Het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ) in Oostende ondersteunt sinds 1999 het wetenschappelijk onderzoek in Vlaanderen en wil ook het geïntegreerd kustzonebeheer een nieuw elan geven. Een van de experts daar is Jan Seys, doctor in de biologie gespecialiseerd in zee- en kustvogels. Hij coördineert De Grote Rede en andere publicaties van het VLIZ.
...

Het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ) in Oostende ondersteunt sinds 1999 het wetenschappelijk onderzoek in Vlaanderen en wil ook het geïntegreerd kustzonebeheer een nieuw elan geven. Een van de experts daar is Jan Seys, doctor in de biologie gespecialiseerd in zee- en kustvogels. Hij coördineert De Grote Rede en andere publicaties van het VLIZ. An Cliquet doctoreerde vorig jaar aan de Universiteit Gent met een overzicht en analyse van de juridische middelen aangaande het 'Natuurbehoud in het mariene en kustzonemilieu', vooral aan de Belgische kust: van de zee tot de polders. Sommige kustburgemeesters zouden de zee als landschap willen laten beschermen om alsnog te vermijden dat ze binnenkort windmolenparken aan hun horizon zien verschijnen. Maar daar is geen enkele juridische basis voor, waarschuwt Cliquet: 'Het gaat hier immers om Vlaamse wetgeving en die is niet van toepassing op zee. De Vlakte van de Raan, waar Seanergy het eerste windmolenpark plant, is nationaal noch internationaal beschermd. De Wenduinebank, waar C-Power zijn windmolenpark plant, is evenmin beschermd: noch in het kader van het Ramsarverdrag inzake watergebieden van internationale betekenis voor watervogels, noch in het kader van de Europese Habitatrichtlijn over de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora. An Cliquet: Dit is een van de pijnpunten. Sinds 1999 is er wel de Belgische wet ter bescherming van het mariene milieu, maar federaal minister van Leefmilieu Magda Aelvoet (Agalev) heeft nog steeds geen beschermde gebieden in zee afgebakend. Zij ondermijnen het toekomstige natuurbeleid op zee. Jan Seys: België blijft met de bescherming van de vogels op zee achterophinken. Sinds 1984 is er de papieren bescherming van het Ramsarverdrag, en sinds 1996 zijn er ook enkele voorstellen ter uitvoering van de Europese Habitatrichtlijn op zee. Meer niet. Anderzijds mogen we niet vergeten dat de 12-mijlszone (tot bijna 22 kilometer) voor de Belgische kust in feite beantwoordt aan de criteria van de Europese Vogelrichtlijn. Al weten we allemaal dat heel die zone nooit als dusdanig beschermd kan worden. Er moeten dus deelgebieden gezocht worden. Dit bewijst nogmaals dat het natuurbehoud op zee bijvoorbeeld in het kader van Natura-2000 (het ecologisch netwerk ter uitvoering van de Habitat-richtlijn) nog niet klaar is voor reuzenprojecten zoals windmolenparken. De natuurbeweging wordt in snelheid gepakt. Cliquet: Gelukkig verplicht de Belgische wet van 1999 de ontwikkelaars van dergelijke projecten tot een milieuvergunning, die voorafgegaan wordt door een advies van de Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee (BMM) en gevolgd wordt door toezicht. Dan nog missen wij op zee zowel een ruimtelijke planning als een grondigere kennis van het mariene milieu zelf. De kwetsbaarheid van te veel zones is nog niet in kaart gebracht. Twee jaar geleden hebben wij bij de opmaak van de Limited Atlas of the Belgian Part of the North Sea kunnen vaststellen dat het gebied voor onze kust zonder meer het 'wilde Westen' is. Er wordt vervuild dat het een lust is en vaak wordt er ook te diep gevist, terwijl op de zeebodem ook nog kabels en pijpleidingen liggen. Over enkele jaren komen daar misschien nog een paar honderd windmolens bij, met alle activiteiten en gevaren van dien. Cliquet: We hoeven het niet zover te zoeken. Als we maar het voorzorgsbeginsel zouden respecteren, dat zowel internationaal als door de Belgische wet wordt opgelegd. Volgens dat principe mag de overheid niet wachten