Niels Albert sjouwt spaanderplaten door de fabriekshal die binnenkort het hoofdkwartier van wielerploeg Crelan-Charles wordt. De ploegleider van het nieuwe team rond Wout van Aert en Stijn Devolder timmert aan een fietsenopslagplaats. Naast de houten barak komen parkeerplaatsen voor de ploegbus en de volgwagens. 'Wacht, ik zet dit even aan de kant', zegt de tweevoudige wereldkampioen veldrijden voor hij ons naar zijn bureau leidt, waar werkmannen boven ons hoofd tl-buizen installeren.
...

Niels Albert sjouwt spaanderplaten door de fabriekshal die binnenkort het hoofdkwartier van wielerploeg Crelan-Charles wordt. De ploegleider van het nieuwe team rond Wout van Aert en Stijn Devolder timmert aan een fietsenopslagplaats. Naast de houten barak komen parkeerplaatsen voor de ploegbus en de volgwagens. 'Wacht, ik zet dit even aan de kant', zegt de tweevoudige wereldkampioen veldrijden voor hij ons naar zijn bureau leidt, waar werkmannen boven ons hoofd tl-buizen installeren. Tweeënhalf jaar is Albert ondertussen renner af. Drie maanden nadat hij door hartritmestoornissen gedwongen met pensioen ging, ging hij aan de slag bij Crelan-Vastgoedservice, een pas opgericht veldritteam waarvan Rob Peeters de meest opvallende naam was. Ook een zekere Wout van Aert, de wereldkampioen bij de beloften, had voor het team getekend. Albert zat meteen gebeiteld. Van Aert begon aan een indrukwekkende zegereeks die nog lang zou kunnen duren. De enige die hem af en toe klopt, is Mathieu van der Poel. Komende zondag wordt in Oostende het Belgisch kampioenschap veldrijden gereden, logischerwijs zonder Nederlander Van der Poel. De openingsvraag voor Albert ligt voor de hand. NIELS ALBERT: Ho, zo bekijken we het niet! Je mag nooit te gerust zijn, want dan kun je onaangenaam verrast worden. Maar Wout is wel de superfavoriet. De koers moet nog gereden worden, maar als het een strijd van man tegen man wordt, dan kan niemand Wout kloppen. Krijgt hij pech of gaat hij ten onder aan de stress, dan komen Laurens Sweeck en Kevin Pauwels in beeld. Vooral Pauwels is de laatste weken goed op dreef. Het parcours in Oostende ligt Wout normaal goed. We zitten aan zee, maar het is geen zandkoers zoals in Koksijde. De wedstrijd vindt voor het grootste deel plaats in een park. Een keer per ronde steken de renners de tramsporen over voor een kleine lus over het strand: een zware strook, maar normaal niet allesbepalend. Nu ja, al bij al maakt het parcours weinig uit. Wout en Mathieu overklassen de rest. ALBERT: Omdat de generatie waar Wout en Mathieu normaal tegenop hadden moeten boksen wegviel: ik wegens mijn gezondheidsproblemen en Zdenek Stybar en Lars Boom omdat ze overstapten naar het wielrennen op de weg. Om de zoveel jaar staan er een paar supertalenten op. Eerst kwamen Sven Nys en Bart Wellens, daarna Stybar, Boom en ik, en nu Van Aert en Van der Poel. Normaal heb je een gevecht tussen de generaties waarbij de jongeren langzaamaan de ouderen verdringen. Nu er geen oudere toppers zijn, pakt de jonge garde het direct over. ALBERT: Meer dan een bijrol zullen ze niet spelen, want het veldrijden is te veeleisend. Lars en Zdenek starten niet met grote verwachtingen. Ze weten goed genoeg hoe hard ze reden toen ze nog voltijds crosser waren, en welk niveau ze nu halen. Het is meer dat ze nog een keertje willen crossen. Als Stybar en Boom zich opnieuw zouden toeleggen op het veldrijden wordt het een ander verhaal, maar zelfs dan zie ik ze niet meteen aanhaken bij Wout en Mathieu. Die twee rijden verdorie snel. ALBERT: Ja. Dat is het hedendaagse veldrijden: je hebt maar één uur om het verschil te maken, dus waarom zou je niet van bij het begin alle kaarten op tafel leggen? Ze starten allebei heel goed, dat is een groot wapen. De eerste twee rondes trekken ze alle registers open. Zo zijn ze de rest kwijt en zijn ze zeker van het podium. Nadien kan de échte koers - Wout tegen Mathieu - beginnen. Bij die duels komt niet veel tactiek kijken. Het is hard tegen hard. Wie wint, heeft