Vroeger hadden leerlingen eigenlijk alleen maar plichten. Dat is sinds de wet van 13 maart 1991 (gelukkig maar) veranderd. Leerlingen hebben naast plichten nu ook rechten en die staan in de wet ingeschreven. Maar niet alleen in de wet. Scholen moeten die wet in praktijk omzetten en dat begint bij het schrijven van een correct schoolreglement.
...

Vroeger hadden leerlingen eigenlijk alleen maar plichten. Dat is sinds de wet van 13 maart 1991 (gelukkig maar) veranderd. Leerlingen hebben naast plichten nu ook rechten en die staan in de wet ingeschreven. Maar niet alleen in de wet. Scholen moeten die wet in praktijk omzetten en dat begint bij het schrijven van een correct schoolreglement. Sinds 1 september 1991 moet élke secundaire school een reglement hebben waarin de rechten en plichten van elke scholier zijn beschreven. Bij de inschrijving wordt dat reglement ondertekend door de ouders en de leerling. Vanaf dat moment begint het contract tussen school en leerling en bij uitbreiding diens ouders of voogden te lopen. Dat wil dus ook zeggen dat het contract een schooljaar lang geldt en in de loop van dat schooljaar niet kan worden gewijzigd. Dat reglement moet drie verschillende terreinen bestrijken. Om te beginnen de regels die het samenleven en samenwerken op school regelen. Dat 'ordereglement' bevat ook de (straf)maatregelen bij overtreding. Ze moeten erop gericht zijn om het gedrag te verbeteren zodat de samenwerking mogelijk wordt. Er moet ook een tuchtreglement zijn. Dat gaat eigenlijk alleen over de sancties die genomen worden bij overtredingen. Maar het wil ook zeggen dat leraren niet zomaar straffen uit hun mouw mogen schudden. En er is een studiereglement: dat omvat het studieaanbod, de inschrijvingsprocedures, beschrijft de toetsen en examens, vertelt waar het rapport over gaat en beschrijft wat een scholier kan doen als hij niet tevreden is over de beslissingen van de klassenraad. Of iemand wel of niet slaagt, hangt grotendeels van hem of haar af. En dat beseffen scholieren best. Wie niet studeert, zijn huistaken niet maakt en op alle toetsen gemiddeld nul haalt, weet het wel. Maar dat is volgens de wet niet voldoende. De school moet heel duidelijke regels volgen voor ze een scholier het jaar laat overdoen of naar een andere richting verwijst. Aan het einde van het schooljaar komt de klassenraad bij elkaar. Voorzitter is de directeur of diens afgevaardigde. De leden zijn alle leraren samen. De klassenraad beslist autonoom, dat wil zeggen: zonder druk van buitenaf. De beslissing wordt aan de ouders meegedeeld via het rapport of via een brief. Elke scholier en alle ouders hebben het recht uitleg te krijgen bij de cijfers of beoordelingen op het rapport. Ook dat staat in een wet, namelijk in het decreet op de openbaarheid van bestuur. Die uitleg wordt gegeven door de vakleraren of door de directie van de school. Ook toetsen en examens kunnen dan overgelegd worden. Wat niet kan, is vragen om de examens van de andere leerlingen te zien zodat er vergelijking moge-lijk is. Wie niet tevreden is met de beslissing, kan beroep aantekenen (zie kader pag. 67). Uiteraard is het goed dat de rechten en plichten van leraren en scholieren op papier worden gezet. Toch heeft dat onverwachte gevolgen. Scholen zijn heel bang van rechtszaken. In vele gevallen verplichten ze leraren zo veel mogelijk verslagen te maken zodat ze in elk geval kunnen bewijzen dat de school alles deed wat mogelijk is. Dat betekent een hele hoop papier. Heel wat leraren vertellen ons dat ze het volstrekt onredelijk vinden dat ze van elke bijkomende uitleg aan leerlingen een verslag moeten maken, anders is die uitleg er niet eens geweest. En dat kan bij betwistingen in het nadeel van de school en de leraar spelen. Dat schrijven van verslagen over alles en nog wat kost leraren veel (nutteloze) tijd die volgens hen veel beter kan worden besteed. Veel leraren wijzen er ook op dat hier het bekende Mattheus-effect nog maar eens speelt. Wie de weg kent en geld heeft voor een advocaat, heeft meer kansen dan anderen. Anderen zeggen nogal gelaten dat de slinger gewoon naar de andere kant is doorgeslagen: vroeger hadden leerlingen helemaal geen rechten, nu lijken ze enkel nog rechten en geen plichten te hebben. En ten laatste zien heel veel leraren in die hele beroepsprocedure een blijk van wantrouwen. Het lijkt wel of de wetgever ervan uitgaat dat leraren graag 'buizen'. En zeggen leraren: hoe kunnen wij nu nog samenwerken met ouders die niet geloven dat wij eerlijke beslissingen nemen en dat we daarbij echt rekening houden met wat het beste is voor hun kind? Een kind dat wij echt wel kunnen beoordelen: tenslotte brengen jongeren meer uren door op school dan thuis. Aan de andere kant is het natuurlijk gerechtvaardigd dat een school die toch met geld van de gemeenschap werkt, al haar beslissingen kan motiveren. Maar zelfs de webstek van het departement onderwijs waarschuwt dat een rechtszaak geld kost, de uitspraak op zich kan laten wachten en de rechter enkel kan beslissen dat de klassenraad weer moet bijeenkomen. De rechter kan niet beslissen of een leerling geslaagd is of niet. Misjoe Verleyen