tot enige schade wordt vastgesteld om maatregelen te nemen. Maar veel rechtspraak van de Belgische rechtbanken is er daarover nog niet. De naleving van het voorzorgsbeginsel zou bijvoorbeeld de uitbouw van windmolenparken voor onze kust kunnen beperken tot één kleinschalig proefproject, dat onder zeer grondig en multidisciplinair toezicht geplaatst wordt. Seys: Een park met een vijftigtal windmolens is voldoende om alle mogelijke gevolgen te evalueren en te corrigeren. Desnoods moet het windmolenpark dan kunnen worden afgebroken zodat de natuur zich op die plaats volledig kan herstellen. Op de Special Topic Conference over de productie van windenergie op zee vorig jaar in Brussel is duidelijk gebleken dat de grootste molens (1 à 2 MW) van vandaag nog kleiner zijn dan de modellen (3 à 5 MW) van morgen. Bovendien heeft het geen zin dat België overhaast en op zijn dooie eentje een proefproject opzet. De vogels voor onze kust leven ook voor de Nederlandse kust, waar straks het windmolenpark voor Egmond-aan-Zee komt. Seys: Een hard substraat creëert een zonevreemde biodiversiteit waar geen enkele natuurbeschermer bij ons om vraagt. Door de aangevraagde concessiegronden af te sluiten om er windmolenparken te zetten, rest wel 40 vierkante kilometer zandig substraat waar de visvangst verboden zal zijn. Het is evenwel niet bewezen dat hierdoor een soort schuiloord voor vissen zal ontstaan, die hier meer kansen krijgen dan erbuiten. In haar advies stelt vooral de Visserijcommissie van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven dat een windmolenpark het best buiten de 12-mijlszone zou staan vanwege de paai- en kraamgronden van platvis en garnaal. Hoe verder van de kust hoe geringer de mogelijke nadelige effecten, ook voor de vogels. Er is niet alleen het gevaar dat trekvogels door de wieken van de windmolens vermorzeld zullen worden. Het risico bestaat ook dat bepaalde vogelsoorten de zones rond de windmolenparken dichtbij de kust zullen mijden en zodoende hun gedrag en habitat zullen veranderen. Het zijn niet allemaal eidereenden die zich in het overigens kleine windmolenpark van Tuno Knob in Denemarken thuis voelen. Deze soort is helemaal niet schuw. De zwarte zee-eend daarentegen stelt andere problemen. Die behoort, samen met de roodkeelduiker, tot een soort die extreem gevoelig is voor verstoring. Niet alle vogels zijn zo assertief als de meeuwen. In november vorig jaar in Arhus (Denemarken) hebben alle experts nog toegegeven dat er nog maar weinig of niets bekend is over de gevolgen van windmolens in zee voor de zeevogels. We weten dat er slachtoffers vallen, maar ook dat zijn meestal extrapolaties van het aantal vogels dat aan land tegen windmolens aan vliegt. Tegen de 23 windmolens op de oostelijke strekdam in Zeebrugge vliegen jaarlijks een vijfhonderdtal vogels, grotendeels meeuwen, te pletter. Seys: Als je weet dat er in Nederland jaarlijks 600.000 vogels in het verkeer sterven en 1 miljoen vogels zich te pletter vliegen tegen hoogspanningskabels, zullen die windmolens misschien minder moordend zijn. Maar we weten het niet. Anderzijds weten we wel dat er vorig jaar bij de kadavers in Zeebrugge één slechtvalk, twee dwergsternen en drie visdieven waren. Dat zijn drie soorten die volgens bijlage-1 van de Vogelrichtlijn prioritair moeten worden beschermd. Dat stemt dan weer tot nadenken. Zeker als we die aantallen met tien vermenigvuldigen, rekening houdende met het feit dat een deel van de kadavers in zee verdwijnt. Omdat windmolenparken in zee niet zomaar af te bakenen zijn, moeten wij besluiten dat in feite de hele Belgische 12-mijlszone belangrijk is voor een aantal vogelsoorten en dat hier de zogenaamde 1-procentsnorm gehaald wordt volgens welke de Europese Vogelrichtlijn in het gebied zou moeten gelden. Volgens het naslagwerk Important bird areas for seabirds in the North Sea (Cambridge, 1995) is de 12-mijlszone tussen