het dubbel en dik verdiend. ALBERT: De anderen werken ook hard, dat is het probleem niet. Ze hebben de pech op twee supertalenten te stoten waar niets tegen te beginnen valt. Als Mathieu en Wout er niet bij zijn, kunnen Pauwels, Sweeck of Tom Meeusen hier en daar een wedstrijd winnen. Zijn de toppers er wel, dan rijden de anderen voor de derde plaats. Eigenlijk is dat niet nieuw. Meeusen en Pauwels wonnen vroeger ook alleen wanneer de echte toppers ziek waren of vielen. Dat klinkt cru, maar het is gewoon waar. Die jongens doen hun best, maar wanneer de besten versnellen, moeten ze eraf. ALBERT: Nee, er kan geen power meer bij. (lacht) Ze zullen mentaal nog iets weerbaarder worden, en door beter te doseren, zullen ze in de koersen die ze écht willen winnen een paar procentjes sterker worden. Maar de grote groei is achter de rug. Voor een ploegleider is het een luxe om met zulke straffe talenten te werken. Ik probeer Wout houvast te geven. Hij heeft een trainer die zijn schema's opstelt, maar ik denk mee na. Als hij een klankbord nodig heeft, help ik hem te bepalen wat werkt en wat niet. Uiteindelijk is het vooral mijn taak om hem rustig aan de start te krijgen. Hij moet weten dat alles in orde is. ALBERT: Op mijn aanraden nam hij een mental coach in de arm en ik probeer hem een tikkeltje extra rust te schenken door mee na te denken over hoe de koers zal verlopen. Weten hoe het parcours tijdens de wedstrijd zal veranderen, maakt een heel verschil. Je moet verrassingen vermijden. Wout is een makkelijke jongen om mee te werken. Het is een stijfkop, en dat bedoel ik als een compliment. De echte winnaars zijn altijd sterke karakters. Wout bezit de mentaliteit van een killer, zonder dat het ontaardt in arrogantie. Want dat is een beetje het gevaar bij elke perfectionistische topsporter: soms dreigt een sterke mening over te slaan in arrogantie. Zo mag je niet worden, zeker niet tegenover de mensen die dag in, dag uit voor je in de weer zijn. ALBERT: De eerste keer dat hij mij opviel, was tijdens het wereldkampioenschap in Koksijde in 2012. (Albert won goud bij de profs, Van Aert zilver bij de junioren na Van der Poel, nvdr.) Wout was een prutsventje, je blies hem omver. Nu zijn we amper enkele jaren verder, maar staat er wel een man. Niet alleen fysiek, ook qua persoonlijkheid. Komt er concurrentie uit de jeugdreeksen? ALBERT: Bij de beloften steken Quinten Hermans en Eli Iserbyt erbovenuit. Die jongens rijden snel, maar Hermans is vierdejaarsbelofte en is dus even oud als Van der Poel. Op de veldrit in Antwerpen heb ik hun tijden vergeleken: Hermans en Iserbyt reden elk rondje twaalf seconden trager dan de profs, en een ronde duurde daar maar vijf minuten. Reken maar uit. Hermans en Iserbyt gaan goede profrenners worden, maar mirakels moet je niet verwachten. Er is er één talent op komst, maar die is nog maar junior: de Engelsman Thomas Pidcock domineert zijn categorie met de vingers in de neus. Maar blijft hij wel crosser? ALBERT: Ooit wil hij wel eens kijken hoever hij komt in de voorjaarsklassiekers, maar dat hoeft niet per se volgend jaar te gebeuren. Het is zijn keuze, we laten hem daar vrij in. Ik denk dat hij nog lang veldrijder zal blijven. ALBERT: Wout bulkt van de klasse. Maar we moeten niet overdrijven: de Ronde van Vlaanderen winnen is iets anders dan de tijdrit in de Ronde van België. ALBERT: Als Van der Poel vertrekt, zal Wout niets meer in de weg gelegd worden. Dan wordt het een droeve boel. Maar als ze allebei vertrekken, wordt het helemaal triest. ALBERT: Dat is nu soms al een probleem. Neem de cross in Overijse. Mathieu rijdt in de eerste ronde zeven seconden weg. Wout probeert twee, drie rondes lang het gat toe te rijden, maakt een foutje en zegt dan: 'Laat maar, het is tenslotte geen klassements-cross'. Vervolgens neemt Mathieu veertig seconden voorsprong op Wout. Pauwels, de nummer drie, volgt weer op veertig seconden. Het veld is zo uiteengeslagen dat er pas voor de zevende plaats een echte strijd geleverd