De culturele zelfreflectie van de Cubanen is een troef, zo blijkt uit Bart Voncks boeiende essay over Cubaanse poëzie en de uitgebreide bloemlezing in ?De zeven levens van de kaaiman?. Toch werden de literaire criteria, vooral in de periode rond de revolutie van 1959, al te sterk overschaduwd door ideologische belangen. Een nationale identiteit werd in Cuba pas deze eeuw gecreëerd op de manier zoals de C...

De culturele zelfreflectie van de Cubanen is een troef, zo blijkt uit Bart Voncks boeiende essay over Cubaanse poëzie en de uitgebreide bloemlezing in ?De zeven levens van de kaaiman?. Toch werden de literaire criteria, vooral in de periode rond de revolutie van 1959, al te sterk overschaduwd door ideologische belangen. Een nationale identiteit werd in Cuba pas deze eeuw gecreëerd op de manier zoals de Cubanen die van hun voorouders kenden : door ze uit te spreken en vorm te geven via de taal. Nicolas Guillén (1902-1990), de bekendste maar niet de interessantste dichter van de revolutieperiode, probeerde in zijn gedichten een synthese te distilleren uit de tegenstrijdige filosofische en religieuze opvattingen van zijn blanke en zwarte voorouders. Terwijl de fascinerende groep rond het tijdschrift Origines (1944-1956) onder invloed van Mallarmé, Valéry en de dichters uit de Spaanse Gouden Eeuw door verinnerlijking tot de fundamenten van de realiteit wilde doordringen. Vooral José Lezama Lima liet in zijn gedichten de imaginaire kant zien van de cubania, een bezinksel van universele thema's en waarden. De befaamde Cubaanse spot, de choteo, lag dan weer aan de basis van de antipoëtische stromingen en de avant-garde, zoals het groteske in de poëzie van Virgilio Pinera (1912-1979). De dichters rond het tijdschrift Ciclon (1955-1957) waren de eersten die zich eerder lieten inspireren door Engelse en Noord-Amerikaanse dan door Franse en Spaanse invloeden. Vanaf de jaren '60 tot het begin van de jaren tachtig tolereerde de strenge culturele politiek alleen ideologisch correcte poëzie. Toch bracht het tijdschrift El caiman barbudo liefdesdichters voort met een dynamisch, gedurfd oeuvre. Door het toenemende isolement van Castro's regime na 1980 tekenen zich esthetiserende tendensen af, maar het ballingschapsgedicht van de jonge Rodriguez Tosca (1962) bewijst dat het politieke keurslijf blijft knellen : ?want terugkeren / is weten dat je met jezelf en alleen voor jezelf terugkeert / en plots zelfs dat niet, maar terugkeren, de terugkeer, / dat alleen, als een maan, onlangs in zee gevallen.?Paul Demets Rik Baeten e.a., ?Cuba. De zeven levens van de kaaiman,? Masereelfonds, Brussel, 262 blz.