Cap Gris Nez en de Deense grens het op vijf na belangrijkste vogelgebied van de hele Noordzee. En dat heeft consequenties. Cliquet: De Vogelrichtlijn heeft betrekking zowel op het Europese land als op de zee, met inbegrip van de Exclusieve Economische Zone (EEZ) tot 200 zeemijlen voor de kust. En precies in die context kunnen speciale beschermingsgebieden voor vogels afgebakend worden. De Europese Habitatrichtlijn doet hetzelfde, maar dan voor andere diersoorten (behalve vogels) en habitats. Dit beschermingsstatuut sluit economische activiteiten niet uit, maar die kunnen wel beperkt worden als bepaalde soorten worden bedreigd. Windmolens op zee zijn dus niet a priori uit te sluiten, maar ze mogen slechts ingeplant worden met de nodige omzichtigheid. Daarom is een proefproject met zeer strenge monitoring wenselijk. Seys: Vooralsnog zijn er bijna geen onderzoeken die aantonen dat windmolens op zee géén schadelijke effecten zullen hebben op de bodemorganismen, het visbestand en de vogels. De Milieu-effectenrapporten en het advies van het BMM staan bol van speculaties waaruit dan conclusies worden afgeleid die het meest voordelig zijn voor de projecten. Bij gebrek aan degelijk wetenschappelijk onderzoek moeten we dus zeker het voorzorgsbeginsel hanteren. Ofwel laten we niet één windmolen op zee toe, ofwel starten we een wetenschappelijk streng begeleid proefproject. Hoe moeilijk en duur metingen op zee ook mogen zijn. Seys: Dat gevaar bestaat. Al aanvaardt het BMM dat de windmolens hoogstens eenvierde van de totale specifieke habitat van de meest storingsgevoelige soorten mogen innemen. En dat 'ten hoogste eenderde van de migratiecorridor van deze soorten mag worden ingenomen door windmolenparken of gelijkaardige bouwstructuren'. Maar wie heeft dat verzonnen? Zo kun je alles van tevoren verantwoorden. Waarom dan meteen niet aanvaarden dat de windmolenparken in zee 1 miljoen vogels in mootjes mogen hakken omdat er toch zoveel te pletter vliegen tegen de hoogspanningskabels? Zet dan meteen de hele zee vol windmolens. Mocht federaal minister van Leefmilieu Magda Aelvoet het BMM-advies volgen en dus het eerste windmolenpark voor Knokke-Heist goedkeuren, dan zou dat niet meer dan een proefproject mogen worden. En ze zou geen andere projecten mogen goedkeuren tot er voldoende bekend is over de gevolgen. Precies daarom wou Nederland voor de kust van Egmond-aan-Zee een demonstratie-windmolenpark bouwen, dat naar omvang (36 turbines van 2,75 MW elk) en afstand tot de kust vergelijkbaar is met het project voor Knokke-Heist. Dit Nederlandse project is echter al ten dele achterhaald omdat E-Connection gebruik maakte van het juridische vacuüm om op zo'n 23 kilometer uit de Nederlandse kust het grotere Q-7windpark te bouwen. Cliquet: Juridisch zijn daar geen argumenten voor. Seys: Vanuit ecologisch en toeristisch oogpunt lijkt het mij inderdaad beter verder van de kust te blijven. Het zal misschien duurder zijn, maar de techniek evolueert zo snel dat het over enkele jaren rendabeler wordt de windmolenparken groter en verder in zee te bouwen. Een en ander wijst er echter op dat elektriciteitsproducenten liever dicht bij de kust willen beginnen. Seys: Het is in elk geval een betere locatie dan de zandbanken dichter bij de kust, waar de vogeltrek zich concentreert. Een locatie op de Zeelandbanken, waartoe de Thorntonbank behoort, is ook minder schadelijk voor pleisterende vogels. Op de Thorntonbank zijn geen belangrijke concentraties van schelpdieren bekend die bijvoorbeeld als voedsel voor de zee-eenden kunnen dienen. Wat niet wil zeggen dat er op de Thorntonbank geen interessante fauna aanwezig is. Maar alles wijst erop dat een windmolenpark hier minder schadelijke gevolgen zal hebben dan op de Vlakte van de Raan of op de nog dichter bij de kust gelegen Wenduinebank. Maar ook op de Thorntonbank blijven onderzoek en strenge monitoring nodig. Frank De Moor