wordt. Hoera! (lacht wrang) Voor de cross halfweg was, kon het publiek al naar huis. Zo'n wedstrijd is slechte reclame voor het veldrijden, maar niemand kan er iets aan doen. Of Wout zijn beslissing zal laten afhangen van de keuze van Van der Poel weet ik niet. De crosswereld is klein maar mooi. Wegwielrenners leiden een ander leven. Op stage in Calpe zaten we in hetzelfde hotel als Astana, een van de grote ploegen op de weg. Die renners hadden net een week teambuilding achter de rug, waarna ze twee weken stage hadden en vijf dagen naar Kazachstan moesten voor de ploegvoorstelling. Dan waren ze vijf dagen thuis voor de kerst en dan vertrokken ze een maand naar Australië voor de eerste koersen. In twee maanden zijn ze vijf dagen thuis en dan is het nog maar het tussenseizoen. Een crosser gaat weleens op stage, maar negen van de tien nachten slaapt hij thuis. Dat is een heel verschil. En eens je de keuze maakt, moet je er vol voor gaan. ALBERT: Dat weet ik niet. Zijn vaste entourage bestaat uit zijn ouders, zijn jeugdvrienden en zijn vriendin. Ik kan moeilijk inschatten of hij gelukkig blijft als hij dat allemaal achterlaat. Er is nog iets waar je rekening mee moet houden. In het veld waren Stybar en Boom winnaars. Mannen waar het om draaide, wereldtoppers. Met alle respect voor wat die twee al hebben gepresteerd op de weg, maar daar gaan ze op in de massa. Goede renners, maar geen supersterren. ALBERT: Zij zullen zeggen van wel, maar voor mij is de wereldtitel in het veldrijden meer waard. Wat gaat er boven een regenboogtrui? De Tour winnen wel, een Tourrit winnen niet. Als je beter wilt doen op de weg, komen er maar een paar koersen in aanmerking: de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix, Luik-Bastenaken-Luik, geel in de Tour en het WK. Voor minder moet een veldrittopper niet overstappen. ALBERT: Er zitten maar vier veldrijders in het nieuwe Crelan-Charles. Daarnaast zijn er twaalf wegrenners, onder wie Timothy Dupont, vorig jaar de internationale zegekoning met vijftien overwinningen, en Stijn Devolder, twee keer winnaar van de Ronde van Vlaanderen. Het zal dus niet alleen meer om Wout draaien. Sterker nog: af en toe zal hij voor een ander moeten knechten. Nu, ik concentreer me vooral op de cyclocross. Zodra het wegseizoen begint, is het aan Nick Nuyens en zijn mensen. ALBERT: Bij de opnames van dat programma zat ik diep, ja. Het was het eerste jaar nadat ik moest stoppen als veldrijder, in mijn huwelijk ging het slecht en ze filmden me in Koksijde waar ik mijn grootste triomf had beleefd. Die maanden stortte alles in, maar op het moment dat Kroost werd uitgezonden, was die zwarte periode al achter de rug. Ik heb toen geleerd dat ik een vechter ben. Mijn sportcarrière was voorbij, en natuurlijk had ik daar spijt van, maar ik wilde nog iets maken van mijn leven. Vooruitkijken, iets opbouwen. Dat is gelukt: ik vond een mooie uitdaging als ploegleider van Wout en heb een fietsenzaak uitgebouwd, onder anderen dankzij Paskal Teugels, een goede vennoot op wie ik altijd kan rekenen. Als je een heel leven werkt om toprenner te worden, dan is het normaal dat je rouwt als dat wegvalt. Toch heb ik daar nooit helemaal aan willen toegeven, zelfs niet in mijn donkerste periode. Ik zat dicht bij een depressie maar er nooit helemaal in. Gelukkig had ik goede kameraden die naar mij wilden luisteren en mij erdoor hebben gesleurd. Ik ben stap voor stap uit de put geklommen en heb een nieuw leven met nieuwe perspectieven opgebouwd. Ik werk wel harder dan toen ik renner was. (lacht) Ik besefte toen te weinig wat een luxeleventje ik leidde. ALBERT: Als mijn steun helpt om mensen te laten beseffen hoe belangrijk het is dat ze zich laten controleren, doe ik dat graag. Sporten is leuk en gezond, maar controleer op voorhand of het voor jou wel veilig is. Er zijn al te veel sportdoden gevallen. Door JEF VAN BAELEN'Ik besefte als renner niet wat voor luxeleventje ik leidde.' 'Van Aert is een stijfkop. En dat bedoel ik als een compliment.'