We vertrokken vroeg, afgelopen zondagmorgen. Er zouden die dag in Sirte hevige gevechten plaatsvinden tussen Libische rebellen en de Islamitische Staat, dus we wilden er op tijd bij zijn. Het was de vierde dag dat we heen en weer reden van Misrata naar Sirte. Een trip van tweeënhalf uur door kale zandvlaktes, slingerend langs de Libische kust. De Libische autoriteiten hadden een nieuwe regel ingesteld: er mochten geen buitenlandse journalisten meer overnachten in Sirte. Je kon de stad in van 8 uur 's ochtends tot 6 uur 's avonds. Daarna moest je wegwezen.
...

We vertrokken vroeg, afgelopen zondagmorgen. Er zouden die dag in Sirte hevige gevechten plaatsvinden tussen Libische rebellen en de Islamitische Staat, dus we wilden er op tijd bij zijn. Het was de vierde dag dat we heen en weer reden van Misrata naar Sirte. Een trip van tweeënhalf uur door kale zandvlaktes, slingerend langs de Libische kust. De Libische autoriteiten hadden een nieuwe regel ingesteld: er mochten geen buitenlandse journalisten meer overnachten in Sirte. Je kon de stad in van 8 uur 's ochtends tot 6 uur 's avonds. Daarna moest je wegwezen. We reden mee met Marwan Adaissi, een medewerker van het Rode Kruis in Libië over wie ik eerder een reportage schreef. Marwan had zijn jongere broer Mohsen mee. Mohsen wilde erbij zijn vandaag, al mocht hij niet meevechten van zijn oudere broer. Toch had de jongen een kalasjnikov meegenomen, 'want je weet maar nooit'. Jeroen keek naar hem en dan naar mij. We dachten allebei hetzelfde: zo'n jonge gast van zeventien met een babyface en een kalasjnikov. Het was Libië ten voeten uit. Het land waar alles kan. En tegelijk zo weinig. In Sirte reden we door de verlaten straten met kapotgeschoten huizen naar de frontlijn in de wijk die ze 'area 1' noemen. De stad is voor een groot deel bevrijd van de IS, maar in het stadsdeel in het noordoosten houden de jihadisten hardnekkig stand. Aan de frontlijn was het één chaos. Op een plein achter een hoog gebouw, vol gaten van raketten en mortieren, stond een grote groep rebellen. Uit een luidspreker schalde het constant 'Allahu Akbar', om de mannen te steunen en aan te moedigen. Het was een bonte mengeling van kleurrijke figuren, allemaal zwaarbewapend. De IS bevond zich aan de voorkant van het gebouw, in een paar flats een paar honderd meter verderop. Een paar sluipschutters hadden postgevat in de appartementen en schoten op alles wat bewoog. Niemand kon langs het gebouw zonder een kogel te riskeren. De rebellen deden alles wat ze konden om de sluipschutters uit te schakelen. Ze gebruikten tankgranaten en raketten, een gevechtsvliegtuig vloog over en gooide een bom op de flatgebouwen. Maar de snipers leken onoverwinnelijk die dag. Ze bleven terugschieten, wat er ook gebeurde. Jeroen en ik volgden de rebellen op het plein. Een van hen, een enorme kerel die ze de Olifant noemden, nam ons mee het gebouw in waar sluipschutters van de rebellen op hun beurt de IS wilden uitschakelen. Wat later vroeg de Olifant of we meewilden naar de groep salafisten die tegen de IS streden - de salafisten vormen een eigen groepering en vechten keihard tegen de Islamitische Staat. Ik mocht niet mee want vrouwen waren niet welkom bij de salafisten. Dus bleef ik op het plein terwijl Jeroen met een groep rebellen de straat over rende, bukkend voor de sluipschutters. Er was net iemand gewond geraakt in de straat. In zijn been geschoten door de IS. Iedereen was extra alert. Tien minuten later werd ik geroepen door Mohsen, de jonge broer van Marwan. Hij sprak geen Engels, maar het was duidelijk dat hij volledig in paniek was. Ik rende mee en begreep al snel dat Jeroen neergeschoten was. We sprongen in een auto van een rebel en scheurden als gekken naar het noodhospitaaltje waar de ambulances samenkomen. Daar kreeg ik te horen dat Jeroen gestorven was. Hij was als eerste van een groep weer de straat over gerend. En hij werd als enige geraakt. Hij droeg een scherfwerend vest en een helm, maar de kogel kwam binnen in zijn zijde, precies op de plek waar het vest je het minst beschermt, onder je arm. De kogel doorboorde zijn borst. Hij was op slag dood. Jeroen was er zich scherp van bewust dat dit kon gebeuren. Hij was een heel ervaren fotograaf die geen onnodige risico's nam. Maar hij wilde wel altijd op de eerste rij staan. Hij deed gewoon zijn werk. En hij deed dat uitstekend. Hij zou naar huis gaan de volgende dag. Hij had net nog een pak cadeautjes gekocht voor zijn kinderen. Een voetbalshirtje voor zijn zoon van negen. Een houten slang en een speelgoedhorloge voor zijn twee dochtertjes. Ze liggen nu naast me terwijl ik dit schrijf, in mijn hotelkamer in Misrata. Ik ga ze zo snel mogelijk naar zijn gezin brengen. Rust zacht, Jeroen. Ik hoop dat je de uitgestrekte Libische woestijn zult kunnen zien, zoals je dat zo graag ooit eens wilde. 'Jeroen was er zich scherp van bewust dat dit kon gebeuren. Hij nam geen onnodige risico's.'