Hoe wordt een mens topzeilster? Factor één: toeval. Op een dag reed moeder Van Acker over de snelweg en zag in de verte gekleurde zeiltjes wapperen op het Damslootmeer in Heusden, bij Gent. Ze raakte geïntrigeerd door het mooie beeld, nam gelijk de afrit en zocht zich een weg door smalle straatjes naar de kleine plas. Daar schreef ze meteen haar oudste zoon in voor een initiatiecursus.
...

Hoe wordt een mens topzeilster? Factor één: toeval. Op een dag reed moeder Van Acker over de snelweg en zag in de verte gekleurde zeiltjes wapperen op het Damslootmeer in Heusden, bij Gent. Ze raakte geïntrigeerd door het mooie beeld, nam gelijk de afrit en zocht zich een weg door smalle straatjes naar de kleine plas. Daar schreef ze meteen haar oudste zoon in voor een initiatiecursus. Factor twee: voorbestemdheid. De vijf jaar jongere zus Evi was altijd al een waterrat. Als kind deed ze niets liever dan in de vijver spelen, met waterballonnen gooien, bloemen water geven... 'Van bij het eerste moment dat ik in een bootje stapte, vond ik het ontzettend leuk. En dat is sindsdien niet veranderd, ik vind het nog altijd geweldig.' Factor drie: karakter, discipline en hard werken. Evi Van Acker heeft altijd topsport en studie gecombineerd. Latijn-wetenschappen in de humaniora, en in de gewone drie jaar tijd een bachelordiploma scheikunde aan de universiteit van Amsterdam. Geen sinecure, zeker niet omdat ze in die periode ook haar vader verloor. Factor vier: van kindsbeen af een doel voor ogen hebben, dat opschrijven, en soms drastische keuzes maken. Ze begon nog wel aan haar masterstudie: Molecular Design, Synthesis and Catalysis, alstublieft, maar dát bleek niet meer te combineren met topsport. Te veel praktijk in veel te ongezonde laboratoria. Simpel dus: gedaan met die studie, en voluit voor de sport kiezen. De enige factor die nog lijkt te ontbreken voor olympisch goud is ervaring op topniveau. Alhoewel. EVI VAN ACKER: Ja, maar ik héb ook al vijftien jaar ervaring. Ik ben heel jong begonnen, op mijn vijf, zes jaar. Heel speels, in zomerkampen en zo. Maar ik ben erg snel veel beginnen te zeilen. Eerst vooral in het weekend, daarna de krokusvakanties, de herfstvakanties... Op de duur álle vakanties en álle vrije dagen. Mijn oudere broer zeilde ook, van hem stak ik veel op. Ik ben dus al heel lang heel competitief met mijn sport bezig. Ik ben wel vrij jong in vergelijking met andere deelnemers aan de Olympische Spelen, maar nu ook weer niet uitzonderlijk jong. Ik denk dat de gemiddelde leeftijd rond de 25 jaar ligt. VAN ACKER: Oh nee, ik heb zowat alles gedaan. Ik ben altijd heel sportief geweest, en slecht in nietsdoen. Als kind zat ik ook nog een uur of zeven per week op muziekschool, en ik speelde tennis. Mijn tijd moest volgestopt zijn. Ik doe alle sporten graag, behalve balsporten. Het mooie aan zeilen is dat je, los van je tijd op het water, heel veel andere sporten moet doen om je conditie op peil te houden: lopen, fietsen, zwemmen, roeien. Het is superleuk om dat er allemaal bij te kunnen doen. De meeste sporten zijn nogal eenzijdig, de onze niet. VAN ACKER: Als ik er zo op terugkijk: geen idee. Ik heb veel zelfdiscipline, dat wel. Tot vorig jaar kreeg mijn studie ook altijd voorrang. Thuis vonden ze school en goede cijfers heel belangrijk. Vandaar dat ik het ook zelf nodig vond om mijn studie af te maken, mét goede resultaten. Ik heb mijn bachelordiploma in de scheikunde en ik ben er trots op dat ik het ook in de normale