aandacht. In de jaren vijftig wist ook de kritiek zijn massieve bestsellers te smaken, maar na zijn dood (1977) geraakte Jones in de vergetelheid. Zelf een veteraan - hij diende bij de infanterie tijdens Pearl Harbor, was korporaal in Guadalcanal, waar hij gewond geraakte en zwaar getraumatiseerd nadat hij bij een lijf-aan-lijfgevecht een soldaat doodde - zag Jones de oorlog als een chronische ziekte waarvan we nooit zullen worden verlost. Oorlog werd de centrale obsessie in zijn werk, het menselijk gedrag waar hij met grote passie en luciditeit over schreef, met name in zijn oorlogstrilogie "From Here To Eternity" (1951), "The Thin Red Line" (1962) en "Whistle" (1978). Jones beschreef de oorlog niet als een nobele sport, maar als iets wat de mens verlaagt. Daarom precies vond hij Hemingway (wiens epigoon hij soms werd genoemd) een poseur: de auteur van "From Whom the Bell Tolls" was in het diepst van zijn hart een oorlogsfan en deed daardoor de waarheid geweld aan. Jones was zelf geen fan van oorlogsfilms. In 1963 haalde hij in een stuk in The Saturday Evening Post fel uit naar het opgeklopt heroïsme van Hollywood. "Als onze oorlogsfilms enige aanwijzing zijn van onze sociale verantwoordelijkheid in een tijdperk waarin we de capaciteit hebben om onszelf te vernietigen, dan rest er ons weinig hoop." Zelf had Jones echt niet te klagen van de verfilmingen van zijn boeken. "From Here to Eternity", waarin de dodelijke routine wordt beschreven van het leven in legerbarakken aan de vooravond van Pearl Harbor, werd al in 1953 verfilmd door Fred Zinnemann, met Montgomery Clift in de (autobiografisch getinte) hoofdrol van de eenzelvige trompettist Prewitt. Een prima karakterstudie van militairen in vredestijd, maar toch iets te gepolijst om volledig recht te doen aan wat bevriende schrijver William Styron Jones' "immense, harrowing sadness" noemde. In 1957 volgde de verfilming van Jones' tweede roman "Some Came Running", het verhaal van een ex-soldaat en worstelend schrijver ( Frank Sinatra), die zich probeert aan te passen aan het burgerleven in achterbaks kleinsteeds Amerika. Dit keer ging het om een MGM-productie in Cinemascope en Technicolor waarin van het rauwe realisme van Jones nog maar weinig te merken valt. En zeer geïnspireerde Vincente Minnelli maakte er dan weer een krachttoer van inzake mise-en-scène: verveling en geestelijke stagnatie in een Norman Rockwell-Amerika werden zelden zo fraai vormgegeven. Jones haalde de titel van "The Thin Red Line" uit een oud gezegde in de midwest: "There's only a thin line between the sane and the mad". Dit verhaal over GI's tijdens de oorlog in de Stille Zuidzee werd al een eerste keer verfilmd in 1964. Regisseur van deze in Spanje gedraaide lowbudgetproductie was Andrew Marton, vooral bekend als second-unit-regisseur van spektakelfilms maar ook coregisseur van "The Longest Day". Morton vereenvoudigde Jones' dikke turf waarin we de oorlog vanuit een veelheid van standpunten zien tot een compact, pretentieloos drama, toegespitst op de vriendschap tussen eerste sergeant Edward Welsh ( Jack Warden) en private Doll ( Keir Dullea). Zwaar ontgoocheld was de auteur niet. "In its own little way it's avery good war film", schreef hij later. De kans is wel zeer gering dat hij even mild zou zijn voor het recente "A Soldier's Daughter Never Cries", de oersaaie, totaal irrelevante verfilming door het duo Merchant-Ivory van de autobiografische roman uit 1990 van de dochter van de schrijver. Kaylie Jones had het in haar boek overwegend over de Parijse jaren van het Amerikaanse schrijversgezin, een periode (tussen 1963 en 1974) die in de film totaal kunstmatig wordt gereconstrueerd zonder enig gevoel voor de tijdgeest en boordevol clichés over de confrontatie van de Amerikanen met de Franse zeden en cultuur. P.D.