drie jaar behaald heb. Al was het geen lachertje: na wedstrijden of op het vliegtuig nog studeren. En scheikunde is zeker niet de gemakkelijkste materie. Maar het is gelukt, en het is ook nodig. Wellicht kan ik, zeker als vrouw, in het zeilen later mijn brood niet verdienen. Ik hou ook niet van half werk, vandaar dat ik een jaartje gestopt ben met mijn studie toen ik voelde dat de combinatie niet meer houdbaar was. Maar in oktober, na de Spelen, ga ik weer studeren. Al zal het misschien geen scheikunde meer zijn. Meer iets economisch, denk ik. VAN ACKER: Fysiek is zeker niet mijn sterkste punt, daar moet ik enorm hard voor trainen. Sommige mensen worden snel fit, ik niet. Maar bij zeilen komt zoveel meer kijken: techniek, bijvoorbeeld, de snelheid van de boot, overstag gaan, gijpen, boeien ronden, acceleratie bij de start... Dát kan ik wel goed. En dan heb je nog twee belangrijke elementen: tactiek en strategie. Met tactiek bedoel ik de positie van jezelf ten opzichte van de rest. Dat is een soort schaakspel, waarbij je sneller moet denken dan de tegenstand. Niet makkelijk, maar ik heb er wel talent voor. Het is iets wat je niet zo snel aanleert, je hebt het of je hebt het niet. Strategie is het plannen vooraf: welke kant gaan we op, welke koers willen we varen? Dat hangt allemaal af van de windrichting, de windkracht, de golven, de stroming - heel belangrijk in China -, noem maar op. Mijn trainer, Will Van Bladel, is daarin enorm beslagen. En het begint mij ook steeds beter af te gaan, moet ik zeggen. Steeds vaker komen onze ideeën overeen. Bovendien mag je niet vergeten dat zeilwedstrijden lang duren: zes tot zeven dagen, op de Olympische Spelen soms zelfs tien tot twaalf dagen. Je moet vaak lang wachten, bij weinig wind komt het er vooral op aan geconcentreerd te blijven en dat is geen sinecure, zeker niet in warmte en vochtigheid. En ten slotte heb je, net als in andere sporten, de wedstrijdstress. Vooral op dat vlak heb ik enorm vooruitgang geboekt, merk ik. Al valt het me op hoe groot het verschil is tussen 'naar de top gaan', en 'aan de top staan'. Tot vorig jaar was er niemand die mij in de gaten hield, terwijl nu... all eyes on you. Daar werken we vooral aan: op-nieuw vrijer en onbevangen aan wedstrijden beginnen. Maar ik heb veel zelfvertrouwen, en ik ben mentaal sterk. Dat is het zowat. VAN ACKER: Voor vrouwen is het de enige optie om solo naar de Spelen te kunnen. Ik ben een vrouw, ik zit het liefst alleen in een boot, vandaar dat ik Laser-Radiaal zeil. (lacht) Want eigenlijk vind ik andere klassen veel mooier. Het is een one design-klasse, dat wil zeggen dat alle bootjes gelijk zijn. In andere klassen is dat niet zo: ga jij bij een botenbouwer in Zweden en ik in Spanje, dan krijgen we twee totaal verschillende boten, met totaal andere materialen. Sebastien Godfroid en Carolijn Brouwer, die in de Tornadoklasse varen, kunnen voor alle omstandigheden specifieke zeilen laten maken: dunner doek, dikker doek, meer of minder 'bolling'. Daar kruipt enorm veel tijd, energie en geld in. In de Laser is dat niet zo. Wij hoeven niet wakker te liggen van materiaalkeuze: we hebben maar één optie. Op de Spelen krijg je een boot, een mast, een zeil: daarmee moet je het doen. Niemand mag met zijn eigen materiaal varen. Dat is wel eerlijker. En het gaat ook vrij langzaam: wij halen geen extreem hoge snelheden. Daardoor wordt tactiek veel belangrijker. VAN ACKER: Het zijn twee totaal verschillende werelden. Ik ben nooit goed geweest bij veel wind. Pas de laatste maanden gaat het me beter af. Sinds kort ben ik zelfs een van de snelste zeilsters ter wereld geworden. Ik sta er zelf versteld van. Veel hangt af van je mentale ingesteldheid. Ik ben altijd een lichtweerfan geweest, liefst niet te veel wind. Maar die knop heb ik omgedraaid: 'Sterke wind, here I come.' Dat komt omdat ik fysiek sterker geworden ben, én veel ervaring heb, in allerlei weers-omstandigheden. Veel wind is fysiek zwaar, weinig wind is mentaal lastig. VAN ACKER: Ja, maar ik heb ook vier jaar in Amsterdam gewoond, daar ben ik wel iets directer geworden, natuurlijk. En bovendien: ik kan de lat toch niet lager leggen? Vorig jaar heb ik de ene wedstrijd na de andere gewonnen, overal waren alle concurrenten aanwezig. Een gouden medaille moet dus mogelijk zijn. Ik zeg niet dát ik zal winnen, ik zeg wel dat ik wíl winnen. Elke topsporter wil toch een gouden medaille? Dat niet iedereen die ambitie durft uit te spreken, kan best. Maar ik wel. Ik wil het onderste uit de kan halen in China. Hopelijk hangt er een medaille aan vast, maar het maakt me niet uit op welke plaats ik uitkom, als ik maar het gevoel heb dat ik op de Spelen de wedstrijd van mijn leven heb gevaren. Ik kan tevreden zijn met een vijfde plek, en ontevreden met een eerste. Vorig jaar heb ik twee wedstrijden gewonnen waarvan ik dacht: 'Als ik hier win, hoe slecht heeft de rest dan wel gevaren?' Een gouden medaille is een ambitie als een andere. Vroeger, als kind van een jaar of zeven, heb ik een lijstje gemaakt met alles wat ik wou bereiken in de zeilsport. Dat begon toen ik nog heel slecht was: ik wil in de nationale Optimistploeg raken, dat zijn de bootjes voor de absolute beginners. Wat stond er nog op? Europees kampioenschap: deelname. Eerst deelname, daarna wou ik overstappen naar de olympische klasse, dan wou ik daar in de bovenste helft van het deelnemersveld eindigen. En zo is mijn lijstje steeds hogere doelen gaan stellen: Europees kampioene worden, eerste op de wereldranglijst, wereldkampioene, genomineerd worden als zeilster van het jaar, naar de Olympische Spelen gaan en daar een medaille halen... Dat stond toen al allemaal op dat lijstje. Ik ben nog altijd geen wereldkampioene en een medaille op de Spelen heb ik ook nog niet, dus ik moet nog een tijdje doorgaan. VAN ACKER: Absoluut, op een beduimeld en verfrommeld papiertje. Veel dingen heb ik toch al waargemaakt; daar zet ik dan een v'tje voor. (lacht) Maar er zijn nog een paar items níét aangevinkt. Dromen kan geen kwaad, hé? VAN ACKER: Eén keer, vorig jaar bij de preolympische wedstrijden. Twee weken trainen en twee weken wedstrijd. Ik heb er brons behaald, en daar was ik ontzettend blij mee, want mijn bootsnelheid lag ontzettend laag. Vaak ben ik uit allerlaatste positie toch nog naar voren gekomen, puur op slimheid. Het was een bijzondere ervaring, alles was er zoals op de echte Spelen: accreditaties, het bordje 'Belgium', iedereen die per land stond terwijl we anders altijd per klasse staan. Zoiets had ik nog nooit meegemaakt, en het was heel leerrijk. Het zeilen zelf ook, trouwens. Er mochten maar 25 boten meedoen, normaal zijn we met 100. Eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat de wedstrijd op de Olympische Spelen voor ons niet het hoogste niveau is, omdat er maar één boot per land mag deelnemen. Het zijn wel allemaal goede zeilers op de Spelen, maar door die beperking zijn een paar sterke tegenstanders er niet. Het was ook wennen aan de omstandigheden: soms heel veel wind, maar 90 procent van de tijd nauwelijks wind. En geen wind, in combinatie met enorm veel stroming, dat is nu net wat een zeiler absoluut niet wil. In onze kleine bootjes, die al geen groot zeiloppervlak hebben, voeren we soms achteruit, letterlijk hé. Redelijk frustrerend. Met de stroming mee naar de eerste boei deed je in vijf minuten, tegen de stroming in deed je over hetzelfde traject vijfenveertig minuten. Vreselijk gewoon, die boei kwam maar niet dichterbij. Maar interessant ook, want nu weten we tenminste waarop we moeten trainen. VAN ACKER: Nee, de omstandigheden in China zijn totaal anders dan wat wij gewend zijn. Zo weinig wind, zo veel stroming, totaal andere golven, de warmte, de vochtigheid. Of je nu in België op de Noordzee vaart of in Frankrijk op de Middellandse Zee, dat maakt niet veel verschil. Maar in China is het iets anders. Heel anders zelfs dan in Australië of Nieuw-Zeeland, waar je elke dag goede wind hebt. In China heb je elke dag géén wind. Of toch maar een beetje. Daarom gaan we de hele maand juni nog eens terug. In juli varen we dan het EK in Nieuwpoort. Dat is ook een goede voorbereiding, want op de Noordzee heb je ook veel golven en stroming. Alleen is het er geen 40 graden, en heb je er geen luchtvochtigheid van 85 procent. VAN ACKER: Néé, jong. Op het water toch niet. Het is zo'n fantastische sport dat ik me in mijn boot nooit eenzaam voel. Trouwens, voor mij is het ook goed dat ik alleen in mijn boot zit. Anders zou ik de andere toch altijd de schuld geven. Ik heb veel liever dat ik het alleen mezelf kwalijk kan nemen als er iets misgaat. Ik vind het heerlijk om alleen in de boot te zitten. Maar altijd op het vliegtuig en driekwart van het jaar uit je rugzak leven, dat is minder prettig. En een goede vriendin ben ik ook niet: ik ben er nooit, zo simpel is het. En áls ik dan thuis ben, ben ik meestal doodmoe en heb ik weinig fut om nog iets te ondernemen. Thuis, dat betekent een dag of drie om de twee maanden, heel weinig. VAN ACKER: Heel weinig, gelukkig maar. Ik sukkelde met ernstige maag- en darmproblemen. Ik heb vier maanden zo goed als niet kunnen zeilen. Het voorbije WK in maart was mijn eerste wedstrijd sinds augustus. Vandaar ook dat we in Nieuw-Zeeland een enorm strak trainingsschema aangehouden hebben, we lieten er geen dag onbenut. Eerlijk gezegd was ik wat bang toen ik opnieuw in de boot stapte, maar mijn coach stelde me gerust: zeilen is als fietsen, je verleert het niet. VAN ACKER: Het zal de belangstelling allicht doen toenemen. Al komt die stilaan wel. Onlangs ben ik gevolgd door een cameraploeg van Canvas. Tof om die hele heisa eens mee te maken, en een goeie voorbereiding op de Spelen, want daar zullen we ook niet aan de media ontsnappen. Bovendien kan mijn familie in Nieuwpoort eens komen kijken, mijn broer heeft al een bootje gehuurd om de wedstrijd te volgen. Ik hoef het vliegtuig niet op, ik ken de Noordzee op mijn duimpje... Ook in het zeilen is er een thuisvoordeel. VAN ACKER: Absoluut. Als ik met vakantie ben, ga ik ook zeilen. Dat is nu eenmaal het toffe aan onze sport: je kunt ze beoefenen op topniveau, maar evengoed op je vijftigste, met een goed glaasje wijn aan boord. Ter ontspanning neem ik dan wel een catamaran. Maar er mag geen andere boot naast mij varen, want die wil ik wel voor blijven. Het is erg, maar eens rustig zeilen zit er voor mij niet in. Altijd competitie. DOOR KRIS CROONEN